Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 april 2026, nr. HO&S/63327145, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van het inrichten van co-creatielabs in het kader van de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (Subsidieregeling co-creatielabs NAPL)

Subsidieregeling co-creatielabs NAPL

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Besluit:

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel

3

Te subsidiëren activiteiten

Artikel

4

Hoogte van de subsidie

De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bestaat uit een vast bedrag van € 2.700.000 per aanvraag.

Artikel

5

Penvoerder

Artikel

6

Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is in 2026 een bedrag van € 27.000.000,– beschikbaar.

Artikel

7

Algemene bepalingen subsidieaanvraag

Artikel

8

Ambitiedocument

Artikel

9

Activiteitenplan

Artikel

10

Begroting

Artikel

11

Educatief consortium en samenwerkingsovereenkomst

Artikel

12

Wijze van verdeling beschikbare middelen

De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen.

Artikel

13

Weigeringsgronden

Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverstrekking in ieder geval geweigerd indien voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, reeds uit anderen hoofde subsidie is verstrekt.

Artikel

14

Algemene verplichtingen subsidie

Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

    De activiteiten waarvoor op basis van deze regeling subsidie wordt verstrekt, worden uitgevoerd in de periode van 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2029;

  • b.

    De penvoerder zendt binnen 13 weken na de afronding van het project, doch uiterlijk binnen 13 weken na het verstrijken van de subsidieperiode, een eindrapportage aan de minister over de subsidiabele periode, bedoeld in onderdeel a;

  • c.

    De penvoerder zendt op uiterlijk 15 oktober 2027 een voortgangsrapportage over de periode 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2027 en op uiterlijk 15 oktober 2028 een voortgangsrapportage over de periode 1 september 2027 tot en met 31 augustus 2028 aan de minister;

  • d.

    De penvoerder voert met betrekking tot de financiering van de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding, indien de penvoerder naast niet- economische activiteiten ook economische activiteiten verricht;

  • e.

    De penvoerder zorgt er voor dat de partijen die deelnemen aan het educatief consortium desgevraagd meewerken aan monitoring en evaluatie van de gesubsidieerde activiteiten;

  • f.

    de penvoerder maakt alle resultaten van de gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, voor eenieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk en kan hiervoor de standaardlicentie CC-BY-SA, versie 4.0 van Creative Commons hanteren.

Artikel

15

Inhoud voortgangsrapportage

Artikel

16

Inhoud eindrapportage

Artikel

17

Besteding subsidie

Artikel

18

Betaling

Artikel

19

Verantwoording

Artikel

20

Hardheidsclausule

De minister kan deze regeling in bijzondere gevallen buiten toepassing verklaren of daarvan afwijken, voor zover de toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden.

Artikel

21

Inwerkingtreding en vervaldatum

Artikel

22

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling co-creatielabs NAPL.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert

Bijlage

1

behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL

Educatieve allianties en deelnemende hogeronderwijsinstellingen

Alliantie MRA Amsterdam (ALMA)

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten,

Hogeschool Inholland, Hogeschool IPABO,

Hogeschool van Amsterdam, Universiteit van Amsterdam,

VU,

Windesheim Almere

Educatieve Alliantie Lerarenopleidingen Zuid-Holland (EAZH)

Erasmus Universiteit, De Haagse Hogeschool, Hogeschool Inholland, Hogeschool Leiden, Hogeschool Rotterdam, Hogeschool Thomas More, Technische Universiteit Delft, Universiteit Leiden

Educatieve Levensbeschouwelijke Alliantie (ELA)

Christelijke Hogeschool Ede, Driestar educatief,

Hogeschool VIAA,

Open Universiteit,

Theologische Universiteit Apeldoorn,

Universiteit voor Humanistiek, Universiteit Utrecht,

Universiteit Wageningen,

Vrije Universiteit

Groene Educatie Alliantie (GEA)

Aeres Hogeschool Wageningen,

Wageningen University Education and Learning Sciences

Noordelijk Educatieve Alliantie (NEA)

Hanzehogeschool Groningen, NHL Stenden Hogeschool, Rijksuniversiteit Groningen

Oost Werkt (OW)

ArtEZ Hogeschool voor de kunsten,

Hogeschool KPZ,

Hogeschool VIAA,

Iselinge Hogeschool, Saxion Hogeschool,

Universiteit Twente,

Windesheim

Regionale Alliantie Zuidoost-Nederland (RA-ZON)

ArtEZ University of the Arts

HAN University of Applied Sciences

Radboud Universiteit

Utrecht Leert OpleidersAlliantie (ULOA)

