Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, geleid door de wens een verdrag te sluiten aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, zijn het volgende overeengekomen:

Artikel

1

Verplichting tot hulpverlening

Artikel

2

Opsporing van personen

De aangezochte Staat doet al het mogelijke om de verblijfplaats vast te stellen van personen, die in het verzoek zijn opgegeven en van wie wordt vermoed dat zij zich in de aangezochte Staat bevinden.

Artikel

3

Betekening van stukken

Artikel

4

Het verstrekken van documenten van overheidsinstanties of -instellingen

Artikel

5

Het horen van getuigen en de overlegging van stukken in de aangezochte Staat

Artikel

6

Uitvoering van verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming

Artikel

7

Overdracht van personen die zich in detentie bevinden naar de verzoekende Staat

Artikel

8

Overdracht van personen die zich in detentie bevinden naar de aangezochte Staat

Artikel

9

Vrijgeleide

Artikel

9bis

Identificatie van bankgegevens

Artikel

9ter

Gemeenschappelijke onderzoeksteams

Artikel

9 quater

Videoconferenties

Artikel

10

Beperkingen op de inwilliging

Artikel

11

Bescherming van vertrouwelijke gegevens

Artikel

11bis

Beperkingen van het gebruik ter bescherming van persoonsgegevens en andere gegevens

Artikel

12

Uitvoering van verzoeken

Artikel

13

Inhoud van de verzoeken

Artikel

14

Bevoegde autoriteiten

Artikel

15

Terugzending van ingewilligde verzoeken

Artikel

16

Terugzending van stukken, documenten of ander bewijsmateriaal

De verzoekende Staat zendt alle stukken, documenten of zaken, die tot bewijs dienen en die zijn verstrekt ter voldoening aan een verzoek, zo snel mogelijk terug, tenzij de aangezochte Staat afstand doet van die terugzending.

Artikel

17

Kosten en vertalingen

Artikel

18

Andere verdragen en interne wetten

Artikel

19

Opzegging

Elk van beide Verdragsluitende Partijen kan dit Verdrag te allen tijde beëindigen door daarvan aan de andere Partij kennis te geven, en de beëindiging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van die kennisgeving.

GEDAAN te 's-Gravenhage op 12 juni 1981 in twee exemplaren, in de Nederlandse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Bijlage

Verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming kunnen ingevolge het eerste lid van artikel 6 van het Verdrag worden uitgevoerd, indien zij betrekking hebben op strafbare feiten, omschreven in:

I

  • A.

    Voor het Koninkrijk der Nederlanden (Europa): Het Wetboek van strafrecht, de artikelen 194, 272, 328 bis, 328 ter en 336.

  • B.

    Indien de territoriale toepassing van dit Verdrag wordt uitgebreid overeenkomstig artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp als omschreven in de ingevolge daarvan uitgewisselde diplomatieke nota's.

II

Voor de Verenigde Staten van Amerika: Titel 26, Wetboeken van de Verenigde Staten (Wetboek inzake interne belastingen), § 7203.

Tekst van de desbetreffende wettelijke bepalingen: Nederlands Wetboek van Strafrecht

Artikel

194

Hij die, in staat van faillissement verklaard of als echtgenoot van een gefailleerde met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, of als bestuurder of commissaris van een naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, vereniging of stichting wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij weigert de vereiste inlichtingen te geven, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel

272

Artikel

328 bis

Hij die, om het handels- of bedrijfsdebiet van zichzelve of van een ander te vestigen, te behouden of uit te breiden, enige bedrieglijke handeling pleegt tot misleiding van het publiek of van een bepaald persoon, wordt, indien daaruit enig nadeel voor concurrenten van hem of van dien ander kan ontstaan, als schuldig aan oneerlijke mededinging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste achttienhonderd gulden.

Artikel

328 ter

Artikel

336

De koopman, de bestuurder, de beherende vennoot of commissaris van een vennootschap, vereniging of stichting, die opzettelijk een onware staat of een balans, winst- en verliesrekening, staat van baten en lasten of toelichting op een dier stukken openbaar maakt of zodanige openbaarmaking opzettelijk toelaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen

Artikel

200

Hij die, in staat van faillissement verklaard of als echtgenoot van een gefailleerde met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd of als bestuurder of commissaris ener in staat van faillissement verklaarde vennootschap, maatschappij, vereniging of stichting, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij weigert de vereiste inlichtingen te geven, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Artikel

285

Artikel

341a

Hij die, om het handels- of bedrijfsdebiet van zichzelve of van een ander te vestigen, te behouden of uit te breiden, enige bedrieglijke handeling pleegt tot misleiding van het publiek of van een bepaald persoon, wordt, indien daaruit enig nadeel voor concurrenten van hem of van dien ander kan ontstaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van ten hoogste negenhonderd gulden.

