Artikel
1
a
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
-
(i)
„een kernongeval": een schadebrengend feit of een opeenvolging van zulke feiten met dezelfde oorzaak, mits dat feit of die opeenvolging van feiten of enige daardoor veroorzaakte schade voortkomt uit of het gevolg is van radioactieve eigenschappen of een combinatie van radioactieve eigenschappen met giftige, explosieve of andere gevaarlijke eigenschappen van splijtstoffen of radioactieve produkten of afvalstoffen, dan wel voortkomt uit of het gevolg is van ioniserende straling afkomstig van enige andere stralingsbron die zich in een kerninstallatie bevindt;
-
(ii)
„kerninstallatie": reactoren met uitzondering van die, welke deel uitmaken van een vervoermiddel; fabrieken voor de vervaardiging of behandeling van nucleaire stoffen; fabrieken voor de scheiding van isotopen van splijtstoffen; fabrieken voor het opwerken van bestraalde splijtstoffen; inrichtingen voor de opslag van nucleaire stoffen met uitzondering van de opslag welke verband houdt met het vervoer van die stoffen; en andere door de Bestuurscommissie van het OESO-Agentschap voor Kernenergie (hierna te noemen de „Bestuurscommissie") aan te wijzen installaties waarin zich splijtstoffen of radioactieve produkten of afvalstoffen bevinden; iedere Verdragsluitende Partij kan besluiten dat als één enkele kerninstallatie zullen worden beschouwd twee of meer kerninstallaties die dezelfde exploitant hebben en die zich bevinden op hetzelfde terrein, alsmede iedere andere opstal op dat terrein waar zich radioactieve stoffen bevinden;
-
(iii)
„splijtstoffen": splijtbaar materiaal in de vorm van uraniummetaal en legeringen of chemische verbindingen daarvan (met inbegrip van natuurlijk uranium) en plutoniummetaal en legeringen of chemische verbindingen daarvan, zomede ander door de Bestuurscommissie aan te wijzen splijtbaar materiaal;
-
(iv)
„radioactieve produkten of afvalstoffen": alle radioactieve stoffen verkregen of radioactief geworden door blootstelling aan bestraling verband houdende metdeproduktie of het gebruik van splijtstoffen, met uitzondering van splijtstoffen en van zich buiten een kerninstallatie bevindende radioactieve isotopen die het laatste stadium van vervaardiging hebben bereikt en kunnen worden gebruikt voor industriële, commerciële, landbouwkundige, medische, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden;
-
(v)
„nucleaire stoffen": splijtstoffen (met uitzondering van natuurlijk uranium en verarmd uranium) en radioactieve produkten of afvalstoffen;
-
(vi)
„exploitant": de persoon die door het bevoegde gezag is aangewezen of erkend als exploitant van een kerninstallatie.