Gewijzigde Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2022

Gelet op artikel 57, eerste lid, onderdeel e, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beleidsregels vast met betrekking tot het uitoefenen van de bevoegdheid tot het toekennen van een beschikbaarheidbijdrage als bedoeld in artikel 56a van de Wmg.
Op grond van artikel 56a, tweede lid, onder a, van de Wmg geeft de NZa op aanvraag toepassing aan artikel 56a, eerste tot en met negende lid, van de Wmg.
Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg, heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist als bedoeld in artikel 1, tweede lid van deze beleidsregel, een vijftal aanwijzingen op grond van artikel 7 van de Wmg aan de NZa gegeven. Deze aanwijzingen dateren van 17 september 2012, 17 oktober 2013, 6 juli 2016, 26 juni 2018 en 6 juli 2020 en hebben respectievelijk als kenmerk MC-U-3131142, 132010-106827-MC, 984591-152516-MC,1355023-177350-PZo en 1713658-207569-PZo. Deze aanwijzingen zijn gepubliceerd in de Staatscourant onder nummer 20041, 30705, 36918, 37253 en 37007.
Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg, heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de ziekenhuisopleidingen als bedoeld in artikel 1.3 van deze beleidsregel, een aanwijzing op grond van artikel 7 van de Wmg aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 28 juni 2013 en heeft als kenmerk 125996-105636-MC.
Gelet op artikel 59, aanhef en onder e, van de Wmg heeft de Minister van VWS, ten behoeve van de medische opleidingen tot sportarts, klinisch neuropsycholoog en arts voor verstandelijk gehandicapten, een aanwijzing op grond van artikel 7 Wmg aan de NZa gegeven. Deze aanwijzing dateert van 30 juni 2015 en heeft als kenmerk 776201-137544-MC.
Op de beschikbaarheidbijdrage zijn titel 4.2 (‘subsidies’) en 4.4 (‘bestuursrechtelijke geldschulden’) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG van toepassing. De beschikbaarheidbijdrage wordt beschikbaar gesteld uit het Zorgverzekeringsfonds (Zvf) en het Fonds langdurige zorg (Flz).

Besluit:

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt, tenzij anders vermeld, verstaan onder:

  • 1.1

    (Medische) vervolgopleidingen

    De (medische) vervolgopleidingen waarop deze beleidsregel van toepassing is, zijn te verdelen in twee categorieën:

    • Vervolgopleidingen tot (medisch) specialist;

    • Ziekenhuisopleidingen.

  • 1.2

    Vervolgopleidingen tot (medisch) specialist

    De vervolgopleidingen tot (medisch) specialist zijn:

    • a.

      De 28 erkende medisch specialismen: anesthesiologie, cardiologie, cardio-thoracale chirurgie, dermatologie en venerologie, heelkunde, interne geneeskunde, keel-neus-oorheelkunde, kindergeneeskunde, klinische genetica, klinische geriatrie, longziekten en tuberculose, maag-darm-leverziekten, medische microbiologie, neurochirurgie, neurologie, nucleaire geneeskunde1Per 1 juli 2015 is de opleiding nucleaire geneeskunde toegevoegd aan de opleiding radiologie. Medisch specialisten die reeds begonnen waren aan de opleiding nucleaire geneeskunde konden kiezen of zij overstapten naar het programma van radiologie of het programma van nucleaire geneeskunde bleven volgen. Nucleaire geneeskunde geldt alleen als opleiding met vooropleiding voor diegenen die hebben gekozen het programma van nucleaire geneeskunde te blijven volgen. Hieronder valt ook de vervolgopleiding tot kinderoncologieverpleegkundige. obstetrie en gynaecologie, oogheelkunde, orthopedie, pathologie, plastische chirurgie, psychiatrie, radiologie, radiotherapie, reumatologie, revalidatiegeneeskunde, sportgeneeskunde en urologie;

    • b.

