Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 16 juni 2026, nr. IENW/BSK-2026/97745, houdende regels voor de bepaling van de energie-efficiëntieklasse en voor de vaststelling van de constanten en waarde bij de berekening van de relatieve energiezuinigheid van personenauto’s (Regeling relatieve energiezuinigheid personenauto’s 2027) [Keten-ID WGK026753]
referentienorm: maatstaf voor het beoordelen van de relatieve energiezuinigheid van nieuwe personenauto’s;
referentiewaarde: waarde van de referentienorm voor het bepalen van de relatieve energiezuinigheid van nieuwe personenauto’s die afhankelijk is van de voertuiggrootte;
relatieve energiezuinigheid: mate waarin een nieuwe personenauto meer of minder energie verbruikt dan de referentiewaarde voor het energieverbruik van de betreffende nieuwe personenauto;
energie-efficiëntieklasse: aanduiding in de klasse A tot en met G waarmee de relatieve energiezuinigheid van een nieuwe personenauto wordt aangegeven;
vergelijkingswaarde voor het energieverbruik: waarde van het energieverbruik die wordt gebruikt voor het vaststellen van de referentienorm voor het vergelijken van de energiezuinigheid van nieuwe personenauto’s;
regressieformule gemiddelde lengte: door middel van de kleinste-kwadraten-methode afgeleide tweedegraadspolynoom voor de gemiddelde lengte van een nieuwe personenauto afhankelijk van de breedte, die nodig is voor de berekening van de relatieve energiezuinigheid van die personenauto;
regressieformule gemiddeld energieverbruik: door middel van de kleinste-kwadraten-methode afgeleide tweedegraadspolynoom voor het gemiddeld energieverbruik van een nieuwe personenauto afhankelijk van de voertuiggrootte, die nodig is voor de berekening van de relatieve energiezuinigheid van die personenauto.
Artikel
2
1
De energie-efficiëntieklasse van een nieuw model personenauto wordt bepaald aan de hand van de relatieve energiezuinigheid van de personenauto volgens de volgende tabel:
A
relatieve energiezuinigheid < –15%
B
–15% <= relatieve energiezuinigheid < –5%
C
–5% <= relatieve energiezuinigheid < 5%
D
5% <= relatieve energiezuinigheid < 15%
E
15% <= relatieve energiezuinigheid < 25%
F
25% <= relatieve energiezuinigheid < 35%
G
35% <= relatieve energiezuinigheid
2
Bij de vaststelling van de energie-efficiëntieklasse wordt de relatieve energiezuinigheid uitgedrukt als een percentage en niet afgerond, waarbij geldt dat wanneer verscheidene varianten of uitvoeringen onder één model personenauto zijn gegroepeerd, de op te geven energie-efficiëntieklasse van het model wordt gebaseerd op de minst zuinige variant of uitvoering van een personenauto binnen die groep.
3
De relatieve energiezuinigheid wordt berekend volgens de volgende zes stappen a tot en met f:
a.
berekening van de gemiddelde lengte met behulp van de regressieformule gemiddelde lengte:
(lengte x breedte)cor. = [0,7 x lengte + 0,3 x lengtegem.] x breedte;
c.
als constante C3, verbruik een positieve waarde heeft, controle van het toepassingsgebied van de regressieformule gemiddeld energieverbruik:
als: (lengte x breedte)cor. < –0,5 x C2, verbruik/ C3, verbruik;
dan: (lengte x breedte)cor. = –0,5 x C2, verbruik/ C3, verbruik;
d.
berekening van het relatieve deel van de referentiewaarde met behulp van de regressieformule gemiddeld energieverbruik:
verbruikrelatief gem. = C1, verbruik + C2, verbruik x [(lengte x breedte)cor.] + C3, verbruik x [(lengte x breedte)cor.]2;
e.
berekening van de referentiewaarde:
referentiewaarde = 0,75 x verbruikrelatief gem. + 0,25 x verbruiktotaal gem.;
f.
berekening van de relatieve energiezuinigheid:
relatieve energiezuinigheid = [CO2-uitstoot + 5 x stroomverbruik + 100 x waterstofverbruik – referentiewaarde] / referentiewaarde. x 100%;
4
Voor het bepalen van de energie-efficiëntieklasse voor personenauto’s waarvoor de test, bedoeld in Verordening (EU) 2017/1151, met LPG, aardgas of E-85 als brandstof is uitgevoerd, wordt de CO2-uitstoot van de personenauto met respectievelijk LPG, aardgas en E-85 als brandstof gehanteerd.
