Besluit van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 april 2024, nr. IENW/BSK-2024/69679, houdende beperking van het aantal verleners van grondafhandelingsdiensten op de luchthaven Schiphol

Besluit beperking van het aantal verleners van grondafhandelingsdiensten luchthaven Schiphol

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

BESLUIT:

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • dienstregelingsperiode: het zomer- of het winterseizoen volgens de in de dienstregelingen van luchtvaartmaatschappijen gebezigde indeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van Verordening nr. 95/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van ‘slots’ op communautaire luchthavens (PBEG L 14);

  • grondafhandelingsdiensten: de in de bijlage bij Richtlijn nr. 96/67/EG van de Raad van de Europese Unie van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap (PbEG L 272/36) genoemde diensten die op een luchtvaartterrein aan een gebruiker worden verleend;

  • handelsverkeer met passagiers: verkeersvluchten van luchtvaartmaatschappijen die open staan voor individuele boekingen voor passagiers en die betreffen: geregelde vluchten, zijnde lijnvluchten of commerciële vluchten uitgevoerd op een vaste route volgens een gepubliceerde dienstregeling, en niet-geregelde vluchten, zijnde chartervluchten in het passagiersvervoer of commerciële vluchten met passagiers met een ongeregeld karakter;

  • luchthaven: luchthaven Schiphol;

  • Regeling: Regeling grondafhandeling luchtvaartterreinen.

Artikel

2

Artikel

3

Het is uitsluitend de overeenkomstig artikel 2, tweede lid, geselecteerde verleners van grondafhandelingsdiensten toegestaan om de in artikel 2, eerste lid, genoemde categorieën grondafhandelingsdiensten aan te bieden ten behoeve van handelsverkeer met passagiers op de op de luchthaven.

Artikel

4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat de overeenkomstig artikel 2, eerste lid, vastgestelde beperking en artikel 3 gaan gelden vanaf de eerstvolgende dienstregelingsperiode te rekenen vanaf het moment waarop er zes kalendermaanden zijn verstreken na definitieve gunning van de opdrachten als gevolg van de aanbesteding als bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, M.G.J. Harbers