      De technische zorg specialismen: klinische chemie, klinische fysica en ziekenhuisfarmacie;

    • c.

      De tandheelkundige specialismen: orthodontie en kaakchirurgie;

    • d.

      De overige specialismen: arts voor verstandelijk gehandicapten, SEH-arts, huisarts, specialist ouderengeneeskunde en verslavingsarts;

    • e.

      Gezondheidszorgpsycholoog, klinisch neuropsycholoog, klinisch psycholoog en psychotherapeut;

    • f.

      Verpleegkundig specialist in de ggz.

  • 1.3

    Ziekenhuisopleidingen

    De vervolgopleidingen tot gespecialiseerd verpleegkundige en medisch ondersteunend personeel zijn:

    • a.

      Deskundige infectiepreventie, gipsverbandmeester en gespecialiseerd verpleegkundigen, te weten: IC-verpleegkundige, IC-neonatologieverpleegkundige, IC-kinderverpleegkundige, kinderverpleegkundige, dialyseverpleegkundige, oncologieverpleegkundige2Hieronder valt ook de vervolgopleiding tot kinderoncologieverpleegkundige. SEH-verpleegkundige en obstetrie-verpleegkundige;

    • b.

      Operatieassistent, anesthesiemedewerker, radiodiagnostisch laborant, radiotherapeutisch laborant en klinisch perfusionist.

  • 1.4

    Opleidende zorgaanbieder

    De zorgaanbieder die door de daartoe bevoegde instantie is erkend voor het verzorgen van een (deel van een) (medische) vervolgopleiding.

  • 1.5

    Beschikbaarheidbijdrage

    Bijdrage als bedoeld in artikel 56a Wmg.

  • 1.6

    Subsidiabele opleidingsplaats

    Een opleidingsplaats die in aanmerking komt voor een subsidie.

  • 1.7

    Minister

    Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

  • 1.8

    Fte

    Full time equivalent (voltijdse plaats).

  • 1.9

    Startmoment van de opleiding

    Het startmoment van de opleiding is dat moment waarop de (medisch) specialist in opleiding met zijn opleiding begint.

  • 1.10

    Jaar t

    Jaar t is het lopende subsidiejaar waarin de opleiding plaatsvindt.

  • 1.11

    Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa

    Het Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa omschrijft de uniforme procedure die gehanteerd wordt ten aanzien van de verstrekking van alle beschikbaarheidbijdragen door de NZa. Dit kader is ook van toepassing op de beschikbaarheidbijdrage voor de (medische) vervolgopleidingen. In enkele gevallen geldt een uitzondering op de uniforme procedure. Deze uitzondering staat dan omschreven in deze beleidsregel.

  • 1.11a

    Gefuseerde zorgaanbieder

    Opleidende zorgaanbieder die voor of op 1 januari van jaar t, na een juridische fusie als bedoeld in artikel 2:309, het vermogen van de andere opleidende zorgaanbieder(s) onder algemene titel verkrijgt of die als nieuwe opleidende zorgaanbieder die bij deze fusie door de opleidende zorgaanbieders samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt.

Begripsbepalingen vervolgopleiding tot (medisch) specialist

Artikel 1.12 tot en met 1.23 beschrijven de begripsbepalingen die van toepassing zijn op de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist zoals genoemd in artikel 1.2.

  • 1.12

    Opleidingen met een vooropleiding

    • a.

      Om de opleidingen longziekten en tuberculose, maag-, darm- en leverziekten, cardiologie, klinische geriatrie of reumatologie te mogen volgen, dient de (medisch) specialist in opleiding tevens de vooropleiding interne geneeskunde te volgen.

    • b.

      Om de opleidingen orthopedie, urologie en plastische chirurgie te mogen volgen, dient de (medisch) specialist in opleiding tevens de vooropleiding heelkunde te volgen.

  • 1.13

    Instroomplaats

    Opleidingsplaats voor (medisch) specialist in opleiding die:

    • a.

