Artikel
1
Defensiebudget
1
Ten einde uitvoering te geven aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en artikel 97 van de Grondwet stellen de regering en de Staten-Generaal jaarlijks voldoende middelen ter beschikking op de begrotingsstaat van het Ministerie van Defensie.
2
Met ingang van het begrotingsjaar volgend op het jaar van inwerkingtreding van dit artikel bedragen de defensie-uitgaven, overeenkomstig afspraken gemaakt binnen de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), het equivalent van ten minste twee procent van het bruto binnenlands product van het land Nederland.
3
Na de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer bepaalt de regering in de eerstvolgende Voorjaarsnota voor het begrotingsjaar en de vier daarop aansluitende begrotingsjaren de geraamde bedragen die beschikbaar worden gesteld om te voldoen aan het tweede lid. De geraamde bedragen worden bepaald op grond van de meest recente meerjarige macro-economische ramingen van het bruto binnenlands product van het Centraal Planbureau.
4
Indien in enig jaar uit het Centraal Economisch Plan blijkt dat de macro-economische raming van het bruto binnenlands product van het land Nederland voor een of meer van de begrotingsjaren waarvoor geraamde bedragen beschikbaar zijn gesteld als bedoeld in het derde lid hoger blijkt dan het bruto binnenlands product op grond waarvan de bedragen zijn bepaald die eerder voor die begrotingsjaren beschikbaar zijn gesteld, stellen de regering en de Staten-Generaal voor die begrotingsjaren aanvullende middelen ter beschikking om te voldoen aan het tweede lid.