5
Personenauto's met een achteraf ingebouwde LPG- of aardgasinstallatie die de test van Verordening (EU) 2017/1151 met benzine als brandstof hebben ondergaan, worden beschouwd als personenauto's met benzine als brandstof.
6
De in te vullen gegevens worden als volgt overgenomen van het certificaat van overeenstemming behorende bij het betreffende voertuig:
a.
lengte: punt 6 van het certificaat van overeenstemming;
b.
breedte: punt 7 van het certificaat van overeenstemming;
c.
stroomverbruik: punt 49 van het certificaat van overeenstemming;
d.
CO2-uitstoot: punt 49 van het certificaat van overeenstemming;
e.
waterstofverbruik: punt 49 van het certificaat van overeenstemming.
7
De waarden, bedoeld in het zesde lid, worden als volgt ingevuld:
a.
de lengte en de breedte in meters, met een nauwkeurigheid van drie cijfers achter de komma;
b.
het stroomverbruik in kWh/100 km, met een nauwkeurigheid van een cijfer achter de komma;
c.
de CO2-uitstoot in gram/km, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele cijfer;
d.
het waterstofverbruik in kilogram per 100 km, met een nauwkeurigheid van twee cijfers achter de komma.
de constanten C1, lengte, C2, lengte en C3, lengte van de regressieformule gemiddelde lengte voor berekening van de gemiddelde lengte, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder a;
b.
de constanten C1, verbruik, C2, verbruik en C3, verbruik van de regressieformule gemiddeld energieverbruik, voor berekening van het relatieve deel van de referentiewaarde, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder d;
c.
de waarde verbruiktotaal gem. voor het totaal gemiddelde verbruik, zijnde het absolute deel van de referentiewaarde, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder e.
2
De constanten en waarde, bedoeld in het eerste lid, worden berekend op basis van de gegevens van nieuwe personenauto’s die zijn verkocht in de drie kalenderjaren voorafgaand aan het jaar waarin de constanten en waarden worden vastgesteld, waarbij geldt dat bij die berekening de modellen met een lengte x breedte groter dan 11 m2 buiten beschouwing worden gelaten.
3
De constanten C1, lengte, C2, lengte, C3, lengte van de regressieformule gemiddelde lengte, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden berekend met behulp van de kleinste-kwadraten-methode op basis van de lengte, de breedte en de aantallen verkochte nieuwe personenauto’s.
4
De constanten C1, verbruik, C2, verbruik en C3, verbruik van deregressieformule gemiddeld energieverbruik, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden berekend met behulp van de kleinste-kwadraten-methode op basis van de vergelijkingswaarden voor het energieverbruik en de aantallen verkochte nieuwe personenauto’s, waarbij de vergelijkingswaarde als volgt wordt berekend:
a.
voor elektrische personenauto’s:
vergelijkingswaarde = 5 x stroomverbruik in [kWh/100 km];
b.
voor benzineauto’s en dieselauto’s:
vergelijkingswaarde = CO2-uitstoot in [g/km];
c.
voor plug-in hybride personenauto’s:
vergelijkingswaarde = 5 x stroomverbruik in [kWh/100 km] + CO2-uistoot in [g/km];
d.
voor waterstof personenauto’s:
vergelijkingswaarde = 100 x waterstofverbruik in [kg/100 km].
5
Voor respectievelijk elektrische personenauto’s, personenauto’s met benzine of diesel als brandstof, plug-in hybride personenauto’s en indien mogelijk waterstof personenauto’s worden aparte regressieformules gemiddeld energieverbruik afgeleid, waarna de regressieformule gemiddeld energieverbruik wordt gevonden als het naar verkoopaantallen gewogen gemiddelde van de regressielijnen voor voornoemde categorieën personenauto’s afzonderlijk.
6
De waarde verbruiktotaal gem. voor het totaal gemiddeld energieverbruik, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gevonden als het gemiddelde van de vergelijkingswaarden voor het energieverbruik, bedoeld in het vierde lid, van alle verkochte nieuwe personenauto’s.
Artikel
4
Wijzigt de Regeling relatieve zuinigheid personenauto’s.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2027, met uitzondering van artikel 4 dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 2025.
Artikel
7
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling relatieve energiezuinigheid personenauto’s 2027.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,A.W.H.Bertram