Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme

European Convention on the Suppression of Terrorism

The member States of the Council of Europe, signatory hereto,

Considering that the aim of the Council of Europe is to achieve a greater unity between its Members;

Aware of the growing concern caused by the increase in acts of terrorism;

Wishing to take effective measures to ensure that the perpetrators of such acts do not escape prosecution and punishment;

Convinced that extradition is a particularly effective measure for achieving this result,

Have agreed as follows:

Article

1

For the purposes of extradition between Contracting States, none of the following offences shall be regarded as a political offence or as an offence connected with a political offence or as an offence inspired by political motives:

  • a.

    an offence within the scope of the Convention for the Suppression of Unlawful Seizure of Aircraft, signed at The Hague on 16 December 1970;

  • b.

    an offence within the scope of the Convention for the Suppression of Unlawful Acts against the Safety of Civil Aviation, signed at Montreal on 23 September 1971;

  • c.

    a serious offence involving an attack against the life, physical integrity or liberty of internationally protected persons, including diplomatic agents;

  • d.

    an offence involving kidnapping, the taking of a hostage or serious unlawful detention;

  • e.

    an offence involving the use of a bomb, grenade, rocket, automatic firearm or letter or parcel bomb if this use endangers persons;

  • f.

    an attempt to commit any of the foregoing offences or participation as an accomplice of a person who commits or attempts to commit such an offence.

Article

2

Article

3

The provisions of all extradition treaties and arrangements applicable between Contracting States, including the European Convention on Extradition, are modified as between Contracting States to the extent that they are incompatible with this Convention.

Article

4

For the purposes of this Convention and to the extent that any offence mentioned in Article 1 or 2 is not listed as an extraditable offence in any extradition convention or treaty existing between Contracting States, it shall be deemed to be included as such therein.

Article

5

Nothing in this Convention shall be interpreted as imposing an obligation to extradite if the requested State has substantial grounds for believing that the request for extradition for an offence mentioned In Article 1 or 2 has been made for the purpose of prosecuting or punishing a person on account of his race, religion, nationality or political opinion, or that that person's position may be prejudiced for any of these reasons.

Article

6

Article

7

A Contracting State in whose territory a person suspected to have committed an offence mentioned in Article 1 is found and which has received a request for extradition under the conditions mentioned in Article 6, paragraph 1, shall, if it does not extradite that person, submit the case, without exception whatsoever and without undue delay, to its competent authorities for the purpose of prosecution. Those authorities shall take their decision in the same manner as in the case of any offence of a serious nature under the law of that State.

Article

8

Article

9

Article

10

Article

11

Article

12

Article

13

Article

14

Any Contracting State may denounce this Convention by means of a written notification addressed to the Secretary General of the Council of Europe. Any such denunciation shall take effect immediately or at such later date as may be specified in the notification.

Article

15

This Convention ceases to have effect in respect of any Contracting State which withdraws from or ceases to be a Member of the Council of Europe.

Article

16

The Secretary General of the Council of Europe shall notify the member States of the Council of:

  • a.

    any signature;

  • b.

    any deposit of an instrument of ratification, acceptance or approval;

  • c.

    any date of entry into force of this Convention in accordance with Article 11 thereof;

  • d.

    any declaration or notification received in pursuance of the provisions of Article 12;

  • e.

    any reservation made in pursuance of the provisions of Article 13, paragraph 1;

  • f.

    the withdrawal of any reservation effected in pursuance of the provisions of Article 13, paragraph 2;

  • g.

    any notification received in pursuance of Article 14 and the date on which denunciation takes effect;

  • h.

    any cessation of the effects of the Convention pursuant to Article 15.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.

DONE at Strasbourg, this 27th day of January 1977, in English and in French, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each of the signatory States.

Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme

De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;

Zich bewust van de groeiende verontrusting in verband met de toename van daden van terrorisme;

Verlangende doeltreffende maatregelen te nemen ten einde te verzekeren dat de daders niet aan strafvervolging en bestraffing ontkomen;

Overtuigd dat uitlevering een bijzonder doeltreffend middel is om dit resultaat te bereiken,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel

1

Ten behoeve van uitlevering tussen Verdragsluitende Staten, wordt geen van de hierna te noemen strafbare feiten beschouwd als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven:

  • a)

    de strafbare feiten vallend onder het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, ondertekend te 's-Gravenhage op 16 december 1970;

  • b)

    de strafbare feiten vallend onder het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, ondertekend te Montreal op 23 september 1971;

  • c)

    de strafbare feiten waarbij een ernstige aanslag is gepleegd tegen het leven, de fysieke integriteit of de vrijheid van personen die recht hebben op internationale bescherming, met inbegrip van diplomatieke ambtenaren;

  • d)

    strafbare feiten die ontvoering, gijzeling of wederrechtelijke vrijheidsberoving inhouden;

  • e)

    de strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van bommen, (hand-) granaten, raketten, automatische vuurwapens of bombrieven of -pakjes, voor zover dit gebruik gevaar voor personen oplevert;

  • f)

    de poging tot één van de bovengenoemde strafbare feiten of de deelneming eraan als medepleger of medeplichtige van een persoon die een zodanig feit pleegt of daartoe een poging doet.

Artikel

2

Artikel

3

De bepalingen in alle tussen de Verdragsluitende Staten van toepassing zijnde uitleveringsverdragen en afspraken, met inbegrip van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, worden wat de betrekkingen tussen Verdragsluitende Staten betreft, gewijzigd voor zover zij onverenigbaar zijn met het onderhavige Verdrag.

Artikel

4

Voor toepassing van dit Verdrag worden de strafbare feiten bedoeld in artikel 1 of 2, voor zover zij niet zijn vermeld op de lijst van uitleveringsdelicten in een tussen Verdragsluitende Staten bestaand uitleveringsverdrag of -overeenkomst, geacht in die lijst te zijn opgenomen.

Artikel

5

Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat zij een verplichting tot uitlevering zou inhouden in gevallen waarin de aangezochte Staat ernstige redenen heeft aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering voor een in artikel 1 of 2 bedoeld strafbaar feit is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid, dan wel dat de positie van betrokkene om één van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed.

Artikel

6

Artikel

7

Een Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader van een strafbaar feit bedoeld in artikel 1 wordt aangetroffen en die een verzoek tot uitlevering heeft ontvangen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel 6 is, indien hij de vermoedelijke dader van het strafbare feit niet uitlevert, in alle gevallen verplicht de zaak zonder onnodig uitstel voor vervolging aan zijn bevoegde autoriteiten over te dragen. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in geval van een strafbaar feit van ernstige aard krachtens de wetgeving van die Staat.

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Iedere Verdragsluitende Staat kan dit Verdrag opzeggen door een daartoe strekkende schriftelijke kennisgeving te richten aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. De opzegging wordt onmiddellijk van kracht of op een in de kennisgeving vermelde latere datum.

Artikel

15

Het Verdrag houdt op van kracht te zijn ten aanzien van iedere Verdragsluitende Staat die zich terugtrekt uit de Raad van Europa of die ophoudt lid te zijn van de Raad van Europa.

Artikel

16

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft de Lid-Staten van de Raad kennis van:

  • a)

    elke ondertekening;

  • b)

    de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring;

  • c)

    elke datum van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig artikel 11;

  • d)

    elke verklaring of kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 12;

  • e)

    elk voorbehoud gemaakt krachtens het bepaalde in het eerste lid van artikel 13;

  • f)

    de intrekking van elk voorbehoud krachtens het bepaalde in het tweede lid van artikel 13;

  • g)

    elke kennisgeving ontvangen krachtens artikel 14 alsmede de datum waarop de opzegging van kracht wordt;

  • h)

    het ophouden van kracht te zijn van het Verdrag krachtens artikel 15.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Straatsburg, op 27 januari 1977, in de Franse en Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in één enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift toekomen aan iedere ondertekenende en toetredende Partij.