Hogeschool van de Kunsten, Hogeschool Utrecht,

Marnix Academie,

Universiteit voor Humanistiek,

Universiteit Utrecht

Zuidelijke Educatieve Alliantie I (ZEA I)

Avans Hogeschool,

Fontys Hogescholen,

Hogeschool de Kempel,

HZ University of Applied Sciences,

Zuyd Hogeschool

Zuidelijke Educatieve Alliantie II (ZEA II)

Maastricht University,

Open Universiteit Heerlen, Radboud Universiteit Nijmegen, Technische Universiteit Eindhoven,

Tilburg University

Bijlage

2

behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL

Ontwikkelpaden en specialismen

In bekwaamheid van leraren kunnen we drie niveaus onderscheiden: startbekwaam, vakbekwaam en expert. Aan het einde van zijn initiële opleiding is een leraar startbekwaam en wettelijk bevoegd om les te geven. Via ontwikkelpaden kan een leraar een volgend niveau bereiken. Vakbekwame leraren hebben een breder en effectiever handelingsrepertoire dan de startbekwame leraar en kunnen autonomer handelen en lesgeven in complexere onderwijssituaties. Waar vakbekwaamheid ontwikkeling in de breedte is, gaat het bij het expertniveau om ontwikkeling in de diepte in een specifiek domein, zoals curriculumontwikkeling. Als zodanig bieden ontwikkelpaden leraren inzicht in waar ze staan in hun professionele ontwikkeling, waar ze naartoe kunnen groeien en via welke route. De ontwikkelpaden schrijven geen vaste routes voor en worden modulair opgebouwd (in leerarrangementen).

Voor een volledige omschrijving van de ontwikkelpaden wordt verwezen naar www.napl.nl.

Start- naar vakbekwaam

Het ontwikkelpad richt zich op startbekwame leraren. Aan het einde van zijn initiële opleiding heeft een leraar startbekwaamheid. Via het ontwikkelpad Start- naar vakbekwaam bereikt de leraar het volgende niveau: vakbekwaamheid.

Vakbekwaamheid richt zich op de aspecten van inhoudelijke, didactische en pedagogische bekwaamheid die oefening en ervaring vragen, namelijk het uitbreiden van het handelingsrepertoire door autonomer en meer leerlinggestuurd te handelen in complexere situaties. Daarnaast richt het zich op de professionele bekwaamheid, namelijk de wijze waarop de leraar reflectief en onderzoekend handelt ten opzichte van zichzelf, de organisatie, de omgeving van de organisatie en de beroepsgroep als geheel.

Voor de bekwaamheden zijn de beroepsstandaard en de bekwaamheidsgebieden als uitgangspunt genomen.

Alle sectoren

Specialisatie curriculumontwikkeling

Het ontwikkelpad Specialisatie curriculumontwikkeling richt zich op vakbekwame leraren. Een vakbekwame leraar is curriculumbewust en heeft kennis van de lesinhoud. Een leraar met een specialisatie in curriculumontwikkeling bouwt voort op al verworven kennis, verbindt praktijk en onderzoek aan elkaar of bewerkstelligt vernieuwingen voor een hele jaarlaag, een schoolbrede ontwikkeling of een leerlijn over jaarlagen heen. Ook verbindt die leraar curriculumontwikkelingen op school met lokale, regionale of landelijke ontwikkelingen.

Alle sectoren

1 Een specialisatie kan typerend zijn voor één sector, maar ook voor twee of alle drie (po, vo, mbo). Een specialisatie kan generiek zijn en sectorspecifiek worden uitgewerkt.

Bijlage

3

behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL

Kwaliteitskader

Het kwaliteitskader bestaat uit kwaliteitsstandaarden. De kwaliteitsstandaarden zijn gebaseerd op de visie van NAPL op de kwaliteit van de leerarrangementen.

Samenhang met ontwikkelpaden

Ontwikkelpaden bieden leraren inzicht in waar ze staan in hun professionele ontwikkeling, waar ze naartoe kunnen groeien en via welke route. De ontwikkelpaden schrijven geen vaste routes voor en worden modulair opgebouwd (in leerarrangementen). Leraren ontwikkelen zich binnen een ontwikkelpad door te werken aan leeruitkomsten. De volgende fasering wordt onderscheiden: van start bekwaam naar vakbekwaam en van vakbekwaam naar expert leraar. Een leraar ontwikkelt zich, in een ontwikkelpad, door een of meerdere leerarrangementen in de loop van tijd te volgen of het hele ontwikkelpad (te stapelen). Er wordt geen vaste route voorgeschreven voor het aantal leerarrangementen per ontwikkelpad. Vorm moet inhoud volgen en de leerarrangementen (die samen optellen tot een ontwikkelpad) moeten een samenhangend geheel vormen, met logische onderwijskundige opbouw.

Om de samenhang van een ontwikkelpad te bewaken wordt uitgegaan van maximaal 6–10 aanbieders. Er is voor leraren vrije keuze om te kiezen voor een passende aanbieder.Een aanbieder baseert zich op de ontwikkelpaden van NAPL en het aanbod voldoet aan het kwaliteitskader.Een aanbieder kan ervoor kiezen om een of meerdere leerarrangementen, of alle leerarrangementen van een ontwikkelpad als geheel aan te bieden. Het moet altijd duidelijk zijn voor leraren hoe een leerarrangement zich verhoudt tot het gehele ontwikkelpad.

Kwaliteitsstandaarden

Beschrijving van inhoud, niveau en aanbod

De inhoud en het niveau van het leerarrangement passen bij het ontwikkelpad van NAPL.

1. Een ontwikkelpad bestaat uit een samenhangend geheel van 6–10 leerarrangementen (de richtlijn voor de omvang van leerarrangementen is daarmee 3–5 ECTS). De leerarrangementen van een professionaliseringstraject dekken samen de leeruitkomsten van een ontwikkelpad integraal af, zijn op elkaar afgestemd en (waar nodig) volgordelijk op elkaar.1 Een professionaliseringstraject bestaat uit een of meerdere leerarrangementen en/of het gehele Ontwikkelpad dat leraren kunnen gaan volgen. Het niveau van het leerarrangement sluit aan bij het niveau van het ontwikkelpad, dit is gerelateerd aan NLQF, waar het leerarrangement voor opleidt.

2. Het is duidelijk hoe het leerarrangement past in het relevante ontwikkelpad – en hoe het zich verhoudt tot de andere leerarrangementen binnen een ontwikkelpad.

3. De volgende informatie over het leerarrangement is beschikbaar:

a. de inhoud en het niveau van beoogde leeruitkomsten van de leerarrangementen die deel uitmaken van het professionaliseringstraject,

b. de wijze waarop eerder verworven competenties aangetoond en gevalideerd kunnen worden.

c. de leeractiviteiten,

d. het lesmateriaal,

e. de tijdsinvestering,

f. data, locatie, kosten en algemene voorwaarden, gekoppeld aan de opdracht tot het te verzorgen leerarrangement,

g. noodzakelijke begeleiding en medewerking vanuit de school en

h. de wijze van afronding van het traject.

4. Het leerarrangement is adaptief, zodat wordt voortgebouwd op wat leraren al kunnen en weten.

5. Het leerarrangement heeft een onderbouwde en expliciete redenering over hoe de kenmerken van het leerarrangement samenhangen met de beoogde leeruitkomsten. Er is expliciet aandacht voor het leren van leraren en de onderwijscontext.

6. De veronderstelde voorkennis en eventuele passend toelatingsvoorwaarden zijn transparant en eenduidig beschreven. Een leerarrangement sluit aan op de kenmerken van effectieve professionalisering.

Leeromgeving

De leeromgeving en het programma maken het voor leraren mogelijk de beoogde leeruitkomsten te realiseren. De leeromgeving is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten over effectieve professionalisering van leraren. Ingezette leermiddelen zijn gebaseerd op actuele wetenschappelijke literatuur.

1. De leeromgeving sluit aan bij de beroepscontext van de deelnemer en stimuleert (collectief of team-)leren in de praktijk.

2. De begeleiding en feedback is gericht op het toepassen van het geleerde en het implementeren van nieuwe werkwijzen in de onderwijspraktijk.

3. De leeromgeving is aantoonbaar adaptief, omdat ze

• stimuleert dat deelnemers hun eigen kennis en vaardigheden actief vergelijken met de te behalen leeruitkomsten.

• inspeelt op verschillen in kennis en niveau tussen deelnemers, en waardeert wat zij al kennen en kunnen.

• zelfregie stimuleert en het maken van keuzes die passen bij de persoonlijke leerbehoefte.

4. De leeromgeving maakt het mogelijk dat deelnemers actief leren, waarbij continu de verbinding wordt gelegd tussen theorie en praktijk.

5. De aangereikte materialen en modellen zijn praktisch toepasbaar in de lessen en in de bredere beroepscontext van de leraar. De inrichting van de leeromgeving bevordert de toegankelijkheid en studeerbaarheid van het leerarrangement.

