Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden

Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Van mening, dat het gezien de nauwe band waardoor Hun landen verenigd zijn en met name ten gevolge van de afschaffing van de personencontrole aan de binnengrenzen, noodzakelijk is om de mogelijkheid tot uitlevering van misdadigers uit te breiden tot een groter aantal strafbare feiten, de daaraan verbonden formaliteiten te vereenvoudigen en rechtshulp in strafzaken op uitgebreidere schaal mogelijk te maken dan de bestaande verdragen toelaten;

Uitgaande van de beginselen vervat in de Europese overeenkomsten aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken;

Hebben besloten een verdrag te sluiten tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden tot regeling van de uitlevering van misdadigers en de rechtshulp in strafzaken en hebben als Gevolmachtigde aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Zijne Excellentie de Heer H. Fayat, Minister Adjunkt voor Buitenlandse Zaken;

Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg:

Zijne Excellentie de Heer N. Hommel, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur te Brussel;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie Jonkheer E. Teixeira de Mattos, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur te Brussel;

Die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt:

HOOFDSTUK

I

De uitlevering

Artikel

1

Verplichting tot uitlevering

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, elkander wederzijds de personen uit te leveren, die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij vervolgd worden terzake van een strafbaar feit of gezocht worden tot tenuitvoerlegging van een straf of maatregel.

Artikel

2

Feiten, die tot uitlevering kunnen leiden

Artikel

3

Politieke misdrijven

Artikel

4

Fiscale delicten

Inzake retributies, belastingen, douane, deviezen, invoer, uitvoer en doorvoer, zal uitlevering onder de in dit verdrag voorziene voorwaarden slechts worden toegestaan, indien ten aanzien van elk delict of elke groep van delicten tussen de Regeringen van de Hoge Verdragsluitende Partijen daartoe is besloten.

Artikel

5

Uitlevering van onderdanen

Artikel

6

Plaats, waar het feit is begaan

Artikel

7

Vervolging ingesteld terzake van dezelfde feiten

Een aangezochte Partij zal kunnen weigeren een persoon, wiens uitlevering is verzocht, uit te leveren, indien die persoon door haar wordt vervolgd terzake van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht.

Artikel

8

Non bis in idem

De uitlevering zal niet worden toegestaan wanneer de persoon, wiens uitlevering is verzocht, terzake van de feiten, waarop dit verzoek was gegrond, door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij onherroepelijk is berecht. De uitlevering zal kunnen worden geweigerd, indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij heeft besloten terzake van dezelfde feiten geen vervolging in te stellen danwel een ingestelde vervolging te staken.

Artikel

9

Verjaring

De uitlevering zal niet worden toegestaan indien het recht tot strafvervolging danwel de straf volgens de wet van de aangezochte Partij is verjaard op het tijdstip, waarop de overlevering plaats moet vinden.

Artikel

10

Doodstraf

Indien op het feit, terzake waarvan de uitlevering wordt verzocht, door de wet van de verzoekende Partij de doodstraf is gesteld en deze straf volgens de wet van de aangezochte Partij tegen dat feit niet wordt bedreigd of met betrekking tot dat feit door die Partij algemeen niet wordt toegepast, kan de aangezochte Partij de uitlevering toestaan op voorwaarde dat de verzoekende Partij zich verbindt het Staatshoofd aan te bevelen, de doodstraf in een andere straf om te zetten.

Artikel

11

Verzoek en stukken ter ondersteuning daarvan

Artikel

12

Aanvullende inlichtingen

Indien de door de verzoekende Partij verstrekte inlichtingen onvoldoende blijken te zijn om de aangezochte Partij in staat te stellen een beslissing overeenkomstig dit verdrag te nemen, zal deze laatste Partij de noodzakelijke aanvulling op de gegeven inlichtingen vragen en een termijn kunnen stellen, binnen welke deze verkregen moeten zijn.

Artikel

13

Specialiteitsbeginsel

Artikel

14

Verderlevering aan een derde Staat

Artikel

15

Voorlopige aanhouding

Artikel

16

Samenloop van verzoeken

Indien de uitlevering door verschillende Staten tegelijkertijd verzocht wordt, hetzij voor hetzelfde feit, hetzij voor verschillende feiten, zal de aangezochte Partij bij haar beslissing rekening houden met alle omstandigheden, zoals de ernst en de plaats van de strafbare feiten, de dagtekening van de onderscheiden verzoeken, de nationaliteit van de opgeëiste persoon en de mogelijkheid van een latere uitlevering aan een andere Staat.

Artikel

17

Overlevering van de uitgeleverde

Artikel

18

Uitgestelde of voorwaardelijke overlevering

Artikel

19

Verkorte procedure

Artikel

20

Overdracht van voorwerpen

Artikel

21

Transit

HOOFDSTUK

II

De rechtshulp in strafzaken

§ 1

Algemene bepaling

Artikel

22

§ 2

Rogatoire commissies

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

De aangezochte Partij zal de verzoekende Partij, indien zij daarom uitdrukkelijk vraagt, inlichten aangaande de datum en de plaats waarop de rogatoire commissie zal worden uitgevoerd. De autoriteiten van de verzoekende Partij en de betrokkenen zullen bij die uitvoering aanwezig kunnen zijn indien de aangezochte Partij daarin toestemt.

Artikel

25bis

Artikel

26

Artikel

27

Vervallen

Artikel

28

Artikel

29

§ 3

Mededeling van processtukken en rechterlijke beslissingen

Artikel

30

§ 4

Verschijning van getuigen, deskundigen en verdachten

Artikel

31

Artikel

32

Artikel

33

Artikel

34

De getuige die zonder geldige reden niet voldoet aan de verplichtingen welke op grond van een dagvaarding als bedoeld in artikel 31 op hem rusten, zal in het aangezochte land onder de strafbepalingen vallen welke de wetgeving van dat land voorziet tegen getuigen die niet aan hun verplichtingen voldoen.

Artikel

35

§ 5

Strafregister

Artikel

36

§ 6

Procedure

Artikel

37

Artikel

38

Artikel

39

De stukken en documenten welke krachtens dit verdrag worden overgedragen zijn vrijgesteld van alle formaliteiten van legalisatie.