Artikel

349

De koopman, de bestuurder, de beherende vennoot of commissaris van een vennootschap, vereniging of stichting, die opzettelijk een onware staat of een balans, winst- en verliesrekening, staat van baten en lasten of toelichting op een dier stukken openbaar maakt of zodanige openbaarmaking opzettelijk toelaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Title 26. U.S.C.

  • §7203

    Hij die ingevolge deze titel verplicht is een al dan niet geschat bedrag aan belasting te betalen of ingevolge of krachtens deze titel verplicht is een aangifte (niet zijnde een aangifte ingevolge §6015) te doen, boekhouding bij te houden of informatie te verschaffen en opzettelijk in gebreke blijft op het daartoe bij of krachtens de wet aangegeven tijdstip dat al dan niet geschat bedrag aan belasting te betalen, die aangifte te doen, die boekhouding bij te houden of die informatie te verschaffen is, onverminderd andere bij de wet voorziene straffen, schuldig aan een overtreding en wordt in geval van veroordeling gestraft met een geldboete van ten hoogste 10 000 US dollar of gevangenisstraf van ten hoogste 1 jaar, of beide, en dient tevens de kosten van de vervolging te betalen.

Nr.

I

AMBASSADE VAN DE

VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA

's-GRAVENHAGE

12 juni 1981

No. 55

Excellentie,

Bij dezen heb ik de eer te verwijzen naar het heden ondertekende Verdrag tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken en in het bijzonder naar de artikelen 4,6,11 en 14 van dit Verdrag, en breng ik de interpretatie van de Verenigde Staten met betrekking tot deze artikelen tot uitdrukking.

Artikel

4

Het tweede lid van artikel 4 staat elk van beide Partijen toe aan de andere Partij documenten, die in het bezit zijn van de overheid en die niet voor een ieder toegankelijk zijn, alsmede daaraan ontleende gegevens, te verstrekken. Het staat elk van beide Partijen eveneens toe te weigeren deze documenten en gegevens te verstrekken, dan wel voorwaarden te verbinden aan de openbaarmaking ervan. De Partijen zijn voornemens deze documenten en gegevens te verschaffen, voor zover dit is toegestaan door hun interne recht, behalve wanneer openbaarmaking personen die medewerken aan een strafrechtelijk onderzoek zou schaden, bronnen van vrijwillig verleende informatie die van wezenlijk belang is voor overheidsactiviteiten in opspraak zou brengen of op andere wijze het functioneren van de overheid of de rechtspleging nadelig zou beïnvloeden.

De Partijen erkennen dat de openbaarmaking van fiscale documenten en gegevens ingevolge hun onderscheiden interne belastingwetten aan strikte beperkingen is onderworpen omdat een goede werking van die wetten afhangt van de medewerking van de belastingplichtigen. Derhalve worden fiscale documenten en gegevens in verband met strafrechtelijke onderzoeken en strafrechtelijke vervolgingen slechts verstrekt in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als deze zouden kunnen worden ingebracht in strafrechtelijke onderzoeken en strafrechtelijke vervolgingen in de aangezochte Staat.

Artikel

6

De Partijen zijn het erover eens dat artikel 6 een vergaande wederzijdse verplichting in het leven roept tot inwilliging van verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming. Aangezien dit soort rechtshulp dwangmaatregelen met zich meebrengt die in ernstige mate kunnen ingrijpen in het privé-leven en de privé-aangelegenheden van particulieren, komen de Partijen overeen dat verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming alleen zullen worden ingewilligd in gevallen waarin het strafbare handelen of nalaten strafbaar is gesteld krachtens de wetten van beide Staten, en aan het verzoek gevolg wordt gegeven overeenkomstig de interne wetten en administratieve gebruiken van de aangezochte Staat.

In het Koninkrijk der Nederlanden houdt het bestaande administratieve gebruik in, dat met betrekking tot wat worden genoemd „fiscale delicten", te weten delicten die betrekking hebben op heffingen, belastingen, douanerechten en deviezentransacties, van dit soort dwangmaatregelen slechts zeer behoedzaam gebruik wordt gemaakt. Dienovereenkomstig stelt de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zich op het standpunt dat zij bij het gevolg geven aan verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming op grond van internationale overeenkomsten, niet af wil wijken van haar terughoudend beleid. De Regering van het Koninkrijk vat artikel 6 aldus op dat dit haar toestaat haar gebruikelijke terughoudendheid te blijven betrachten bij het gevolg geven aan verzoeken met betrekking tot fiscale delicten.

