Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake uitlevering

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake uitlevering

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van Canada,

Elkanders rechtsinstellingen eerbiedigend en geleid door de wens de samenwerking tussen beide landen bij de bestrijding van de misdaad doeltreffender te maken door een regeling te treffen voor de uitlevering van delinquenten,

komen het volgende overeen:

Artikel

1

Verplichting tot uitlevering

De Verdragsluitende Staten komen overeen aan elkander, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, personen uit te leveren die zich op hun grondgebied bevinden en die worden verdacht van een strafbaar feit of worden gezocht met het oog op de oplegging van een straf of de tenuitvoerlegging van een vonnis door de autoriteiten van de andere Staat.

Artikel

2

Uitleveringsdelicten

Artikel

3

Uitlevering van onderdanen

Artikel

4

Verplichte weigering van de uitlevering

Uitlevering wordt niet toegestaan:

  • a.

    indien het feit ter zake waarvan om uitlevering wordt verzocht door de aangezochte Staat als politiek delict wordt beschouwd of als een delict dat met een zodanig delict samenhangt. Het doden, of de poging daartoe, van het Staatshoofd of de Regeringsleider of een familielid van hen wordt niet beschouwd als politiek delict;

  • b.

    indien het feit ter zake waarvan om uitlevering wordt verzocht een delict naar militair recht is en niet een delict naar het commune strafrecht van beide Staten;

  • c.

    indien de opgeëiste persoon in de aangezochte Staat onherroepelijk is veroordeeld, dan wel vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, wegens een gedraging die hetzelfde strafbare feit vormt als dat ter zake waarvan om uitlevering wordt verzocht; of

  • d.

    indien het recht tot strafvordering of tot tenuitvoerlegging van straf ter zake van het feit ter zake waarvan om uitlevering wordt verzocht krachtens het recht van de aangezochte Staat zou zijn verjaard.

Artikel

5

Facultatieve weigering van de uitlevering

Uitlevering kan worden geweigerd:

  • a.

    indien de opgeëiste persoon in de aangezochte Staat wordt vervolgd wegens het strafbare feit ter zake waarvan om uitlevering wordt verzocht of indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat hebben besloten, in overeenstemming met het recht van die Staat, dat feit niet te vervolgen of de ingestelde vervolging te staken;

  • b.

    indien de opgeëiste persoon in een derde Staat onherroepelijk is veroordeeld, dan wel vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, wegens een gedraging die hetzelfde strafbare feit oplevert als dat ter zake waarvan om uitlevering wordt verzocht en, in geval van veroordeling, het vonnis volledig ten uitvoer is gelegd of niet meer vatbaar is voor tenuitvoerlegging;

  • c.

    indien, naar het oordeel van de aangezochte Staat, het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat is gepleegd en het recht van de aangezochte Staat in vergelijkbare omstandigheden niet in dezelfde rechtsmacht voorziet;

  • d.

    indien de aangezochte Staat, de aard van het strafbare feit en de belangen van de verzoekende Staat in aanmerking nemend, van oordeel is dat de uitlevering van de opgeëiste persoon onverenigbaar is met humanitaire overwegingen, in het bijzonder gelet op de leeftijd of de gezondheid van die persoon.

Artikel

6

Indiening van verzoeken

Artikel

7

Over te leggen stukken

Artikel

8

Aanvullende inlichtingen

Artikel

9

Voorlopige aanhouding

Artikel

10

Samenloop van verzoeken

Indien de uitlevering van dezelfde persoon door twee of meer Staten wordt verzocht, bepaalt de aangezochte Staat aan welke van deze Staten de persoon zal worden uitgeleverd en stelt hij de verzoekende Staat in kennis van zijn besluit.

Artikel

11

Overlevering

Artikel

12

Uitstel van de overlevering

De aangezochte Staat kan de overlevering van de opgeëiste persoon uitstellen teneinde de betrokkene te vervolgen of deze een straf te doen ondergaan wegens een ander strafbaar feit dan dat ter zake waarvan uitlevering is toegestaan, en stelt de verzoekende Staat in kennis van zijn besluit.

Artikel

13

Overdracht van voorwerpen

Artikel

14

Specialiteitsbeginsel

Artikel

15

Verderlevering aan een derde Staat

Een uit hoofde van dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet verdergeleverd aan een derde Staat zonder de instemming van de aangezochte Staat, behalve in de in artikel 14, eerste lid, onder de letters a, b en c bedoelde gevallen. De aangezochte Staat kan de overlegging verlangen van de stukken die van de derde Staat zijn ontvangen ter ondersteuning van diens verzoek om uitlevering op een later tijdstip, alsmede van door de uitgeleverde persoon ter zake afgelegde verklaringen.

Artikel

16

Instemming met de uitlevering

Artikel

17

Doortocht

Artikel

18

Talen

Verzoeken uit hoofde van dit Verdrag kunnen in de Franse of Engelse taal worden gedaan, met dien verstande dat verzoeken aan het Koninkrijk der Nederlanden buiten Europa, indien in het Frans, vergezeld dienen te gaan van een Engelse vertaling. Alle overige stukken dienen te worden vertaald in een officiële taal van de aangezochte Staat.

Artikel

19

Kosten

Artikel

20

Instelling van de procedure

Artikel

21

Inwerkingtreding

Artikel

22

Beëindiging

TEN BLIJKE WAARVAN de vertegenwoordigers van de twee Regeringen, daartoe gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Montreal op 13 Oktober 1989 in tweevoud in de Nederlandse, Engelse en Franse taal, zijnde elke tekst gelijkelijk authentiek.