Artikel

40

Indien een autoriteit die een verzoek om rechtshulp ontvangt onbevoegd is om daaraan gevolg te geven, zal zij dit verzoek ambtshalve overdragen aan de bevoegde autoriteit van haar land en zal zij de verzoekende Partij daarvan in kennis stellen.

Artikel

41

Elke weigering van rechtshulp zal met redenen worden omkleed.

§ 7

Aangifte tot het uitlokken van een strafvervolging

Artikel

42

§ 8

Uitwisseling van mededelingen omtrent veroordelingen

Artikel

43

Elk der Partijen geeft aan de betrokken Partij kennis van strafvonnissen en voor zoveel mogelijk ook van naderhand met betrekking tot die vonnissen genomen maatregelen, die betrekking hebben op onderdanen van die Partij en in het strafregister zijn vermeld. De Ministers van Justitie zullen deze mededelingen ten minste eenmaal per jaar uitwisselen.

HOOFDSTUK

III

Algemene bepalingen

Artikel

44

Voor zover in dit verdrag niet anders is bepaald, is op de uitleveringsprocedure en op die betreffende de voorlopige aanhouding en de uitvoering van verzoeken om rechtshulp, uitsluitend de wet van de aangezochte Partij van toepassing.

Artikel

45

De over te leggen stukken zullen zijn gesteld hetzij in de taal of de talen van de verzoekende Partij, hetzij in die van de aangezochte Partij.

Artikel

46

De Partijen doen over en weer afstand van iedere aanspraak op terugbetaling van de kostten welke uit de toepassing van dit verdrag voortvloeien.

Artikel

47

Voor de toepassing van dit verdrag betekent de uitdrukking „maatregelen" alle maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen en die bij vonnis van de strafrechter worden opgelegd naast of in plaats van een straf.

Artikel

48

Artikel

49

Artikel

50

Voor zover de betrokken Partijen niet anders verklaren vervallen de verdragen en overeenkomsten betreffende de uitlevering, welke tussen bedoelde Partijen van kracht zijn, bij de inwerkingtreding van dit verdrag.

TEN BLIJKE WAARVAN de daartoe Gevolmachtigden deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN in drievoud te Brussel op 27 juni 1962 in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Protocol betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor ambtenaren die optreden op het grondgebied van een andere Partij

Op het tijdstip van de ondertekening van het Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden zijn de ondergetekende Gevolmachtigden het volgende overeengekomen:

Artikel

1

Wanneer ambtenaren van een Verdragsluitende Partij, die bevoegd zijn tot het opsporen en constateren van strafbare feiten, onder de omstandigheden voorzien door het onderhavige verdrag of door enige andere Beneluxovereenkomst, optreden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, zijn die ambtenaren overeenkomstig de wetgeving van laatstbedoelde Partij aansprakelijk voor schade die zij aldaar veroorzaken.

Artikel

2

De autoriteiten van de Partij, waartoe die ambtenaren behoren, nemen op zich de schade, door hun ambtenaren op het grondgebied van een andere Partij veroorzaakt, te vergoeden op de wijze waarop de autoriteiten van laatstbedoelde Partij daartoe gehouden zouden zijn geweest, indien de schade door hun eigen ambtenaren zou zijn toegebracht.

Artikel

3

De Verdragsluitende Partijen erkennen de rechtsmacht van de rechter van het land waar de schade is veroorzaakt.

Artikel

4

De autoriteiten van de Partij, waartoe die ambtenaren behoren, zullen vrijwillig en zonder dat daartoe enige formaliteit vereist is, gevolg geven aan voor tenuitvoerlegging vatbare beslissingen, welke tegen hen overeenkomstig het in de artikelen 1, 2 en 3 bepaalde, zijn gewezen.

Artikel

5

Onder voorbehoud van de uitoefening van zijn rechten tegenover derden, ziet elk van de Verdragsluitende Staten er, in het geval bedoeld in artikel 1, van af het bedrag van de schade, welke hij heeft geleden, of van de schadeloosstellingen, welke hij aan zijn ambtenaren heeft betaald, op een andere Verdragsluitende Partij te verhalen.

GEDAAN in drievoud, te Brussel op 27 juni 1962 in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

I

Benelux-verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken

Algemeen

De uitlevering tussen de drie landen wordt thans beheerst door de volgende overeenkomsten: tussen België en het Groothertogdom Luxemburg door de overeenkomst van 23 oktober 1872, en de aanvullende verklaringen van 21 juni 1877, 25 april 1893, 16 november 1899 en 24 augustus 1926; tussen België en Nederland door de overeenkomst van 31 mei 1889 en de aanvullende overeenkomsten van 14 februari 1895 en 12 november 1927; tussen het Groothertogdom Luxemburg en Nederland door de overeenkomst van 10 maart 1893.

Deze overeenkomsten zijn alle opgezet volgens het klassieke systeem, waarbij een beperkt aantal ernstige misdrijven, waarvoor uitlevering wordt toegestaan, limitatief wordt opgesomd. De verzoeken tot uitlevering vinden plaats langs de diplomatieke weg. De rechtshulp in strafzaken vindt in deze overeenkomsten slechts in zeer beperkte mate regeling.

Het was duidelijk dat de bestaande overeenkomsten niet meer beantwoordden aan de eisen die de tussen de Beneluxlanden bestaande betrekkingen stelden. Dit tekort zou nog verergeren wanneer deze betrekkingen door het tot stand brengen van de Economische en de Douane Unie frequenter en meer intensief zouden worden. De keuze die de Benelux-studiecommissie tot eenmaking van het recht maakte door dit onderwerp als een van de eerste in behandeling te nemen was dan ook ten volle gerechtvaardigd. In oktober 1952 bood de commissie aan de drie Regeringen enkele ontwerpen voor een uitleveringsverdrag aan.

Nog vóór de commissie haar ontwerpen aan de Regeringen aanbood was de herziening van het uitleveringsrecht in het kader van de Raad van Europa aan de orde gesteld. Op 8 december 1951 aanvaardde de Raadgevende Vergadering een aanbeveling tot het opstellen van een Europees uitleveringsverdrag. In 1953 werd een werkgroep van deskundigen ingesteld, waarvan de werkzaamheden leidden tot het Europese uitleveringsverdrag van 13 december 1957.

Dit verdrag regelde niet de rechtshulp in strafzaken. Algemeen was men van oordeel dat dit onderwerp zozeer in belang was toegenomen dat er niet meer mee kon worden volstaan het in een enkele aan een uitleveringsovereenkomst toegevoegde bepaling te regelen, doch dat het aanbeveling verdiende dit onderwerp meer diepgaand te doen bestuderen en terzake een aparte overeenkomst op te stellen. Onmiddellijk na de beëindiging van de werkzaamheden aan het Europese uitleveringsverdrag werd met de voorbereiding van een Europees verdrag aangaande de rechtshulp in strafzaken begonnen en op 20 april 1959 kwam een overeenkomst terzake tot stand.

De ontwerpen van de Benelux-studiecommissie zijn voor de vertegenwoordigers van de Beneluxlanden die deel hebben genomen aan de voorbereiding van de Europese conventies een belangrijke steun en een bron van inspiratie geweest. De werkzaamheden van de Benelux-studiecommissie hebben ongetwijfeld een belangrijke bijdrage geleverd tot de totstandkoming van de Europese overeenkomsten.

Gezien de totstandkoming van de Europese overeenkomsten en het voornemen van de Beneluxlanden deze te bekrachtigen, is de vraag gerezen of er nog aanleiding bestond voor de Beneluxlanden onderling verdergaande voorzieningen te treffen.

De drie Regeringen hebben deze vraag bevestigend beantwoord. De betrekkingen tussen de Beneluxlanden onderling zijn nauwer dan die, welke in het algemeen tussen de landen aangesloten bij de Raad van Europa bestaan. Bovendien veronderstelt de ontwerp-overeenkomst betreffende de verschuiving van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied, een doelmatiger samenwerking op het gebied van de uitlevering en rechtshulp. De opheffing van de controle aan de binnengrenzen heeft immers tot gevolg, dat personen zich gemakkelijker aan opsporing, berechting en executie van een hen opgelegde straf kunnen onttrekken door in een der andere Beneluxlanden hun toevlucht te zoeken. Ook zal de aanhouding van door een der Beneluxlanden gezochte personen aan de buitengrens van een ander Beneluxland kunnen plaatsvinden.

Zowel uit een oogpunt van doelmatigheid van de bestrijding van de misdaad als uit een oogpunt van Europese solidariteit is het vereist bij deze samenwerking in Beneluxverband zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de regeling, welke multilateraal in Europees verband is getroffen.

Daarom hebben de drie Regeringen een verdrag ontworpen, hetwelk naar systematiek, vorm en woordkeuze de Europese overeenkomsten zoveel mogelijk volgt, doch dat op sommige punten een verdergaande bijstand voorziet.

Het eerste hoofdstuk van het onderhavige ontwerp heeft betrekking op de uitlevering, het tweede op de rechtshulp in strafzaken, terwijl het derde algemene bepalingen bevat.

In verband met de samenhang, welke tussen de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken bestaat, hebben de Regeringen het wenselijk geoordeeld deze twee onderwerpen in één verdrag te regelen.

Welke zijn nu de voornaamste kenmerken van de regeling welke het ontwerp aangaande de uitlevering bevat?

  • a)

    Evenals in de Europese uitleveringsovereenkomst wordt uitlevering mogelijk gemaakt door de feiten, die in het aanvragende en angezochte land strafbaar zijn en waarvan het maximum van de bedreigde straf een bepaalde hoogte overschrijdt. In de Europese overeenkomst is dit strafmaximum op ten minste één jaar gesteld; in het Beneluxverdrag zal uitlevering mogelijk zijn wanneer het maximum van de vrijheidsstraf ten minste zes maanden bedraagt. Indien de uitlevering wordt gevraagd wegens een feit, waarvoor reeds een veroordeling is uitgesproken, zal de uitlevering slechts worden toegestaan indien ter zake een vrijheidsstraf van ten minste drie maanden is opgelegd. In de Europese overeenkomst bedraagt deze termijn vier maanden.

    In tegenstelling tot de in de Europese overeenkomst getroffen regeling zal de uitlevering ook betrekking kunnen hebben op feiten voorzien in de militaire strafwetgeving. Op fiscaal gebied zal slechts uitgeleverd kunnen worden voor zover de Regeringen dit, hetzij met betrekking tot bepaalde delicten, hetzij met betrekking tot categorieën delicten, nader overeen zullen komen. Ten aanzien van politieke misdrijven zal uitlevering in het onderhavige verdrag, evenals in de Europese overeenkomst, zijn uitgesloten.

    Ook voor feiten, die in het aangezochte land zijn begaan, wordt uitlevering mogelijk gemaakt. Onder bepaalde omstandigheden zal afwijking van het specialiteitsbeginsel geoorloofd zijn. De uitlevering van eigen onderdanen blijft uitgesloten.

  • b)

    Het verzoek tot uitlevering zal niet meer plaatsvinden langs de diplomatieke weg, maar van Minister van Justitie tot Minister van Justitie worden gericht.

  • c)

    De justitiële autoriteit, die een verzoek tot voorlopige aanhouding richt tot de justitiële autoriteit van een ander land, kan daarbij verzoeken de aan te houden persoon onmiddellijk aan haar over te geven. Indien zowel het Openbaar Ministerie van het aangezochte land als de aangehouden persoon daarmede instemt kan laatstgenoemde zonder verdere formaliteiten naar het aanvragende land worden overgebracht.

De voornaamste kenmerken van de regeling aangaande de rechtshulp in strafzaken kunnen als volgt worden samengevat:

  • a)

    de partijen verplichten zich elkaar op strafrechtelijk gebied onderling in de meest ruime zin bijstand te verlenen. Deze bijstand kan onder meer betrekking hebben op het horen van getuigen en deskundigen, het doen betekenen van stukken en het verstrekken van inlichtingen. De bijstand zal ook verleend worden indien het strafzaken betreft tegen onderdanen van de aangezochte Staat en indien het feiten betreft, die in de aangezochte Staat niet strafbaar zijn;

  • b)

    verzoeken tot het verlenen van rechtshulp zullen in het algemeen rechtstreeks door de justitiële autoriteiten tot elkaar worden gericht;

  • c)

    de justitiële autoriteiten zullen in bepaalde gevallen ambtenaren kunnen afvaardigen om het opsporingsonderzoek op het grondgebied van een ander land bij te wonen;

  • d)

    de ambtenaren van een land zullen, wanneer zij een persoon die verdacht wordt van een feit, waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, achtervolgen, de achtervolging op het grondgebied van een ander Beneluxland mogen voortzetten en aan de ambtenaren van dat andere land kunnen verzoeken de betrokkene te arresteren. Indien een beroep op de ambtenaren van dat land niet mogelijk is, zullen zij de achtervolgde in de grensstrook zelf mogen aanhouden en hem naar de bevoegde autoriteit van het land, waar de aanhouding plaatsvond, mogen geleiden;

  • e)

    de ambtenaren, die zich in verband met het onder c) en d) gestelde in een ander land bevinden, zullen met betrekking tot tegen of door hen gepleegde strafbare feiten gelijkgesteld zijn met de ambtenaren van het land waar zij zich bevinden;

  • f)

    personen, die als getuigen in een ander Beneluxland zijn gedagvaard, zullen verplicht zijn aldaar te verschijnen. Indien zij in gebreke blijven aan hun verplichtingen te voldoen zullen zij in het aangezochte land strafbaar zijn als waren zij in gebreke gebleven in dat land aan een verplichting als getuige te voldoen.

Het verdrag zal in beginsel slechts gelden voor het Europese grondgebied van de Beneluxlanden. Desgewenst zal het ook tot andere delen van het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden kunnen worden uitgebreid. In dat geval zal van sommige bepalingen van het verdrag kunnen worden afgeweken.

Toelichting op de artikelen

De Regeringen hebben getracht in beginsel aansluiting te zoeken bij de Europese overeenkomsten aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken. De hierna volgende artikelsgewijze toelichting beperkt zich dan ook in het algemeen tot de bepalingen waarin tussen de Beneluxlanden een verdergaande samenwerking wordt voorzien.

Artikel

2

Tussen de Beneluxlanden zal uitlevering plaatsvinden voor feiten waartegen een vrijheidsstraf van ten minste zes maanden dan wel een zwaardere straf wordt bedreigd. Wanneer reeds een straf of maatregel is opgelegd kan de uitlevering slechts worden toegestaan indien de duur van die straf of maatregel ten minste drie maanden bedraagt. Wat onder een maatregel moet worden verstaan is in artikel 47 nader omschreven.

Het tweede lid opent de mogelijkheid om de uitlevering ook toe te staan met betrekking tot delicten, die niet voldoen aan de eis aangaande de hoogte van de daartegen bedreigde of uitgesproken straf, mits een van de feiten waarvoor de uitlevering wordt toegestaan wel aan die eis voldoet. Hierdoor wordt de rechter van het aanvragende land in de gelegenheid gesteld te gelegener tijd over al de feiten, waarvan de uitgeleverde wordt beschuldigd, te oordelen en heeft deze het voordeel dat al deze feiten in één vonnis kunnen worden afgedaan.

Artikel

3

Evenals in de Europese overeenkomst, zal uitlevering wegens politieke misdrijven uitgesloten zijn. De militaire desertie zal nimmer als politiek delict worden beschouwd. Met betrekking tot andere feiten voorzien in de militaire strafwetgeving zal naar omstandigheden moeten worden beoordeeld of deze in het concrete geval al dan niet een politiek karakter dragen.

In het onderhavige verdrag is niet overgenomen de bepaling uit de Europese overeenkomst, die de mogelijkheid opent uitlevering te weigeren, indien de aangezochte partij ernstige reden heeft om te veronderstellen dat een persoon vanwege zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging vervolgd of ernstiger gestraft zou worden. In Beneluxverband bestaat voor het treffen van een dergelijke voorziening geen aanleiding.

Het derde lid stelt buiten twijfel dat het onderhavige artikel geen inbreuk maakt op internationale multilaterale overeenkomsten, welke bepalingen bevatten aangaande de uitlevering ter zake van feiten die eventueel als politiek misdrijf zouden kunnen worden beschouwd. Gedacht kan onder meer worden aan de Genocideconventie en de Geneefse Rode Kruis-conventies.

Artikel

4

Krachtens dit artikel kunnen de daarin vermelde feiten hetzij per afzonderlijk delict, hetzij per categorie van delicten door middel van een aanvullende overeenkomst tussen de Regeringen onder de werking van het verdrag worden gebracht. De wenselijkheid dergelijke overeenkomsten te sluiten zal zich vooral voordoen wanneer de wetgevingen van de drie landen op een bepaald terrein voldoende aan elkaar zijn aangepast.

Artikel

5

Aangezien de Beneluxlanden niet voornemens zijn hun onderdanen uit te leveren, sluit het onderhavige artikel dit uitdrukkelijk uit.

Artikel 42 bevat een aanknopingspunt voor het doen instellen van een strafvervolging tegen de onderdaan die door het land waartoe hij behoort niet kan worden uitgeleverd.

Artikel

6

Krachtens dit artikel kan ook uitlevering worden toegestaan voor feiten, die op het grondgebied van het aangezochte land of op daarmede gelijkgestelde plaatsen, zoals schepen en vliegtuigen, die de vlag van dat land voeren, zijn gepleegd. Het aangezochte land behoudt echter de mogelijkheid in dergelijke gevallen de uitlevering te weigeren.

Artikel

9

De strekking van deze bepaling komt overeen met die van artikel 10 van de Europese overeenkomst. Gezien de tussen de Beneluxlanden bestaande verhoudingen lijkt het overbodig uitdrukkelijk te vermelden, dat de uitlevering niet zal worden toegestaan, indien de verjaring volgens het recht van het aanvragende land heeft plaatsgehad. Het spreekt immers vanzelf, dat dat land in een dergelijk geval geen verzoek om uitlevering zal indienen.

Artikel

10

Dit artikel is zakelijk gelijk aan de inhoud van artikel 11 van de Europese overeenkomst. De redactie is echter iets meer aangepast aan de staatsrechtelijke verhoudingen in de Beneluxlanden.

Artikel

11

De uitleveringsverzoeken tussen de Beneluxlanden zullen niet via de diplomatieke weg worden gedaan, doch zullen door de Minister van Justitie van het aanvragende land tot de Minister van Justitie van het aangezochte land worden gericht.

Artikel

12

De in dit artikel bedoelde aanvullende inlichtingen kunnen zowel betrekking hebben op de feiten zelve, waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, als op het toepasselijke recht. Deze aanvullende inlichtingen zullen rechtstreeks door de justitiële autoriteiten van het aangezochte land aan de justitiële autoriteiten van het aanvragende land kunnen worden gevraagd.

Artikel

13

Van het beginsel dat een persoon in het aanvragende land slechts kan worden lastig gevallen voor een feit waarvoor zijn uitlevering is verkregen, het zgn. specialiteitsbeginsel, kan op grond van het onderhavige artikel in drie gevallen worden afgeweken:

  • a)

    indien het land dat de uitlevering toestond ermee instemt;

  • b)

    indien de uitgeleverde het aanvragende land niet binnen vijftien dagen na zijn definitieve vrijlating heeft verlaten;

  • c)

    indien de uitgeleverde, hetzij voor een rechterlijke autoriteit van het aangezochte land, hetzij voor een rechterlijke autoriteit van het aanvragende land uitdrukkelijk van het specialiteitsbeginsel afstand doet.

De onder c) omschreven afwijking van het specialiteitsbeginsel komt niet voor in de Europese overeenkomst.

Het tweede lid van het onderhavige artikel bepaalt dat het aanvragende land bevoegd is de nodige maatregelen te nemen om de uitgeleverde na zijn vrijlating van zijn grondgebied te verwijderen. Het spreekt vanzelf dat die maatregelen eventueel met vrijheidsbeneming gepaard kunnen gaan.

Het specialiteitsbeginsel verzet er zich op grond van het bepaalde in het derde lid niet tegen dat de kwalificatie, welke bij het verzoek om uitlevering aan een feit werd gegeven, tijdens de berechting verandering ondergaat, mits het feit ook onder deze nieuwe kwalificatie tot de feiten waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, blijft behoren.

Artikel

14

Een persoon, die op grond van het onderhavige verdrag is uitgeleverd, zal slechts met toestemming van het aangezochte land verder mogen worden geleverd aan een Staat, die geen partij is bij het onderhavige verdrag, voor feiten die hij vóór zijn eerste uitlevering heeft bedreven. Deze toestemming is niet vereist in de in het vorige artikel onder b) en c) bedoelde gevallen. Ook is de toestemming niet vereist voor verderlevering aan een ander Beneluxland.

Artikel

15

Op grond van dit artikel kunnen rechterlijke autoriteiten van een land aan de rechterlijke autoriteiten van een ander land met het oog op een uitlevering de voorlopige aanhouding van een persoon verzoeken. Het verzoek kan slechts worden gedaan met betrekking tot een feit, waarvoor uitlevering mogelijk is. De autoriteiten van het aanvragende land zullen krachtens hun nationale wetgeving bevoegd moeten zijn de aanhouding te gelasten.

De verzoeken zullen door rechterlijke autoriteiten van de aanvragende staat hetzij rechtstreeks, hetzij via Interpol tot de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Staat worden gericht.

Indien de autoriteiten van de aangezochte Staat van oordeel zijn dat het verzoek bevoegdelijk door een bevoegde autoriteit van de aanvragende Staat is gedaan, zullen zij op dat verzoek overeenkomstig hun eigen wetgeving beslissen.

Een voorlopige aanhouding zal in ieder geval een eind nemen indien niet binnen een termijn van achttien dagen een verzoek om uitlevering met de daarbij behorende stukken is ontvangen.

Artikel

16

Dit artikel heeft zowel betrekking op het geval dat de uitlevering gelijktijdig door twee Beneluxlanden wordt gevraagd als op het geval dat de uitlevering zowel door een of meer Beneluxlanden als door andere Staten is verzocht.

Artikel

18

Het eerste lid van dit artikel geeft aan het gezochte land de bevoegdheid de overgave van een persoon, wiens uitlevering het heeft toegestaan, uit te stellen totdat de betrokkene, in verband met andere feiten, is berecht en een eventuele straf heeft ondergaan.

Het tweede lid voorziet de mogelijkheid, een persoon, die een vrijheidsstraf ondergaat, tijdelijk ter beschikking te stellen van de aanvragende partij om zijn berechting mogelijk te maken. De betrokkene blijft in dat geval op het grondgebied van de aanvragende partij gedetineerd. De duur van deze detentie zal op grond van het derde lid in mindering komen van de straf, die hij in de aangezochte Staat ondergaat.

Artikel

19

Het onderhavige artikel opent de mogelijkheid tot een verkorte uitleveringsprocedure, die niet voorzien is in de Europese overeenkomst. Deze procedure zal kunnen worden gevolgd wanneer het aanvragende land dit verzoekt en zowel de persoon wiens uitlevering wordt gevraagd als het openbaar ministerie van het aangezochte land daarmede instemmen. De betrokkene zal zijn instemming uitdrukkelijk aan de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie van het aangezochte land moeten kenbaar maken. Tot het moment van zijn overgave zal de betrokkene zijn toestemming kunnen intrekken.

Het verzoek tot de onmiddellijke overgave in dit artikel bedoeld, wordt door de rechterlijke autoriteiten van het aanvragende land rechtstreeks gericht tot de rechterlijke autoriteiten van het aangezochte land.

De instemming van de betrokkene met uitlevering op grond van dit artikel sluit in, dat hij afstand doet van zijn rechten, ontleend aan het specialiteitsbeginsel.

Artikel

20

De Verdragsluitende Partijen zullen gehouden zijn binnen de door hun wetgeving toegestane grenzen overtuigingsstukken en voorwerpen, die van het strafbare feit afkomstig zijn, in beslag te nemen en deze, voor zover de bevoegde rechter van de aangezochte partij dit toestaat, aan het aanvragende land over te geven.

Overeenkomstig de voorschriften opgenomen in de Belgische en Luxemburgse wetgeving zal de overgave van in beslag genomen voorwerpen slechts plaats kunnen vinden nadat de rechter van het aangezochte land daartoe toestemming heeft verleend.

De overgave zal zelfs kunnen plaatsvinden in geval een reeds toegestane uitlevering niet kan worden geëffectueerd door de dood of de ontvluchting van de betrokkene.

Artikel

21

De doorvoer van een uitgeleverde door een der Beneluxlanden zal op verzoek van de Minister van Justitie van het betrokken land gericht tot de Minister van Justitie van het land van doorvoer worden toegestaan, tenzij de uitlevering plaatsvindt voor een politiek delict of de uitgeleverde de nationaliteit van het land van doorvoer bezit. Bij het verzoek om doorvoer zullen de stukken, bedoeld in punt a. van het tweede lid van artikel 11, moeten worden overgelegd.

