Besluit van 16 september 2024, IENW/BSK-2024/220597 tot vaststelling van de Beleidsregel vergunningverlening waterkrachtcentrales in rijkswateren 2024

Beleidsregel vergunningverlening waterkrachtcentrales in rijkswateren 2024

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Artikel

2

Deze beleidsregel is van toepassing op het aanvragen of wijzigen van omgevingsvergunningen voor waterkrachtcentrales in de oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, bedoeld in bijlage II bij artikel 3.1 van het Omgevingsbesluit, met uitzondering van de Nederlandse territoriale zee, de Nederlandse exclusieve economische zone en het Waddengebied.

§

2

Beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning

Artikel

3

Artikel

4

Een omgevingsvergunning voor een waterkrachtcentrale kan slechts verleend worden, indien de waterkrachtcentrale voldoet aan de maximale beschikbare mogelijkheden van visbescherming voor stroomafwaartse migratie en indien eventuele negatieve effecten op de stroomopwaartse vismigratie gecompenseerd worden.

Artikel

5

Artikel

6

In afwijking van artikel 5, eerste lid, kan in een relevant gebied voor een reeds bestaande en in werking zijnde waterkrachtcentrale, ten gevolge waarvan vissterfte van zalm (smolts) en schieraal plaatsvindt, bij uitzondering een omgevingsvergunning worden verleend, indien:

  • a.

    de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op initiatieven met een experimenteel karakter, waarbij bestaande turbines worden vervangen door nieuwe, innovatieve turbines of anderszins vernieuwende en innovatieve technieken worden toegepast;

  • b.

    op basis van de aanvraag om een omgevingsvergunning en de daarbij verstrekte gegevens aannemelijk is dat de bestaande vissterfte aantoonbaar zal afnemen door vervanging van deze turbines of door het toepassen van deze nieuwe technieken;

  • c.

    de in de aanvraag om een omgevingsvergunning beschreven turbines of nieuwe technieken aantoonbaar als oogmerk hebben om bij te dragen aan de ontwikkeling van visvriendelijkere waterkrachtcentrales; en

  • d.

    de verlening van de omgevingsvergunning niet in de weg staat aan het bereiken van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water, het Nederlandse Aalbeheerplan en het op den duur bereiken van een cumulatieve vissterfte van ten hoogste tien procent in het betreffende relevante gebied.

§

3

Voorschriften omgevingsvergunning bij experimenten

Artikel

7

Indien een omgevingsverlening verleend wordt met toepassing van artikel 6, verbindt het bevoegd gezag hieraan ten minste de volgende voorschriften:

  • a.

    een uitdrukkelijke doelstelling ten aanzien van de met toepassing van de te testen techniek te bereiken maximale vissterfte; deze doelstelling wordt zodanig geformuleerd dat de veroorzaakte vissterfte niet in de weg staat aan het bereiken van een cumulatieve vissterfte van ten hoogste tien procent in het betreffende relevante gebied;

  • b.

    een termijn voor de geldigheid van de omgevingsvergunning;

  • c.

    vereisten ten aanzien van monitoring en beoordeling van de toegepaste techniek en de veroorzaakte vissterfte; en

  • d.

    de verplichting om aanwijzingen van het bevoegd gezag op te volgen omtrent de wijze van uitvoering van het experiment.

§

4

Slotbepalingen

Artikel

9

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2024.

Artikel

10

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregel vergunningverlening waterkrachtcentrales in rijkswateren 2024.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, B. Madlener