Artikel
1.1
(begripsbepaling)
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder wet: Invoeringswet Omgevingswet.
Besluit:
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder wet: Invoeringswet Omgevingswet.
In aanvulling op artikel 2.2, onder B, onder 1, onder b, van de wet kan tegen een besluit genomen op grond van artikel 8.4 van de Wet luchtvaart ook geen beroep worden ingesteld op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
In aanvulling op artikel 2.2, onder B, onder 1, onder b, van de wet heeft de verwijzing naar artikel 8.15, eerste lid, in de zinsnede met betrekking tot de Wet luchtvaart, betrekking op artikel 8.15 van de Wet luchtvaart.
In aanvulling op artikel 2.3, onder C, onder 1, van de wet geldt het bepaalde in artikel 235 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ook voor een bouwactiviteit waarvoor een melding voor het in gebruik nemen is gedaan als het in gebruik nemen van het bouwwerk of de bouwwerken die het resultaat zijn van de bouwactiviteit op grond van artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is verboden zonder voorafgaande melding.
In aanvulling op artikel 2.53 van de wet geldt het bepaalde in artikel 17, vierde lid, van de Wet waardering onroerende zaken ook voor bouwactiviteiten waarvoor nog geen melding voor het in gebruik nemen is gedaan als het in gebruik nemen van het bouwwerk of de bouwwerken die het resultaat zijn van de bouwactiviteit op grond van artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is verboden zonder voorafgaande melding.
In aanvulling op afdeling 4.1 van de wet is artikel 4.4 van de wet ook van toepassing op een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer.
In aanvulling op artikel 4.6, eerste lid, van de wet geldt voor de toepassing van afdeling 13.6 van de Omgevingswet dat regels als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening in een exploitatieplan, voor zover dat op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder m, van de wet geldt als deel van het omgevingsplan, worden aangemerkt als regels als bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, van de Omgevingswet, met dien verstande dat burgemeester en wethouders zolang het omgevingsplan geen regels over de eindafrekening als bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, onder e, onder 2°, van de Omgevingswet bevat, drie maanden na uitvoering van de in het exploitatieplan voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen een afrekening van dat exploitatieplan vaststellen overeenkomstig artikel 6.20 van de Wet ruimtelijke ordening zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
In aanvulling op artikel 4.13, tweede lid, van de wet geldt voor de toepassing van afdeling 13.6 van de Omgevingswet dat regels als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening in een exploitatieplan, voor zover dat op grond van artikel 4.13, tweede lid, onder c, van de wet geldt als een aan een omgevingsvergunning verbonden voorschrift, worden aangemerkt als voorschriften als bedoeld in artikel 13.14, derde lid, van de Omgevingswet, met dien verstande dat burgemeester en wethouders zolang de omgevingsvergunning geen voorschriften over de eindafrekening als bedoeld in artikel 13.14, eerste lid, onder e, onder 2°, van de Omgevingswet bevat, drie maanden na uitvoering van de in het exploitatieplan voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen een afrekening van dat exploitatieplan vaststellen overeenkomstig artikel 6.20 van de Wet ruimtelijke ordening zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
In aanvulling op artikel 4.6, tweede lid, van de wet blijft, als een ontwerp van een van de besluiten genoemd in dat lid, onder a, ter inzage is gelegd, het oude recht ook van toepassing tot dat besluit van kracht is.
In aanvulling op paragraaf 4.3.11 van de wet geldt dit artikel bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:
die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend; en
waarop op dat tijdstip nog geen onherroepelijke beslissing is genomen.
Op de beslissing op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid blijft overeenkomstig artikel 4.3 van de wet het oude recht van toepassing, met dien verstande dat:
als de activiteit in overeenstemming is met artikel 2.10, eerste lid, onder c, respectievelijk artikel 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de omgevingsvergunning toch kan worden geweigerd als de activiteit in strijd is met het omgevingsplan;
als de activiteit in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, onder c, respectievelijk artikel 2.11 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de omgevingsvergunning toch kan worden verleend als de activiteit in overeenstemming is met het omgevingsplan; en
bij het met toepassing van artikel 6.17 van de Wet ruimtelijke ordening aan de omgevingsvergunning verbinden van het voorschrift dat de vergunninghouder een exploitatiebijdrage is verschuldigd, het omgevingsplan in acht wordt genomen, voor zover het gaat om een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die geldt als een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening.