6. Het geheel aan leeractiviteiten heeft een samenhangende en doordachte opbouw waarmee systematisch wordt gewerkt aan de beoogde leeruitkomsten en die recht doet aan formeel, informeel en non formeel leren.

7. De leeromgeving stimuleert evidence-informed werken, doordat

• de deelnemers hun praktijkkennis inbrengen in het leertraject.

• de gebruikte leermiddelen in het leerarrangement gebaseerd zijn op actuele en relevante (inter)nationale en wetenschappelijke literatuur met betrekking tot de inhoud van het traject.

• Het gebruik van data uit de onderwijspraktijk wordt gestimuleerd.

• De leeromgeving draagt actief bij aan een ambitieuze, collectieve leercultuur waarin leraren, schoolleiders en besturen gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor onderwijsontwikkeling.

Kwaliteit van de begeleiders/opleiders

Leerarrangementen worden verzorgd door deskundige begeleiders/opleiders.

Begeleiders/opleiders beschikken, binnen een leerarrangement, gezamenlijk over de benodigde expertise om het leerarrangement te verzorgen en de deelnemers te begeleiden.

Benodigde expertise blijkt uit:

1. Relevante inhoudelijke of didactische scholing/opleiding op tenminste het niveau van het aangeboden traject;

2. Ervaring met onderwijspraktijk die met het aangeboden traject worden afgedekt;

3. Kennis van de sector(en) (po/vo/mbo) waarvoor het traject wordt aangeboden;

4. Ervaring met het opleiden van leraren en kennis van opleidingsdidactiek.

Afronding van het leerarrangement

Deelnemers ronden een leerarrangement en/of professionaliseringstraject af door bewijzen aan te leveren die aantonen dat zij de beoogde leeruitkomsten beheersen. De leraar ontvangt bij succesvolle afronding een certificaat waarop de behaalde leeruitkomsten staan vermeld. Wanneer een leraar alle leerarrangementen van een ontwikkelpad succesvol heeft afgerond, kan de leraar dat aantonen door het geheel van de behaalde certificaten.

1. Het leerarrangement wordt afgesloten met het waarderen van bewijzen die voortkomen uit formele, informele en non formele leeractiviteiten. De deelnemer toont hiermee aan de leeruitkomsten van het betreffende leerarrangement te beheersen. De waardering van bewijzen gebeurt op valide en betrouwbaar wijze en is voldoende onafhankelijk.

2. De mogelijke bewijzen zijn passend voor de beoogde leeruitkomsten (principe van constructive alignment).

3. De wijze van afronding ondersteunt het leerproces van de deelnemers.

1 Met leeruitkomsten wordt bedoeld wat een deelnemende leraar geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode. Aanbieders kunnen er voor kiezen om met andere terminologie te gaan werken zoals leerdoelen, eindkwalificaties of microcredentials.

Kenmerken van effectieve professionalisering

Er is veel wetenschappelijk onderzoek naar kenmerken van effectieve professionalisering, binnen het onderwijsdomein en daarbuiten. Leerarrangement moeten daarom aansluiten op de kenmerken van effectieve professionalisering. Aanbieders van leerarrangementen schrijven hiervoor een theory of change.

Het kwaliteitskader kent de volgende kenmerken van effectieve professionalisering:

  • 1.

    Leren in de onderwijspraktijk

    Effectieve professionalisering sluit aan bij relevante onderwijscontext en de dagelijkse onderwijspraktijk van de leraar. Waar mogelijk vindt professionalisering plaats in afstemming met het onderwijsteam of de organisatie. Begeleiding en feedback is gericht op het toepassen van het geleerde in de onderwijspraktijk. Inbedding in de school is een belangrijke randvoorwaarde voor succesvolle professionalisering.

  • 2.

    Stimuleren zelfregulatie

    Effectieve professionalisering moet autonomie stimuleren, evenals reflectie en samenwerking om de zelfregulatie van leraren ondersteunen en verder ontwikkelen. Het is belangrijk om leraren in hun professionele ontwikkeling te zien als actieve vormgevers van hun eigen ontwikkeling.

  • 3.

    Samen leren

    Leerarrangementen bieden mogelijkheden voor samen leren en waar passend collectieve participatie en teamleren. Effectieve professionalisering -individueel of in teamverband- is verbonden met de schoolontwikkeling en teamontwikkeling.

    Voor een volledige omschrijving van het kwaliteitskader wordt verwezen naar www.napl.nl.