      In het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist begint op een subsidiabele opleidingsplaats, of;

    • b.

      Voorafgaand aan het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een niet-subsidiabele opleidingsplaats, maar in jaar t alsnog op een subsidiabele instroomplaats de opleiding vervolgt.

  • 1.14

    Doorstroomplaats

    Opleidingsplaats voor (medisch) specialist in opleiding die:

    • a.

      In een eerder jaar met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een subsidiabele instroomplaats of;

    • b.

      In het jaar t met een vervolgopleiding tot (medisch) specialist is begonnen op een subsidiabele instroomplaats en om inhoudelijke redenen in jaar t doorstroomt naar een andere opleidende zorgaanbieder.

  • 1.15

    Instroomjaar

    Het kalenderjaar (jaar t) waarin de (medisch) specialist in opleiding start met de opleiding op een subsidiabele opleidingsplaats.

  • 1.16

    Boventallige (medisch) specialist in opleiding

    Een boventallige (medisch) specialist in opleiding is iemand die wordt opgeleid voor eigen rekening, voor rekening van de opleidende zorgaanbieder of voor rekening van derden. Deze (medisch) specialist in opleiding is niet subsidiabel en de zorgaanbieder kan voor deze (medisch) specialist in opleiding geen beschikbaarheidbijdrage ontvangen.

  • 1.17

    Registratiecommissies voor medische specialismen

    De registratiecommissies voor medische specialismen zijn:

    • a.

      Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten (RGS) van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG);

    • b.

      Stichting Opleiding Klinisch Fysicus (OKF);

    • c.

      Specialisten Registratiecommissie (SRC) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP);

    • d.

      Registratiecommissie van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde (NVKC);

    • e.

      Registratiecommissie Tandheelkundig Specialismen (RTS) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT);

    • f.

      Commissie Registratie en Toezicht (CRT) van de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen en Psychotherapeuten (FGzPt);

    • g.

      Registratiecommissie Specialismen Verpleegkunde (RSV) van de Vereniging Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN).

  • 1.18

    Erkennende opleidingsinstituten voor medische specialismen

    De opleidingsinstituten zijn instituten die erkenningen afgeven aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2.

    • a.

      De RGS van de KNMG geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2 sub a en d.

    • b.

      De Stichting OKF geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub b, klinische fysica.

    • c.

      De SRC van de KNMP geeft erkenningen af aan de opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub b, ziekenhuisfarmacie.

    • d.

      De Registratiecommissie van de NVKC geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub b, klinische chemie.

    • e.

      De RTS van de KNMT geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2 sub c.

  • 1.19

    Erkennende opleidingsinstituten voor ggz-opleidingen

    • a.

      De daartoe bevoegde instantie geeft erkenningen af aan de opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van opleidingen als genoemd in artikel 1.2 sub e.

    • b.

      De RSV van V&VN geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van de opleiding als genoemd in artikel 1.2 sub f.

  • 1.20

    Werkgevers voor specifieke opleidingen

    Voor enkele opleidingen geldt dat de (medisch) specialist in opleiding niet in dienst is bij een opleidende zorgaanbieder, maar bij een stichting die verantwoordelijk is voor het gehele proces van de beschikbaarheidbijdrage en financiering van de opleiding. Deze wordt in deze beleidsregel beschouwd als opleidende zorgaanbieder en is verantwoordelijk voor het gehele proces van aanvragen van de beschikbaarheidbijdrage en financiering van deze opleidingen.

    Deze stichtingen zijn:

    • a.

      De SBOH. De SBOH is de werkgever van huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde, artsen voor verstandelijk gehandicapten en verslavingsartsen in opleiding.3Met uitzondering van de aios verslavingsgeneeskunde die hun opleiding voor 2021 zijn gestart. Deze aios zijn in dienst bij een opleidende zorgaanbieder. De SBOH is wel verantwoordelijk voor het proces van aanvragen van de beschikbaarheidbijdrage en financiering van de opleiding.