Het onderhavige artikel is zowel van toepassing op doorvoer vanuit een Beneluxland naar een ander Beneluxland als op doorvoer vanuit een Beneluxland naar een andere Staat of vanuit een andere Staat naar een Beneluxland.

Het derde lid voorziet in een eenvoudiger regeling in geval de doorvoer per vliegtuig plaatsvindt.

Artikel

22

De inhoud van dit artikel komt in grote trekken overeen met de inhoud van de artikelen 1 en 2 van de Europese overeenkomst aangaande de rechtshulp in strafzaken. De bepaling is echter in zoverre ruimer, dat daarin geen beperkingen m.b.t. militaire en fiscale zaken zijn opgenomen.

De rechtshulp zal ook worden verleend, indien het betreft strafzaken tegen eigen onderdanen en strafzaken, die betrekking hebben op feiten welke in het aangezochte land niet strafbaar zijn gesteld.

Het artikel moet in ruime zin worden uitgelegd. Het heeft niet alleen betrekking op de rechtshulp, die in dit hoofdstuk uitdrukkelijk wordt vermeld, doch ook op bijv. rechtshulp bij een procedure tot gratie of revisie.

De rechtshulp kan worden geweigerd in geval van politieke misdrijven en in andere gevallen waar de veiligheid, de openbare orde of andere wezenlijke belangen van de aangezochte Staat zouden worden aangetast; tevens kan de rechtshulp worden geweigerd wanneer de betrokkene terzake van het feit waarvoor de rechtshulp wordt gevraagd reeds wordt vervolgd of is berecht.

Artikel

23

Onder „rogatoire commissie" in de zin van dit artikel moet worden verstaan een mandaat dat door een rechterlijke autoriteit van het ene land aan een rechterlijke autoriteit van het andere land wordt gegeven, ten einde in haar plaats een of meer in dat mandaat aangegeven handelingen te verrichten. De term „handelingen van onderzoek" omvat onder andere het horen van getuigen, deskundigen en verdachten, een onderzoek ter plaatse, huiszoekingen en inbeslagnemingen. Onder „strafzaak" zal moeten worden verstaan elke zaak met betrekking tot welke op grond van artikel 22 rechtshulp kan worden verleend.

Artikel

24

Dit artikel stelt de rogatoire commissie uitgaande van de rechterlijke autoriteiten van een van de Partijen, voor wat betreft hun uitvoering, gelijk met die uitgaande van een nationale rechter.

Deze gelijkstelling brengt mede dat wordt afgeweken van artikel 11 van de Belgische wet van 25 maart 1874 aangaande uitlevering in die zin dat de voorafgaande toestemming van de Raadkamer niet vereist is om over te gaan tot inbeslagneming of huiszoeking.

De rogatoire commissies, welke strekken tot een inbeslagneming of een huiszoeking, zullen echter slechts worden uitgevoerd indien zij betrekking hebben op feiten, welke op grond van het onderhavige verdrag op zichzelf tot uitlevering aanleiding kunnen geven. In beslag genomen voorwerpen kunnen slechts met toestemming van de bevoegde rechter van het aangezochte land aan het aanvragende land worden overgedragen. Het tweede lid van artikel 20 is terzake toepasselijk.

Aan de aanvragende Staat overgedragen voorwerpen zullen op grond van artikel 29 moeten worden teruggezonden, tenzij de aangezochte Staat daarvan afstand doet.

Artikel

26

Indien op het grondgebied van een Beneluxland op verzoek en ten behoeve van de justitiële autoriteiten van een ander Beneluxland een strafrechterlijk onderzoek wordt ingesteld, zullen de justitiële autoriteiten van het aanvragende land bevoegd zijn een of meer ambtenaren af te vaardigen, ten einde aan dit onderzoek mede te werken. Deze ambtenaren zullen bij dit onderzoek een adviserende rol hebben. Het onderzoek zal worden uitgevoerd door de autoriteiten van het aangezochte land.

Soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in artikel 4 van het Benelux-verdrag nopens de samenwerking op het stuk van douanen en van accijnzen en in artikel 13 van het ontwerp-verdrag betreffende de samenwerking inzake regeling van in-, uit- en doorvoer.

Artikel

27

De ambtenaren van een land, die in hun eigen land een persoon volgen, die verdacht wordt van een feit, waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, zijn bevoegd deze achtervolging op het grondgebied van een ander Beneluxland voort te zetten. Zij moeten zich dan zo spoedig mogelijk in verbinding stellen met de bevoegde ambtenaren van het land, dat zij hebben betreden. Deze laatsten zullen de achtervolgde persoon staande houden om zijn identiteit vast te stellen en hem eventueel arresteren. Indien blijkt dat degene die staande is gehouden geen onderdaan is van het land waar hij zich bevindt, zullen de justitiële autoriteiten van het land waartoe de achtervolgende ambtenaar behoort een verzoek tot voorlopige aanhouding, als bedoeld in artikel 15, kunnen doen. Ook zullen zij alsdan om toepassing van de verkorte uitleveringsprocedure, bedoeld in artikel 19, kunnen verzoeken.

Indien de achtervolging ononderbroken is en het voor de achtervolgende ambtenaar niet mogelijk is een beroep te doen op de ambtenaren van het land dat zij hebben betreden, kunnen zij de achtervolgde in een strook van 10 km langs de grens zelf staande houden. In dat geval moeten zij de achtervolgde persoon overgeven aan de openbare macht van het land waar zij zich bevinden en wordt verder gehandeld als in het eerste lid van het onderhavige artikel is vermeld.

De bepalingen vervat in artikel 26 zijn met betrekking tot de achtervolgende ambtenaren van toepassing, zelfs indien zij niet in het bezit zijn van een rogatoire commissie als bedoeld in dat artikel.

Het vierde lid van het artikel geeft aan welke de bevoegde ambtenaren zijn.

Overeenkomstige bepalingen komen voor in de twee bij de toelichting op artikel 26 vermelde Benelux-overeenkomsten.

