Artikel
1
Verlening mandaat en machtiging
1
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verleent mandaat en machtiging aan de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid om de bevoegdheid uit te oefenen, zoals neergelegd in artikel 3.71a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, zowel bij besluiten in eerste aanleg als in bezwaar, beroep en hoger beroep.
2
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verleent mandaat en machtiging aan de directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid om de werkzaamheden te verrichten die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheid, genoemd in het eerste lid.
3
De directeur-generaal van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid kan het mandaat en de machtiging, genoemd in het eerste en tweede lid, doorverlenen aan onder hem ressorterende functionarissen, een en ander voor zover dat in overeenstemming is met de taak en functie van de desbetreffende functionarissen.