    • b.

      De Stichting Beroepsopleiding tot Sportarts (SBOS). De SBOS is de werkgever van sportartsen in opleiding.

  • 1.21

    Opleidingsoverzicht

    Overzicht uit het opleidingsregister van de per opleiding tot (medisch) specialist gerealiseerde opleidingsplaatsen per opleidende zorgaanbieder, uitgesplitst naar instroomplaatsen (medisch) specialist en doorstroomplaatsen (medisch) specialist.

  • 1.22

    Gerealiseerde opleidingsplaats

    Het aantal uren dat de (medisch) specialist in opleiding feitelijk heeft besteed aan zijn opleiding. Hierbij gaan wij uit van de berekening zoals genoemd in artikel 4.3.

  • 1.23

    Verdeelplan

    Overzicht van de verdeling van het maximaal aantal instroomplaatsen en bijbehorende fte voor de vervolgopleidingen tot (medisch) specialist per specialisme per opleidende zorgaanbieder, zoals dat is opgesteld door de Minister.

Begripsbepalingen ziekenhuisopleidingen

In de artikelen 1.24 tot en met 1.28 zijn de begripsbepalingen beschreven die van toepassing zijn op de ziekenhuisopleidingen als genoemd in artikel 1.3.

  • 1.24

    Instroomplaats

    Opleidingsplaats voor een natuurlijk persoon die voor de eerste keer aanvangt met een volledige ziekenhuisopleiding bij een opleidende zorgaanbieder.

  • 1.25

    Gediplomeerde

    Natuurlijk persoon die met goed gevolg een volledige ziekenhuisopleiding heeft voltooid bij een erkende opleidende zorgaanbieder en een diploma heeft van het CZO. Dit betreft alle ziekenhuisopleidingen.

  • 1.26

    Registratiecommissie voor ziekenhuisopleidingen

    De registratiecommissie voor ziekenhuisopleidingen is het College Zorg Opleidingen (CZO).

  • 1.27

    Erkennend opleidingsinstituut voor ziekenhuisopleidingen

    Het CZO geeft erkenningen af aan opleidende zorgaanbieders voor het verzorgen van ziekenhuisopleidingen als genoemd in artikel 1.3.

  • 1.28

    Opleidingsopgave van CZO

    De NZa ontvangt van het CZO een opgave van het gerealiseerde aantal ingestroomde en gediplomeerde personen in jaar t uitgesplitst naar ziekenhuisopleidingen en door het CZO erkende zorgaanbieders.

Artikel

2

Doel van de beleidsregel

Het doel van deze beleidsregel is om vast te leggen op welke wijze zorgaanbieders in aanmerking kunnen komen voor een beschikbaarheidbijdrage voor de bekostiging van (medische) vervolgopleidingen en op welke wijze de NZa gebruik maakt van haar bevoegdheden om deze beschikbaarheidbijdrage toe te kennen.

Artikel

4

Algemeen

Artikel

5

Verlening

Artikel

6

Berekening verlening beschikbaarheidbijdrage – vervolgopleidingen tot (medisch) specialist

Artikel

7

Berekening verlening beschikbaarheidbijdrage – ziekenhuisopleidingen

Artikel

8

Bevoorschotting

Artikel

9

Vaststelling

Artikel

10

Berekening vaststelling beschikbaarheidbijdrage – vervolgopleidingen tot (medisch) specialist

Artikel

11

Berekening vaststelling beschikbaarheidbijdrage – ziekenhuisopleidingen

De hoogte van de beschikbaarheidbijdrage voor de ziekenhuisopleidingen wordt vastgesteld door het aantal gerealiseerde opleidingsplaatsen per ziekenhuisopleiding te vermenigvuldigen met het corresponderende vergoedingsbedrag. De vergoedingsbedragen voor ziekenhuisopleidingen zijn vastgesteld door de Minister en worden jaarlijks geïndexeerd door de NZa.