In afwijking van artikel 4.110 van de wet wordt in dat artikel in plaats van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat gelezen: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
In aanvulling op paragraaf 4.3.19 van de wet geldt dit artikel voor een locatie waarvoor:
voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet de bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van de Woningwet, een voorschrift bevatte over de toepassing van de bevoegdheid van het bevoegd gezag om voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen te verbinden als het van oordeel is dat de bodem zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het te bouwen bouwwerk, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde doel; en
de geldende regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie in het omgevingsplan alleen de daarover in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet, gestelde regels omvatten.
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die niet in strijd is met de regels, bedoeld in het eerste lid, onder b, kan het bevoegd gezag, als het onverminderd die regels van oordeel is dat de bodem zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw, voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden die ertoe strekken dat de bodem alsnog geschikt wordt gemaakt voor het beoogde doel.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bruidsschat: het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet.
In aanvulling op artikel 22.33, eerste lid, onder a en b, van de bruidsschat wordt de omgevingsvergunning ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:
een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
In aanvulling op artikel 22.39, onder c, van de bruidsschat is artikel 22.36, aanhef en onder a en c, van de bruidsschat ook niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht op een locatie binnen een afstand als bedoeld in artikel 4.963, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van laatstbedoeld artikel van toepassing is.
In aanvulling op artikel 22.55 van de bruidsschat is paragraaf 22.3.4 van de bruidsschat niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV.
In aanvulling op artikel 22.278, eerste lid, onder a en b, van de bruidsschat wordt de omgevingsvergunning ook geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft voor de dag van ontvangst van de aanvraag:
een ontwerp van een bestemmingsplan of van een inpassingsplan ter inzage is gelegd en de termijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan of inpassingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden;
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld en de termijn voor de bekendmaking van het bestemmingsplan of inpassingsplan na de vaststelling ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag niet is overschreden; of
een bestemmingsplan of inpassingsplan na vaststelling is bekendgemaakt, en het bestemmingsplan of inpassingsplan op het tijdstip van het nemen van de beslissing op de aanvraag nog niet in werking is getreden of in beroep is vernietigd.
[Gereserveerd]
In aanvulling op de artikelen 3.5, eerste lid, onder a, en 3.6, eerste lid, onder a en b, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet worden, als op een besluit zowel een van die bepalingen als artikel 3.25 van de Omgevingsregeling van toepassing is, in afwijking van artikel 1.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen, bedoeld in artikel 110f, eerste lid, van de Wet geluidhinder, bepaald overeenkomstig artikel 3.25 van de Omgevingsregeling.
Bij de toepassing van het eerste lid wordt het geluid door een provinciale weg of industrieterrein, totdat daarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, bepaald op grond van het in artikel 3.5, eerste lid, aanhef, of 3.6, eerste lid, aanhef, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet bedoelde recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, waarbij voor industrieterreinen de geluidbelasting in Letmaal geldt als geluidbelasting in Lden.
In aanvulling op artikel 4.2, eerste en vijfde lid, van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet geldt dat een onherroepelijk voorkeursrecht, gevestigd op grond van artikel 2 in samenhang met artikel 3 van de Wet voorkeursrecht gemeenten respectievelijk artikel 9a, eerste lid, eerste zin, in samenhang met artikel 3 van de Wet voorkeursrecht gemeenten, van rechtswege vervalt als tien jaar zijn verstreken na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan respectievelijk het inpassingsplan waarop het voorkeursrecht berust, als op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet vijf jaar of meer zijn verstreken nadat het voorkeursrecht is ingegaan.
In aanvulling op artikel 4.6 van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet geldt een lijst der geldelijke regelingen als bedoeld in artikel 47 van de Wet inrichting landelijk gebied als een besluit geldelijke regelingen als bedoeld in artikel 12.36 van de Omgevingswet.
[Gereserveerd]
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2024.
Deze regeling wordt aangehaald als: Vangnetregeling Omgevingswet.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.