Bepaalde federale wetten van de Verenigde Staten, zoals die betreffende verdovende middelen, giftige chemicaliën, stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid, vuurwapens en andere wapens, explosieven en middelen tot brandstichting, berusten op constitutionele bevoegdheden zoals de bevoegdheid belastingen te heffen en de volksgezondheid te bevorderen, en zijn derhalve neergelegd in wetgeving op het gebied van belastingen, volksgezondheid, en in andere wetten. Het Koninkrijk der Nederlanden is niet voornemens bij het gevolg geven aan verzoeken van de Verenigde Staten met betrekking tot die wetten de terughoudendheid te betrachten die het gewoonlijk in acht neemt met betrekking tot fiscale delicten naar de wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden. Deze terughoudendheid wordt alleen betracht wanneer de desbetreffende delicten betrekking hebben op heffingen, belastingen, douanerechten of deviezentransacties naar de wetgeving van beide Partijen.

Krachtens de wetten en gebruiken in de Verenigde Staten zijn de vereisten voor huiszoeking en inbeslagneming in fiscale zaken niet strenger dan in andere zaken. Uit een verzoek om een bevel tot huiszoeking en inbeslagneming in de Verenigde Staten moet blijken dat er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een strafbaar feit is gepleegd en dat bewijsmateriaal aangaande dat strafbare feit zal worden gevonden bij de persoon bij wie of in het perceel waar huiszoeking moet worden verricht. De persoon bij wie of het perceel waarin huiszoeking moet worden verricht en de goederen die in beslag moeten worden genomen, dienen nauwkeurig te worden omschreven. Derhalve dient bij een verzoek tot huiszoeking en inbeslagneming van het Koninkrijk der Nederlanden aan de Verenigde Staten in de regel een verklaring te zijn gevoegd, afgelegd door of ten overstaan van een rechter van het Koninkrijk der Nederlanden, waaruit de feiten, die de grondslag bieden voor het geven van het bevel, blijken.

Artikel

11

Hoewel ingevolge het eerste lid van artikel 11 elk van beide Partijen beperkingen kan opleggen met betrekking tot het bewijsmateriaal en de gegevens die worden verstrekt, erkennen beide Partijen dat, ingeval gerechtelijke procedures vereisen dat bewijs in een openbare terechtzitting wordt geleverd, dat bewijsmateriaal en die gegevens daartoe kunnen worden aangewend voor zover de verzoekende Staat zulks noodzakelijk acht.

Met betrekking tot het tweede lid van artikel 11 zijn beide Partijen het erover eens, dat toestemming kan worden gegeven fiscale documenten en gegevens voor een ander doel te gebruiken dan is vermeld in het oorspronkelijke verzoek. Die toestemming zal echter alleen worden verleend in die gevallen waarin het verdere gebruik zich verdraagt met de interne wetten en gebruiken van de aangezochte Staat.

Artikel

14

Verzoeken, gedaan door de in artikel 14 omschreven bevoegde autoriteiten, dienen in de aangezochte Staat te worden ingewilligd op een wijze die in overeenstemming is met diens interne wet. De Partijen zijn het erover eens dat, hoewel op grond van dit Verdrag gedane verzoeken en alle nadere mededelingen tussen de aangewezen bevoegde autoriteiten worden gewisseld, die verzoeken afkomstig zullen zijn van openbare aanklagers, opsporingsautoriteiten of gerechtelijke instanties. De bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk der Nederlanden zullen verzoeken van het openbaar ministerie, rechterscommissarissen en gerechtelijke instanties doorzenden. De bevoegde autoriteit van de Verenigde Staten zal verzoeken doen ten behoeve van openbare aanklagers en opsporingsautoriteiten, en zal verzoeken van gerechtelijke instanties doorzenden.

Bepaalde interne wetten van de Partijen voorzien slechts in rechtshulp aan buitenlandse autoriteiten wanneer het verzoek afkomstig is van een rechterlijke autoriteit. Hoewel openbare aanklagers en opsporingsautoriteiten volgens de wetgeving van de Verenigde Staten niet worden beschouwd als rechterlijke autoriteiten, worden verzoeken, door de "Attorney General" van de Verenigde Staten te hunnen behoeve gedaan, voor de toepassing van de wetten van het Koninkrijk der Nederlanden beschouwd als verzoeken afkomstig van een rechterlijke autoriteit. Verzoeken ten behoeve van het openbaar ministerie in het Koninkrijk der Nederlanden gedaan, worden voor de toepassing van de wetten van de Verenigde Staten beschouwd als verzoeken afkomstig van een rechterlijke autoriteit.

Ik zou het op prijs stellen van Uwe Excellentie een schriftelijke bevestiging te mogen ontvangen, dat bovenstaande interpretatie dezelfde is als de interpretatie van het Koninkrijk der Nederlanden.

Gelief, Excellentie, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting te willen aanvaarden.

(w.g.) THOMAS J. DUNNIGAN

Nr.

II

MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

's-Gravenhage, 12 juni 1981

Mijnheer de Zaakgelastigde,

Bij dezen heb ik de eer de goede ontvangst te berichten van Uw schrijven van bovenvermelde datum, waarvan de inhoud als volgt luidt:

(zoals in Nr. I)

Ik heb de eer U te bevestigen dat bovenstaande interpretatie gelijk is aan die van het Koninkrijk der Nederlanden.

Gelief, Mijnheer de Zaakgelastigde, de verzekering van mijn bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) C. A. VAN DER KLAAUW

Thomas J. Dunnigan, Esq.,

Zaakgelastigde van de

Verenigde Staten van Amerika,

Den Haag

Nr.

I

Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika

No. 33

's-Gravenhage, 29 september 2004

Ik heb de eer te verwijzen naar het heden ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te Washington 25 juni 2003, inzake de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken, ondertekend te 's-Gravenhage 12 juni 1981. Ten behoeve van de ondertekening van dit instrument wens ik de juridische status van bepaalde nota's met betrekking tot het Rechtshulpverdrag van 1981 en de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 te verduidelijken.

Op 12 juni 1981 werden bij de ondertekening van het Rechtshulpverdrag van 1981 tevens de desbetreffende diplomatieke nota's met daarin vervat de afspraken betreffende bepaalde artikelen van het Verdrag uitgewisseld. Deze notawisseling blijft van toepassing, evenwel – tengevolge van artikel 9 van de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 – met uitzondering van het tweede lid betreffende artikel 11 van het Rechtshulpverdrag van 1981. Voorts dient het bepaalde in deze notawisseling met betrekking tot artikel 14 van het Rechtshulpverdrag van 1981 zodanig te worden uitgelegd dat artikel 8 van de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 kan worden toegepast.

Op 31 december 1985 deed de regering van het Koninkrijk der Nederlanden de regering van de Verenigde Staten van Amerika een diplomatieke nota toekomen waarin bevestigd werd dat onder andere het Rechtshulpverdrag van 1981 van toepassing blijft op de Nederlandse Antillen en Aruba. Het heden ondertekende Rechtshulpverdrag bepaalt dat de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 de toepassing van het Rechtshulpverdrag van 1981 op de Nederlandse Antillen en Aruba onverlet laat. Bijgevolg blijft het Rechtshulpverdrag van 1981 in zijn oorspronkelijke vorm van toepassing op de Nederlandse Antillen en Aruba.

Voorts wordt aangetekend dat de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 een toelichtende noot omvat die uitleg geeft „over afspraken tussen de overeenkomstsluitende partijen betreffende de toepassing van een aantal bepalingen van de overeenkomst” en er een integrerend deel van vormt. De afspraken vervat in de toelichtende noten zijn bindend voor zowel de partijen bij de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp van 2003 als voor de lidstaten van de Europese Unie en bijgevolg van toepassing op de desbetreffende bepalingen van het heden ondertekende Rechtshulpverdrag.

Indien de voorgaande afspraken worden onderschreven door het Koninkrijk der Nederlanden, heb ik de eer voor te stellen dat deze Nota en de antwoordnota van Uwe Excellentie een overeenkomst zullen vormen tussen de twee Regeringen.

Ik maak van deze gelegenheid gebruik om Uwe Excellentie opnieuw te verzekeren van mijn zeer bijzondere hoogachting.

Clifford M. SOBEL

Nr.

II

's-Gravenhage, 29 september 2004

Excellentie,

Bij dezen heb ik de eer de goede ontvangst te bevestigen van Uw nota van bovenvermelde datum, waarvan de inhoud als volgt luidt:

(Zoals in Nr. 1)

Ik heb de eer te bevestigen dat de voorgaande afspraken worden onderschreven door het Koninkrijk der Nederlanden en dat de nota van Uwe Excellentie tesamen met deze antwoordnota een afspraak vormen tussen de twee Regeringen.

Ik maak van deze gelegenheid gebruik om Uwe Excellentie opnieuw te verzekeren van mijn zeer bijzondere hoogachting.

J. P. H. DONNER

Minister van Justitie

His Excellency

Mr. C.M. Sobel

Ambassadeur van de Verenigde Staten van Amerika

te 's-Gravenhage