Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en Onze Minister van Klimaat en Groene Groei van 12 februari 2026, nr. WJZ / 103703821, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;
Gelet op de
artikelen 2.19, vijfde lid, aanhef en onder a, onder 2° en 3°, en onder b,
2.24, eerste lid,
4.3, eerste lid, aanhef en onder b, d en p, en tweede lid, aanhef en onder a,
5.1, tweede lid, aanhef en onder g,
5.2, derde lid,
18.25, tweede lid, onder a,
20.1, vierde lid,
20.4, aanhef en onder c en k,
20.6, eerste lid, onder a,
20.7, onder a en e, van de Omgevingswet en de
artikelen 78,
79 en
80 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 11 maart 2026, nr. W11.26.00043/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei van 16 juni 2026, nr. WJZ / 106267863, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur;