Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van Canada,

Geleid door de wens de samenwerking tussen de twee landen bij de opsporing, vervolging en bestrijding van misdaden doeltreffender te maken door voorzieningen te treffen voor wederzijdse rechtshulp in strafzaken,

zijn overeengekomen als volgt:

Artikel

1

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag

wordt verstaan onder „centrale autoriteit":

  • a.

    voor Canada: de Minister van Justitie;

  • b.

    voor het Koninkrijk der Nederlanden: de Minister van Justitie van Nederland, de Minister van Justitie van de Nederlandse Antillen, of de Minister van Justitie van Aruba, al naar het geval;

wordt verstaan onder „strafbaar feit":

  • a.

    wat Canada betreft, elk strafbaar feit als zodanig aangemerkt in een wet aangenomen door het Parlement of elk strafbaar feit als zodanig aangemerkt door de wetgever van een provincie;

  • b.

    wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, elk strafbaar feit als zodanig aangemerkt door de wetgever van Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba.

Artikel

2

Werkingssfeer

Artikel

3

Andere rechtshulp

Dit Verdrag sluit niet uit dat rechtshulp wordt verleend ingevolge andere overeenkomsten of regelingen tussen de Partijen of ingevolge door hun autoriteiten gevestigde praktijken.

Artikel

4

Verzoeken

Artikel

5

Inhoud van de verzoeken en de taal waarin deze dienen te zijn gesteld

Artikel

6

Weigering of uitstel van rechtshulp

Artikel

7

Uitvoering van verzoeken

Een verzoek wordt voortvarend en in overeenstemming met het recht van de aangezochte Staat uitgevoerd. De in het verzoek aangegeven procedures worden gevolgd, ook indien deze de aangezochte Staat onbekend zijn, behalve voor zover de wetten van de aangezochte Staat zulks verbieden.

Artikel

8

Bescherming van het vertrouwelijk karakter

Artikel

9

Het afleggen van getuigenverklaringen onder ede of belofte in de aangezochte Staat

Artikel

10

Huiszoeking, inbeslagneming en uitlevering van bewijs

Artikel

11

Beschikbaarheid van gedetineerden om een getuigenverklaring af te leggen of medewerking te verlenen aan onderzoeken in de verzoekende Staat

Artikel

12

Beschikbaarheid van andere personen om een getuigenverklaring af te leggen of medewerking te verlenen aan onderzoeken in de verzoekende Staat

Artikel

13

Vrijgeleide

Artikel

14

Betekening van stukken

Artikel

15

Overheidsstukken en -documenten

Artikel

16

Verbeurdverklaring en boetes

Artikel

17

Waarmerking en legalisering

Op verzoek waarmerkt of legaliseert de aangezochte Staat, op een voor de verzoekende Staat aanvaardbare wijze, de op grond van dit Verdrag toe te zenden afschriften van stukken of documenten.

Artikel

18

Kosten

Artikel

19

Overleg

Artikel

20

Territoriale toepasselijkheid

Artikel

21

Inwerkingtreding

Artikel

22

Beëindiging

TEN BLIJKE WAARVAN de vertegenwoordigers van de beide Regeringen, daartoe gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Den Haag, 1 mei 1991 in tweevoud in de Nederlandse, de Engelse en de Franse taal, zijnde elke tekst gelijkelijk authentiek.

Nr.

I

MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Directie Verdragen

DVE/VV-55013

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken biedt de Ambassade van Canada zijn complimenten aan en heeft de eer te verwijzen naar de onderhandelingen die hebben plaatsgevonden tussen Canada en het Koninkrijk der Nederlanden omtrent het sluiten van een Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken.

Deze Nota vormt de weergave van de overeenstemming die in het kader van bovengenoemde onderhandelingen is bereikt.

  • 1.

    Verdragen inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, alsmede andere vormen van internationale samenwerking in rechtszaken, hebben tot doel de belangen van een doeltreffende en behoorlijke rechtsbedeling te dienen, de doelstellingen van het internationaal publiekrecht te bevorderen en competentiegeschillen tussen de partijen bij dergelijke verdragen te vermijden.

  • 2.

    De Canadese en Nederlandse bevoegde autoriteiten komen overeen zoveel mogelijk samen te werken ter voorkoming en regeling van competentiegeschillen, die zowel Canada als Nederland aangaan, naar aanleiding van aanspraken van een derde Staat om zijn rechtsmacht uit te oefenen op het grondgebied van één van beide landen ten aanzien van natuurlijke personen of rechtspersonen die naar de mening van het andere land onder zijn rechtsmacht vallen.

  • 3.

    Daartoe plegen de Canadese en Nederlandse bevoegde autoriteiten overleg met elkander teneinde een gezamenlijk standpunt te bepalen over de wijzen en de middelen om het competentiegeschil met de betrokken derde Staat te vermijden of te beslechten, of de gevolgen daarvan tot een minimum te beperken.

Deze Nota en de Nota van de Ambassade vormen een weergave van overeenstemming tussen de twee regeringen welke van kracht zal worden op de datum waarop het Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in werking treedt. Deze overeenstemming kan door beide partijen schriftelijk, langs de diplomatieke kanalen worden beëindigd na een opzegtermijn van zes maanden.

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken maakt van deze gelegenheid gebruik om de Ambassade van Canada de hernieuwde verzekering van zijn zeer bijzondere hoogachting te geven.

's-Gravenhage, 1 mei 1991

Aan de Ambassade van Canada

te

's-Gravenhage

Nr.

II

CANADIAN EMBASSY

Note 067

De Ambassade van Canada biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn complimenten aan en heeft de eer te verwijzen naar de nota van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 1 mei 1991, welke als volgt luidt:

(Zoals in Nr. I)

De Ambassade van Canada bevestigt instemming met de inhoud van de Nota van het Ministerie van 1 mei 1991 en dat deze Nota en de Nota van het Ministerie samen een weergave van overeenstemming vormen tussen de twee regeringen welke van kracht zal worden op de datum waarop het Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in werking treedt. Deze overeenstemming kan door beide partijen schriftelijk, langs de diplomatieke kanalen worden beëindigd na een opzegtermijn van zes maanden.

De Ambassade van Canada maakt van deze gelegenheid gebruik om het Ministerie van Buitenlandse Zaken de hernieuwde verzekering van zijn bijzondere hoogachting te geven.

's-Gravenhage, 1 mei 1991

Aan het Ministerie

van Buitenlandse Zaken

's-Gravenhage