Artikel

28

Indien ambtenaren, bedoeld in de artikelen 26 en 27, optreden op het grondgebied van een ander land, zijn zij krachtens dit artikel voor wat betreft strafbare feiten die tegen hen of door hen worden bedreven, gelijkgesteld met de ambtenaren van het land waar zij zich bevinden. Zij genieten derhalve op het grondgebied van dat andere land bij de uitoefening van hun functie dezelfde bescherming als de ambtenaren van dat land genieten. Voor strafbare feiten door hen op het grondgebied van een ander land bedreven, kunnen zij door dat land berecht worden alsof die feiten door zijn eigen ambtenaren waren begaan. Tijdens hun optreden in een ander land moeten de ambtenaren zich gedragen overeenkomstig de in dat land geldende voorschriften. De toepasselijkheid van het strafrecht van dat land sluit ook de toepasselijkheid in van de bepalingen, welke in die strafwetgeving voorkomen met betrekking tot de noodweer.

Overeenkomstige bepalingen komen voor in de twee eerder vermelde Benelux-overeenkomsten.

Artikel 28 van het onderhavige verdrag regelt niet de civielrechterlijke aansprakelijkheid voor tegen of door deze ambtenaren gepleegde handelingen. Dienaangaande is door de drie Regeringen een aanvullend protocol ontworpen.

Artikel

30

Gerechtelijke stukken bestemd voor een persoon die in een ander land verblijft, kunnen door de autoriteiten of deurwaarders van wie zij uitgaan rechtstreeks per aangetekend schrijven aan de betrokkene worden toegezonden. Ook kunnen deze autoriteiten en deurwaarders voor de toezending de tussenkomst inroepen van het openbaar ministerie van het land waar de geadresseerde verblijf houdt. Indien de bemiddeling van dat openbaar ministerie wordt ingeroepen kan dit het stuk aan de geadresseerde toezenden ofwel, wanneer dit uitdrukkelijk wordt gevraagd, het doen betekenen op dezelfde wijze als voor betekening van overeenkomstige gerechtelijke stukken in zijn land is voorgeschreven. Het aangezochte openbaar ministerie licht de verzoeker in aangaande het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven.

Artikel

31

Indien een rechterlijke autoriteit de persoonlijke verschijning van een getuige of deskundige, die zich op het grondgebied van een ander land bevindt, noodzakelijk oordeelt, kan zij deze door tussenkomst van het openbaar ministerie van het land waar de betrokkene verblijf houdt, doen dagvaarden. Een aldus gedagvaarde getuige is verplicht aan deze oproeping gevolg te geven. Artikel 34 stelt een sanctie op het niet-voldoen aan deze verplichting. Die verplichting bestaat slechts, indien de rechterlijke autoriteit de persoonlijke verschijning noodzakelijk heeft geoordeeld en in verband daarmede een dagvaarding via het intermediair van het openbaar ministerie van het land waar de getuige verblijft, heeft doen uitbrengen. Dagvaardingen, die bijv. op verzoek van de verdachte zijn uitgebracht en waarbij de rechterlijke autoriteit de persoonlijke verschijning niet noodzakelijk heeft geoordeeld, brengen geen verplichting tot verschijning mede en kunnen derhalve ook geen aanleiding geven tot toepassing van artikel 34, indien de getuige aan de oproeping geen gevolg geeft.

Artikel

33

Artikel 18, lid 2 bevat een bepaling, die het mogelijk maakt een persoon, die op het grondgebied van een der landen vrijheidsstraf ondergaat, tijdelijk ter beschikking te stellen van de rechterlijke autoriteiten van een ander land, ten einde zijn berechting mogelijk te maken. Het onderhavige artikel bevat een overeenkomstige bepaling ten einde zijn verhoor als getuige of een confrontatie in een ander land mogelijk te maken.

Artikel

34

Op degene, die wanneer hij overeenkomstig artikel 31 is gedagvaard om als getuige te verschijnen, niet aan die dagvaarding voldoet, zullen dezelfde strafbepalingen van toepassing zijn als had hij geweigerd te voldoen aan een dagvaarding om als getuige voor de rechter van zijn eigen land te verschijnen.

Artikel

35

Het eerste lid verschaft aan getuigen en deskundigen, die gevolg geven aan een dagvaarding om als zodanig te verschijnen immuniteit. Deze bepaling is niet slechts toepasselijk op personen, die overeenkomstig artikel 31 zijn gedagvaard, maar ook op hen aan wie rechtstreeks een dagvaarding is toegezonden. De immuniteit heeft geen betrekking op feiten, die zij na hun vertrek uit het land waar zij verblijf houden, bedrijven. Voor die feiten kunnen zij wel worden vervolgd en eventueel in hechtenis worden genomen. Met name kan dit het geval zijn, wanneer zij valse verklaringen zouden afleggen.

Het tweede lid geeft aan een persoon, die vrijwillig aan een dagvaarding om als verdachte te verschijnen voldoet, immuniteit voor die feiten, die niet in de dagvaarding zijn vermeld en die hij voor zijn vertrek uit het land waar hij verblijft zou hebben gepleegd.

Artikel

36

Het eerste lid heeft betrekking op uittreksels uit het strafregister en op inlichtingen die op dat strafregister betrekking hebben, welke door rechterlijke autoriteiten van een ander land ten behoeve van strafzaken worden gevraagd. Die rechterlijke autoriteiten kunnen deze op dezelfde wijze verkrijgen als de rechterlijke autoriteiten van het aangezochte land.

Het tweede lid heeft betrekking op verzoeken om inlichtingen betreffende het strafregister, die hetzij door rechterlijke autoriteiten voor andere dan strafrechterlijke doeleinden, hetzij door administratieve autoriteiten worden gedaan. Voor deze verzoeken kan elk land volgens zijn eigen regeling of zijn eigen praktijk bepalen in hoeverre het daaraan gevolg zal geven.

Artikel

38

In beginsel zullen verzoeken om rechtshulp door de betrokken rechterlijke autoriteiten rechtstreeks tot elkaar worden gericht. Verzoeken om inlichtingen uit het strafregister ten behoeve van strafzaken kunnen rechtstreeks aan de betrokken dienst worden gevraagd. Alleen verzoeken om inlichtingen uit het strafregister ten behoeve van niet-strafrechterlijke doeleinden en verzoeken om tijdelijke terbeschikkingstelling van gedetineerden moeten van Minister van Justitie tot Minister van Justitie worden gericht.

