Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende het verdedigen van de oevers langs de Westerschelde tegen inscharing

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende het verdedigen van de oevers langs de Westerschelde tegen inscharing

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van het Koninkrijk België,

Van oordeel dat het noodzakelijk is op een aantal plaatsen over te gaan tot het verdedigen van de oevers langs de Westerschelde tegen inscharing, teneinde het verlies aan buitendijks gebied te beperken, alsook het ontstaan van nadelige stromingssituaties en het overmatig uitbochten van de vaargeul te voorkomen;

Zijn overeengekomen als volgt:

HOOFDSTUK

I

Definities

Artikel

1

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

  • a.

    „Nederlandse Minister": de Nederlandse Minister belast met de zaken van de Waterstaat;

  • b.

    „Belgische Minister": de Belgische Minister onder wiens bevoegdheid het Bestuur van Bruggen en Wegen (Bestuur der Waterwegen) valt;

  • c.

    „hoofdambtenaren": de hoofdambtenaren welke respectievelijk door de genoemde Ministers worden aangewezen ter voldoening aan het vereiste van artikel 5 van de onderhavige Overeenkomst.

HOOFDSTUK

II

Uit te voeren werken

Artikel

2

Artikel

3

De in artikel 2 bedoelde werken, die zijn aangeduid op de bij deze Overeenkomst behorende kaart, worden zo spoedig mogelijk aangevangen en in beginsel vóór 1 januari 1996 voltooid.

HOOFDSTUK

III

Voorbereiding en uitvoering der werken

Artikel

4

De Nederlandse Minister draagt, met inachtneming van de Nederlandse wettelijke regelingen, zorg voor de voorbereiding en de uitvoering van de in artikel 2 bedoelde werken, daaronder begrepen het opmaken van plannen en aanbestedingsbescheiden, het bergen van vrijkomende grond en de aanbesteding, een en ander op de in Nederland voor de totstandkoming van Rijkswerken gebruikelijke wijze.

Artikel

5

De Nederlandse Minister belast een hoofdambtenaar met de leiding van en het toezicht op de voorbereiding en de uitvoering van de werken. Deze hoofdambtenaar pleegt regelmatig overleg met een door de Belgische Minister daartoe aangewezen hoofdambtenaar, over alle vraagstukken van gemeenschappelijk belang, welke zich bij de voorbereiding en de uitvoering van de werken mochten voordoen. Ter verzekering van een goede voortgang van de werken ontvangen bedoelde hoofdambtenaren de nodige machtigingen.

Artikel

6

De bestekken en de overeenkomsten tot uitvoering van de in artikel 2 bedoelde werken behoeven de voorafgaande goedkeuring van de Belgische Minister. In deze stukken kan, in onderlinge overeenstemming tussen de Nederlandse en Belgische Minister, worden afgeweken van de in artikel 2 en op de bij deze Overeenkomst behorende kaart aangeduide werken. De Nederlandse Minister zendt de Belgische Minister afschriften toe van de gesloten aannemingsovereenkomsten.

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Indien tijdens de uitvoering onvoorziene werkzaamheden of maatregelen nodig zijn welke een spoedeisend karakter hebben, kunnen deze worden uitgevoerd of getroffen zonder dat de in artikel 8 bedoelde goedkeuring is verkregen. In deze gevallen stelt de Nederlandse hoofdambtenaar de Belgische hoofdambtenaar hiervan zo spoedig mogelijk in kennis.

Artikel

10

De goedkeuring van de door de aannemers opgeleverde werken geschiedt niet dan na overleg tussen de hoofdambtenaren.

HOOFDSTUK

IV

Onderhoud en vernieuwing van de werken

Artikel

11

Nederland draagt zorg voor het onderhoud en de vernieuwing van de in artikel 2 bedoelde werken.

HOOFDSTUK

V

Kosten

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

België kan generlei aanspraak maken op de eigendom van de overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst opgeleverde werken.

HOOFDSTUK

VI

Betalingen

Artikel

15

De in de artikelen 12 en 13 bedoelde kosten worden door de Nederlandse Regering voor zoveel nodig rechtstreeks voldaan.

Artikel

16

Artikel

17

De Belgische Minister laat binnen de vier weken na de ontvangst door de Nederlandse Minister van een declaratie weten of hij instemt met de voor Belgische rekening komende bedragen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, zulks onverminderd het bepaalde van artikel 16, eerste lid.

Artikel

18

Indien declaraties tot een bedrag van negentig procent van de (gewijzigde) aannemingssom door de Nederlandse Minister aan de Belgische Minister zijn gezonden, zal de Belgische Regering, voor wat betreft de resterende declaraties en de bijkomende kosten als bedoeld in artikel 12, derde lid, niet eerder aan de in artikel 16, eerste lid, genoemde verplichtingen zijn gehouden, dan nadat over de in deze en in de eerdere declaraties voorkomende bedragen waarmee de Belgische Minister overeenkomstig artikel 17 heeft doen weten niet te kunnen instemmen, tussen de hoofdambtenaren overeenstemming is bereikt. Deze zullen hun daartoe strekkend overleg voltooien binnen vier maanden nadat de laatste declaratie voor deze kosten aan de Belgische Minister zal zijn gezonden.

HOOFDSTUK

VII

Geschillen

Artikel

19

HOOFDSTUK

VIII

Slotbepalingen

Artikel

20

Behoudens hetgeen in deze Overeenkomst is geregeld, zal Nederland geen financiële aanspraken jegens België doen gelden voor verdere oeververdedigingswerken welke te eniger tijd noodzakelijk mochten blijken ten gevolge van vóór 1986 door België verrichte baggerwerken.

Artikel

21

Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op die waarin beide Regeringen elkaar zullen hebben medegedeeld dat in hun land aan de voor inwerkingtreding noodzakelijke constitutionele vereisten is voldaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, hiertoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Brussel de 6de januari 1993, in tweevoud in de Nederlandse taal.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) H. J. M. VAN NISPEN TOT SEVENAER

Jhr. Mr. H. J. M. van Nispen tot Sevenaer

Ambassadeur

Voor de Regering van het Koninkrijk België:

(w.g.) W. CLAES

W. Claes

Minister van Buitenlandse Zaken

Afbeelding