Artikel
1
1
Voor het vaststellen van de identiteit van een persoon als bedoeld in artikel B 1 van de Kieswet op grond van artikel J 24, eerste lid, onderdeel a, van die wet worden naast de in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht genoemde identiteitsdocumenten de volgende identiteitsdocumenten aangewezen:
-
a.
een identiteitskaart uitgegeven in een land dat lid is van de Europese Unie;
-
b.
een identiteitskaart uitgegeven in Liechtenstein, Noorwegen, IJsland of Zwitserland.
2
De identiteitsdocumenten, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht en aangewezen in het eerste lid, mogen op de dag van de stemming, bedoeld in artikel J 1, eerste lid, van de Kieswet, maximaal vijf jaren hun geldigheid hebben verloren.