Artikel

42

Indien de rechterlijke autoriteiten van een land van oordeel zijn dat een zaak slechts berecht kan worden door de rechter van een ander land of dat berechting door de rechter van het andere land meer aangewezen is bijvoorbeeld door de aard van de zaak of de persoonlijkheid van de dader, kunnen zij door tussenkomst van de betrokken Ministers van Justitie een daartoe strekkend verzoek richten tot de rechterlijke autoriteiten van dat andere land, onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het aangezochte land zal het aanvragende land laten weten welk gevolg aan een dergelijk verzoek is gegeven.

Door rechterlijke autoriteiten of politieambtenaren van het aanvragende land gestelde handelingen, hebben met betrekking tot de schorsing van de verjaring in het aangezochte land, dezelfde werking als waren zij door rechterlijke autoriteiten of opsporingsambtenaren van het aangezochte land verricht.

II

Protocol betreffende de burgerrechterlijke aansprakelijkheid voor ambtenaren die optreden op het grondgebied van een andere Partij

De artikelen 26 en 27 van het verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken scheppen de mogelijkheid dat ambtenaren, belast met het opsporen en constateren van strafbare feiten, optreden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waartoe zij behoren. Ook het Beneluxverdrag nopens de samenwerking op het stuk van douanen en van accijnzen (artikel 4) en het ontwerp-verdrag over de samenwerking inzake de regeling van de in-, uit- en doorvoer (artikel 13) bevatten soortgelijke bepalingen.

Het toenemende aantal gevallen, waarin die ambtenaren buiten hun eigen grondgebied kunnen optreden, maakt het gewenst een regeling te treffen aangaande de burgerrechterlijke aansprakelijkheid ten aanzien van schade, die zij bij een dergelijk optreden zouden kunnen veroorzaken. Bij gebreke van een dergelijke regeling zouden omtrent deze kwestie immers in de praktijk moeilijkheden kunnen rijzen.

Een afzonderlijk Protocol, dat niet alleen betrekking heeft op gevallen die zich kunnen voordoen bij de toepassing van het onderhavige verdrag, maar ook op die welke kunnen voortvloeien uit de beide eerdervermelde Beneluxverdragen en soortgelijke verdragen die eventueel in de toekomst tot stand zullen komen, lijkt tot regeling van deze materie het meest aangewezen.

Uitgangspunt voor het onderhavige Protocol is geweest dat een persoon aan wie in zijn eigen land door een opsporingsambtenaar van een ander land schade is toegebracht, dezelfde rechten en dezelfde mogelijkheden tot verhaal moet bezitten als wanneer die schade hem zou zijn toegebracht door een ambtenaar van zijn eigen land. De uitbreiding van de bevoegdheden van de ambtenaren mag niet leiden tot een vermindering van de bescherming van de benadeelden.

In verband daarmede assimileert het Protocol buitenlandse ambtenaren aan nationale ambtenaren met betrekking tot hun eigen burgerrechtelijke aansprakelijkheid, en met betrekking tot die van de autoriteiten van de partij waartoe zij behoren - assimilatie die voor wat betreft het strafrecht reeds in artikel 28 van het verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken is opgenomen.

Ingevolge artikel 1 van het Protocol zullen ambtenaren, die zich, in verband met een optreden voorzien in enige Beneluxovereenkomst, op het gebied van een ander Beneluxland bevinden volgens de wetgeving van dat land aansprakelijk zijn voor schade die zij aldaar veroorzaken. Dit brengt mede dat de persoonlijke aansprakelijkheid van die ambtenaren dezelfde is als die van de ambtenaren van het land waar de schade werd toegebracht.

De autoriteiten van de Partij waartoe die ambtenaren behoren zullen op grond van artikel 2 op dezelfde wijze en in dezelfde mate aansprakelijk zijn als de autoriteiten van de Partij op wier grondgebied de schade werd toegebracht dit zouden zijn, indien de schade onder soortgelijke omstandigheden door hun eigen ambtenaren was veroorzaakt.

Op grond van artikel 3 erkennen de Verdragsluitende Partijen de rechtsmacht van de rechter van het land waar de schade werd toegebracht. Dit houdt in dat zowel de ambtenaar, die de schade veroorzaakte, als de autoriteiten van de Partij, waartoe hij behoort, voor de rechter van dat land gedagvaard zullen kunnen worden en dat de Partijen ervan afzien een beroep te doen op immuniteit van rechtsmacht.

In geval van veroordeling tot schadevergoeding, zullen de autoriteiten daaraan ingevolge het bepaalde in artikel 4 vrijwillig gevolg geven. Enig exequatur zal niet zijn vereist. Uiteraard zullen de autoriteiten eerst verplicht zijn aan een rechterlijke beslissing gevolg te geven, wanneer deze vatbaar is geworden voor tenuitvoerlegging, en staat het hun vrij daartegen de rechtsmiddelen aan te wenden, die in de wetgeving van de Staat waar de schade werd toegebracht zijn voorzien.

Het is denkbaar dat een ambtenaar, die optreedt op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat, schade toebrengt aan ambtenaren van die Staat en dat die Staat de benadeelden schadeloos stelt. Ook is het mogelijk dat die ambtenaar zaken van die Staat beschadigt.

Verder kunnen ambtenaren, die op het grondgebied van een andere Staat optreden, of hun materieel, schade lijden door toedoen van ambtenaren die behoren tot de Partij op wier grondgebied zij zich bevinden.

In al deze gevallen is het niet uitgesloten dat de Staat die de schade heeft geleden, een vordering heeft op de autoriteiten van de Partij tot wie de ambtenaar die de schade toebracht behoort. Artikel 5 bepaalt nu dat de Staten wederkerig van dergelijke vorderingen afstand doen. Deze afstand heeft uitsluitend betrekking op de vorderingen tussen de Staten en strekt zich niet uit tot vorderingen van of tegen andere openbare lichamen.

Het onderhavige Protocol derogeert niet aan de regeling welke met betrekking tot burgerrechtelijke aansprakelijkheid zou voortvloeien uit een Beneluxverdrag betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. Voor zover een dergelijk verdrag een van dit Protocol afwijkende regeling zou bevatten, zal dat verdrag als speciale regeling voorrang hebben boven de regeling gesteld in dit Protocol.