Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Bondsrepubliek Duitsland,

verlangende de toepassing van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 tussen de beide Staten te vergemakkelijken en de in dit Verdrag vervatte regeling van de uitlevering aan te vullen,

zijn het volgende overeengekomen:

Artikel

I

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder Verdrag: het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957.

Artikel

II

(bij artikel 2 van het Verdrag)

Artikel

III

Vervallen

Artikel

IV

(bij artikel 7, eerste lid en artikel 8 van het Verdrag)

Artikel

V

Vervallen

Artikel

VI

(bij artikel 12 van het Verdrag)

Onverminderd de mogelijkheid tot gebruik van diplomatieke weg wordt over en weer gecorrespondeerd

  • a)

    Vervallen.

  • b)

    aangaande doortocht tussen de Bondsminister van Justitie van de Bondsrepubliek Duitsland en de Nederlandse Minister van Justitie.

Artikel

VII

(bij artikel 14 van het Verdrag)

Artikel

VIII

(bij artikel 17 van het Verdrag)

Indien een van beide Partijen bij deze Overeenkomst en een derde Staat de andere Partij om uitlevering verzoeken en aan de inwilliging van een van deze verzoeken de voorkeur wordt gegeven, deelt de aangezochte Partij de verzoekende Staten tegelijk met de beslissing op het verzoek mede in hoeverre zij ermede instemt dat de Staat aan wie de opgeëiste persoon wordt uitgeleverd deze aan de andere verzoekende Staat verderlevert.

Artikel

IX

(bij artikel 19 van het Verdrag)

Artikel

X

(bij artikel 20 van het Verdrag)

Artikel

XI

(bij artikel 23 van het Verdrag)

Uitleveringsverzoeken en andere bescheiden worden in de taal van de verzoekende Staat gesteld.

Vertalingen kunnen niet worden geëist.

Artikel

XIV

(bij artikel 31 van het Verdrag)

De opzegging van het Verdrag door een van de Partijen bij deze Overeenkomst treedt tussen hen in werking na verloop van een termijn van twee jaar na de datum waarop de kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa is ontvangen.

Artikel

XII

(bij artikel 27 van het Verdrag)

Artikel

XIII

Artikel

XV

GEDAAN te Wittem de 30-VIII-1979 in twee exemplaren, ieder in de Nederlandse en de Duitse taal, waarbij beide teksten gelijkelijk verbindend zijn.