Voor de vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage voor de ziekenhuisopleidingen geldt het volgende:

  • a.

    Het aantal gerealiseerde opleidingsplaatsen, uitgedrukt in het aantal instromers en het aantal gediplomeerden, wordt vastgesteld op basis van de opleidingsopgave van het CZO over jaar t.

  • b.

    Voor alle ziekenhuisopleidingen ontvangt de opleidende zorgaanbieder een beschikbaarheidbijdrage per gediplomeerde.

  • c.

    Voor de opleidingen tot operatieassistent in service, anesthesiemedewerker in service, radiodiagnostisch laborant in service, radiotherapeutisch laborant in service en klinisch perfusionist ontvangt de opleidende zorgaanbieder ook een beschikbaarheidbijdrage per instromer.

  • d.

    Wanneer een opleidende zorgaanbieder een beschikbaarheidbijdrage voor een opleidingsplaats ontvangt, dient een erkenning door het CZO voor deze opleiding aanwezig te zijn. Dit betekent voor de bekostiging van opleidingsplaatsen dat op het moment dat het diploma behaald wordt, een erkenning aanwezig is voor de desbetreffende opleiding.

    Bij de opleidingen tot operatieassistent in service, anesthesiemedewerker in service, radiodiagnostisch laborant in service, radiotherapeutisch laborant in service en klinisch perfusionist dient de erkenning (ook) aanwezig te zijn wanneer wordt gestart met de opleiding.

  • e.

    Een opleideling kan maar één keer instroomsubsidie ontvangen voor dezelfde ziekenhuisopleiding.

Artikel

12

Toepasselijkheid van deze beleidsregel

In afwijking van de Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2022 met kenmerk BR/REG-22131a en artikel 13 van de Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2023 met kenmerk BR/REG-22136a is deze beleidsregel van toepassing op besluiten en aangelegenheden in het tijdvak 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022.

Artikel

13

Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de beleidsregel ingevolge artikel 5, aanhef en onder e, van de Bekendmakingswet, wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2022.

Artikel

14

Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Gewijzigde Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2022.

Bijlage

1

Vergoedingsbedragen beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen ggz-opleidingen en avg, huisarts en so.

De beschikbaarheidbijdragen voor de ggz-opleidingen worden berekend aan de hand van de vergoedingsbedragen genoemd in tabel 1 en tabel 2.

De beschikbaarheidbijdragen voor de opleidingen9Het vergoedingsbedrag voor de opleiding tot verslavingsarts is opgenomen in tabel 2. arts voor verstandelijk gehandicapten, huisarts en specialist ouderengeneeskunde worden berekend aan de hand van de vergoedingsbedragen genoemd in tabel 3.

Tabel 1. Vergoedingsbedragen ggz-opleidingen in euro per fte (prijspeil 2017)

Gezondheidszorgpsycholoog

€ 41.333

€ 23.038

€ 30.992

Psychotherapeut

€ 52.584

Klinisch psycholoog

€ 77.694

€ 55.083

€ 64.914

Klinisch neuropsycholoog

€ 81.527

Psychiater in de ggz

€ 78.445

€ 59.200

€ 67.568

Klinisch geriater in de ggz

€ 82.313

Verpleegkundig specialist in de ggz

€ 76.701

€ 64.033

€ 69.541

Tabel 2. Vergoedingsbedrag opleiding verslavingsarts in euro per fte (prijspeil 2020)

Verslavingsarts

€ 71.095

Tabel 3. Vergoedingsbedragen opleidingen avg, huisarts en so in euro per fte (prijspeil 2020)

Arts voor verstandelijk gehandicapten

€ 95.426

Huisarts

€ 107.625

Specialist ouderengeneeskunde

€ 92.202