Wijzigingswet Burgerlijk Wetboek Boek 8 (invoering van het elektronisch cognossement)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om regels in te voeren inzake het elektronisch cognossement;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

I

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8.

Artikel

II

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 10.

Artikel

III

Onze Minister van Justitie en Veiligheid zendt, in overeenstemming met Onze Minister voor Infrastructuur en Waterstaat, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel

IV

Deze wet is van toepassing op cognossementen en elektronische cognossementen die na de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn afgegeven door de vervoerder.

Artikel

V

Wijzigt de Uitvoeringswet Rotterdam Rules, het Burgerlijk Wetboek Boek 8 en het Burgerlijk Wetboek Boek 10.

Artikel

VI

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te

’s-Gravenhage
Willem-Alexander
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel