Verdrag houdende het Statuut van de Europese Scholen

Verdrag houdende het Statuut van de Europese Scholen

Preambule

De Hoge Verdragsluitende Partijen, Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, alsmede de Europese Gemeenschappen, hierna genoemd „de Verdragsluitende Partijen",

overwegende dat voor het gezamenlijk onderwijs aan kinderen van het personeel van de Europese Gemeenschappen, met het oog op de goede werking van de Europese Instellingen, reeds in 1957 instellingen, „Europese School" genaamd, zijn opgericht;

overwegende dat de Europese Gemeenschappen het gezamenlijk onderwijs aan deze kinderen willen waarborgen en dat zij daartoe bijdragen aan de begroting van de Europese scholen;

overwegende dat het stelsel van de Europese Scholen een stelsel „sui generis" is; dat met dit stelsel een vorm van samenwerking tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en de Europese Gemeenschappen tot stand komt met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de Lid-Staten voor de inhoud van het onderwijs en voor de organisatie van hun onderwijsstelsel, en van hun verscheidenheid qua taal en cultuur;

overwegende dat het noodzakelijk is:

  • -

    het in 1957 aangenomen Statuut van de Europese School te consolideren, ten einde rekening te houden met alle desbetreffende teksten die door de Verdragsluitende Partijen zijn aangenomen;

  • -

    het statuut aan te passen aan de ontwikkeling van de Europese Gemeenschappen;

  • -

    de besluitvormingsprocedure in de organen van de Scholen te wijzigen;

  • -

    rekening te houden met de ervaring die tijdens het functioneren van de Scholen is opgedaan;

  • -

    een adequate rechtsbescherming tegen handelingen van de Raad van Bestuur of het Dagelijks Bestuur te waarborgen voor het onderwijzend personeel alsmede voor andere in dit Verdrag bedoelde personen; dat daartoe een Kamer van Beroep moet worden ingesteld die dient te beschikken over nauwkeurig omschreven bevoegdheden;

  • -

    dat de bevoegdheden van de Kamer van Beroep de bevoegdheden van nationale rechtbanken met betrekking tot civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid onverlet laten;

overwegende dat krachtens het aanvullend protocol van 15 december 1975, in München een School is geopend voor gemeenschappelijk onderwijs aan de kinderen van het personeel van de Europese Octrooiorganisatie,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

TITEL

I

DE EUROPESE SCHOLEN

Artikel

1

Bij dit Verdrag wordt het Statuut van de Europese Scholen (hierna „Scholen" genoemd) vastgesteld.

Taak van de Scholen is het gezamenlijk onderwijs aan de kinderen van het personeel van de Europese Gemeenschappen. Naast de kinderen die onder de in de artikelen 28 en 29 genoemde overeenkomsten vallen, kunnen binnen de door de Raad van Bestuur gestelde grenzen ook andere kinderen tot de Scholen worden toegelaten.

De Scholen staan vermeld in Bijlage I, die door de Raad van Bestuur overeenkomstig de artikelen 2, 28 en 31 te nemen besluiten kan worden aangepast.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

De pedagogische organisatie van de Scholen berust op de volgende beginselen:

  • 1.

    het onderwijs wordt gevolgd in de talen vermeld in Bijlage II;

  • 2.

    deze bijlage kan door de Raad van Bestuur worden aangepast overeenkomstig krachtens de artikelen 2 en 32 genomen besluiten;

  • 3.

    ter bevordering van de eenheid van de School alsmede van de toenadering en het wederzijds begrip onder de leerlingen van de verschillende taalafdelingen, worden aan klassen van gelijk niveau bepaalde vakken gemeenschappelijk onderwezen. Deze vakken kunnen in alle talen van de Gemeenschap worden onderwezen voor zover de Raad van Bestuur besluit dat de omstandigheden dit rechtvaardigen;

  • 4.

    er wordt in het bijzonder naar gestreefd de leerlingen een grondige kennis van de levende talen bij te brengen;

  • 5.

    de Europese dimensie krijgt in de lesprogramma's bijzondere aandacht;

  • 6.

    opvoeding en onderwijs worden gegeven met eerbiediging van eenieders geweten en overtuiging;

  • 7.

    er worden maatregelen genomen om de opvang van kinderen met specifieke onderwijsbehoeften te vergemakkelijken.

Artikel

5

Artikel

6

Elke School bezit de rechtspersoonlijkheid die vereist is voor de verwezenlijking van haar in artikel 1 omschreven taak. Te dien einde geniet zij bestuursautonomie voor de kredieten die zijn opgenomen in het desbetreffende begrotingsonderdeel, onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in het in artikel 13, lid 1, bedoelde financieel reglement. Zij kan in rechte optreden. Zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen en vervreemden.

Wat haar rechten en plichten betreft, wordt de School in elk van de Lid-Staten, en onder voorbehoud van de specifieke bepalingen van dit Verdrag, behandeld als een onderwijsinstelling die onder het publiek recht valt.

TITEL

II

ORGANEN VAN DE SCHOLEN

Artikel

7

De gemeenschappelijke organen van de Scholen zijn:

  • 1.

    de Raad van Bestuur,

  • 2.

    de Secretaris-Generaal,

  • 3.

    de Commissies van Inspecteur,

  • 4.

    de Kamer van Beroep.

Elk van de Scholen wordt bestuurd door het Dagelijks Bestuur en beheerd door de Directeur.

HOOFDSTUK

1

RAAD VAN BESTUUR

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

De Raad van Bestuur ziet toe op de uitvoering van dit Verdrag; te dien einde beschikt hij over de nodige beslissingsbevoegdheden op pedagogisch, budgettair en administratief gebied, alsmede voor de onderhandelingen over overeenkomsten als bedoeld in de artikelen 28 tot en met 30. Hij kan comités instellen om zijn besluiten voor te bereiden.

De Raad van Bestuur stelt het Algemeen Reglement van de Scholen vast.

Jaarlijks stelt de Raad van Bestuur, op basis van het door de Secretaris-Generaal opgestelde ontwerp, over het functioneren van de Scholen een verslag op dat hij doet toekomen aan het Europees Parlement en aan de Raad.

Artikel

11

De Raad van Bestuur, handelend in pedagogische aangelegenheden, bepaalt de richting en de organisatie van het onderwijs. Dit houdt meer bepaald in dat hij op advies van de bevoegde Commissie van Inspecteurs:

  • 1.

    voor elk schooljaar en voor elke door hem georganiseerde afdeling geharmoniseerde leerplannen en lesroosters vaststelt en aanbevelingen doet voor de keuze van de onderwijsmethodes;

  • 2.

    het toezicht op het onderwijs opdraagt aan de Commissies van Inspecteurs en hun werkwijze vaststelt;

  • 3.

    voor de diverse onderwijsniveaus de leeftijd voor toelating vaststelt. Hij stelt de voorschriften vast betreffende de overgang van leerlingen naar een hogere klas of naar het secundair onderwijs en bepaalt de wijze waarop de jaren gedurende welke het onderwijs aan de School is gevolgd, worden meegeteld, zodat de leerlingen te allen tijde hun studie aan nationale scholen kunnen voortzetten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5. Hij stelt de in artikel 5, lid 1, bedoelde gelijkwaardigheidstabel op;

  • 4.

    examens instelt, die moeten worden afgelegd ten bewijze dat het onderwijs aan de School met vrucht is gevolgd, daarvoor de voorschriften vaststelt, de examencommissies benoemt en de getuigschriften uitreikt en de examenopgaven op een zodanig niveau vaststelt dat aan artikel 5 wordt voldaan.

Artikel

12

De Raad van Bestuur, handelend in administratieve aangelegenheden:

  • 1.

    stelt de bepalingen betreffende de rechtspositie van de Secretaris-Generaal, de Directeuren, het onderwijzend personeel en, overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, lid 1, onder a, het administratief en dienstpersoneel op;

  • 2.

    wijst de Secretaris-Generaal en de Adjunct-Secretaris-Generaal aan;

  • 3.

    benoemt de Directeur en de Adjuncten van elk van de Scholen;

  • 4.
    • a.

      stelt jaarlijks, op voorstel van de Commissie van Inspecteurs, de behoeften aan leerkrachten vast door het instellen en opheffen van ambten. Hij ziet toe op een billijke verdeling van de ambten tussen de Lid -Staten. In overleg met de Regeringen regelt hij de aanstelling of de detachering van leerkrachten en pedagogische adviseurs van de School. Dezen behouden de door hun nationale rechtspositie gewaarborgde rechten op bevordering en pensionering;

    • b.

      stelt jaarlijks, op voorstel van de Secretaris-Generaal, de behoeften aan administratief en dienstpersoneel vast;

  • 5.

    regelt zijn werkwijze en stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel

13

Artikel

14

De Secretaris-Generaal vertegenwoordigt de Raad van Bestuur en leidt het sectretariaat in het kader van de bepalingen betreffende de rechtspositie van de Secretaris-Generaal, zoals geregeld volgens artikel 12, punt 1. Hij vertegenwoordigt de Scholen in rechte. Hij is verantwoording schuldig aan de Raad van Bestuur.

HOOFDSTUK

2

COMMISSIES VAN INSPECTEURS

Artikel

15

Ten behoeve van de Scholen worden twee Commissies van Inspecteurs ingesteld: één voor het kleuter- en basisonderwijs en één voor het secundair onderwijs.

Artikel

16

Elk van de Lid-Staten, die verdragsluitende Partijen zijn, wordt in elke Commissie van Inspecteurs door een inspecteur vertegenwoordigd. Deze inspecteur wordt door de Raad van Bestuur aangewezen op voordracht van de betrokken partij.

Het Voorzitterschap van de Commissie van Inspecteurs wordt uitgeoefend door de vertegenwoordiger van de Commissie van Inspecteurs van de Lid-Staat die de Raad van Bestuur voorzit.

Artikel

17

De Commissies van Inspecteurs hebben tot taak toe te zien op de kwaliteit van het door de Scholen gegeven onderwijs en te dien einde in de Scholen de nodige inspecties te doen verrichten.

Zij dienen bij de Raad van Bestuur de adviezen en voorstellen in bedoeld in respectievelijk de artikelen 11 en 12, en eventueel voorstellen met betrekkking tot de aanpassing van de leerplannen en de organisatie van het onderwijs.

Artikel

18

De inspecteurs hebben tot taak:

  • 1.

    in het onder hen ressorterende onderwijs te zorgen voor het pedagogisch toezicht op de leerkrachten die uit hun nationale ressort afkomstig zijn;

  • 2.

    hun ervaringen inzake het niveau van het onderwijs en de kwaliteit van de onderwijsmethoden uit te wisselen;

  • 3.

    aan de Directeuren en de leerkrachten de resultaten van hun inspecties mee te delen.

Met inachtneming van de door de Raad van Bestuur geraamde behoeften verleent elke Lid-Staat de inspecteurs de nodige faciliteiten om hun taak in de Scholen naar behoren te kunnen uitvoeren.

HOOFDSTUK

3

DAGELIJKS BESTUUR

Artikel

19

Het in artikel 7 bedoelde Dagelijks Bestuur bestaat, behoudens de afwijkingen bedoeld in de artikelen 28 en 29, uit acht leden, namelijk:

  • 1.

    de Secretaris-Generaal, die het Voorzitterschap bekleedt;

  • 2.

    de Directeur van de School;

  • 3.

    de vertegenwoordiger van de Commissie van de Europese Gemeenschappen;

  • 4.

    twee leerkrachten die de leerkrachten van het secundair onderwijs, respectievelijk de leerkrachten van het basis- en kleuteronderwijs vertegenwoordigen;

  • 5.

    twee leden die de Verenigingen van de ouders van leerlingen vertegenwoordigen, zoals bedoeld in artikel 23;

  • 6.

    een vertegenwoordiger van het administratief en dienstpersoneel.

Een vertegenwoordiger van de Lid-Staat waar de School gevestigd is, kan als waarnemer aan de vergaderingen van het Dagelijks Bestuur deelnemen.

Twee vertegenwoordigers van de leerlingen worden uitgenodigd om, voor de punten die voor hen van belang zijn, de bijeenkomsten van het Dagelijks Bestuur van hun School als waarnemer bij te wonen.

Artikel

20

Het Dagelijks Bestuur:

  • 1.

    stelt de raming van de ontvangsten en uitgaven van de school op overeenkomstig het financieel reglement;

  • 2.

    ziet toe op de tenuitvoerlegging van het op de School betrekking hebbende begrotingsonderdeel en stelt zijn financieel jaarverslag op;

  • 3.

    ziet toe op de instandhouding van de materiële omstandigheden en de sfeer die bevorderlijk zijn voor een goede gang van zaken op de School;

  • 4.

    oefent elke andere administratie bevoegdheid uit welke de Raad van Bestuur hem verleent.

De procedures inzake bijeenroeping en besluitvorming van het Dagelijks Bestuur zijn vastgesteld in het Algemeen Reglement van de Scholen, bedoeld in artikel 10.

HOOFDSTUK

4

DIRECTEUR

Artikel

21

De Directeur oefent zijn functies uit overeenkomstig het Algemeen Reglement, bedoeld in artikel 10. Hij oefent gezag uit over het personeel van de School overeenkomstig de in artikel 12, punt 4, onder a. en b., nader omschreven procedures.

Hij dient de bekwaamheid en de titels te hebben die in zijn land vereist zijn voor het leiden van een onderwijsinstelling waarvan het einddiploma toegang geeft tot de universiteit. Hij is verantwoording schuldig aan de Raad van Bestuur.

TITEL

III

VERTEGENWOORDIGING VAN HET PERSONEEL

Artikel

22

Er wordt een Personeelscomité opgericht, bestaande uit gekozen vertegenwoordigers van de leerkrachten en van het administratief en dienstpersoneel van elk van de Europese Scholen.

Het Comité werkt mee aan het goed functioneren van de Scholen door het personeel de gelegenheid tot inspraak te bieden.

De verkiezing en het functioneren van het Personeelscomité zijn vastgesteld in de bepalingen betreffende de rechtspositie van het onderwijzend en van het administratief en dienstpersoneel, bedoeld in artikel 12, punt 1.

Het Personeelscomité wijst jaarlijks uit de leerkrachten een lid en een plaatsvervangend lid aan in de Raad van Bestuur.

TITEL

IV

DE VERENIGING VAN OUDERS VAN LEERLINGEN

Artikel

23

Ter behartiging van de betrekkingen tussen de ouders van leerlingen en de Autoriteiten van de Scholen, erkent de Raad van Bestuur in elke school de representatieve Vereniging van de Ouders van leerlingen van de School.

De aldus erkende Vereniging wijst jaarlijks twee vertegenwoordigers aan voor het Dagelijks Bestuur van de betrokken School.

De gezamenlijke Verenigingen van de Scholen wijzen jaarlijks uit hun midden één lid en één plaatsvervangend lid aan die de Verenigingen vertegenwoordigen in de Raad van Bestuur.

TITEL

V

BEGROTING

Artikel

24

Het begrotingsjaar van de Scholen valt samen met het kalenderjaar.

Artikel

25

De begrotingsmiddelen van de Scholen bestaan uit:

  • 1.

    de bijdragen van de Lid-Staten, dat wil zeggen de doorbetaling van de bezoldigingen van de gedetacheerde of aangestelde leerkrachten en, in voorkomend geval, een door de Raad van Bestuur met eenparigheid van stemmen vastgestelde financiële bijdrage;

  • 2.

    de bijdrage van de Europese Gemeenschappen die dient om het verschil tussen het totale bedrag van de uitgaven van de Scholen en het totaal van de overige ontvangsten te dekken;

  • 3.

    de bijdragen van de niet-communautaire organisaties waarmee de Raad van Bestuur een overeenkomst heeft gesloten;

  • 4.

    de eigen ontvangsten van de Scholen, met name de schoolgelden welke door de Raad van Bestuur ten laste worden gebracht van de ouders van leerlingen;

  • 5.

    diverse ontvangsten.

De wijze waarop de bijdrage van de Europese Gemeenschappen ter beschikking wordt gesteld, wordt vastgelegd in een speciale overeenkomst tussen de Raad van Bestuur en de Commissie.

TITEL

VI

GESCHILLEN

Artikel

26

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bij uitsluiting bevoegd om uitspraak te doen in geschillen tussen de Verdragsluitende Partijen inzake de uitlegging en toepassing van dit Verdrag waarvoor in de Raad van Bestuur geen oplossing kan worden gevonden.

Artikel

27

TITEL

VII

BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel

28

De Raad van Bestuur kan met eenparigheid van stemmen aangaande een bestaande of krachtens artikel 2 op te richten School deelnemingsovereenkomsten sluiten met elke publiekrechtelijke organisatie die uit hoofde van haar vestigingsplaats betrokken is bij het functioneren van deze School. Bedoelde organisaties kunnen door het sluiten van een dergelijke overeenkomst een zetel en een stem verkrijgen in de Raad van Bestuur voor alle aangelegenheden in verband met de betrokken School, indien de begroting van de School voor het grootste gedeelte uit hun financiële bijdrage kan worden gefinancierd. Tevens kunnen zij een zetel en een stem verkrijgen in het Dagelijks Bestuur van de betrokken School.

Artikel

29

De Raad van Bestuur kan met eenparigheid van stemmen eveneens andere overeenkomsten dan deelnemingsovereenkomsten sluiten met publiek- of privaatrechtelijke organisaties of instellingen die betrokken zijn bij het functioneren van een van de bestaande Scholen.

De Raad van Bestuur kan hun een zetel en een stem in het Dagelijks Bestuur van de betrokken School toekennen.

Artikel

30

De Raad van Bestuur kan met de Regering van het land waar een School is gevestigd, aanvullende overeenkomsten sluiten om ervoor te zorgen dat de school zo goed mogelijk functioneert.

Artikel

31

Artikel

32

Staten die lid worden van de Gemeenschap, moeten hun verzoek om toetreding tot dit Verdrag schriftelijk richten tot de Luxemburgse Regering, die elk van de Verdragsluitende Partijen hiervan in kennis stelt.

De toetreding gaat in op de eerste september volgende op de dag waarop de Akte van Toetreding bij de Luxemburgse Regering is nedergelegd.

Vanaf die dag wordt de samenstelling van de organen van de scholen dienovereenkomstig gewijzigd.

Artikel

33

Dit Verdrag wordt bekrachtigd door de Lid-Staten die Verdragsluitende Partijen zijn, overeenkomstig hun respectieve grondwettelijke bepalingen. Wat de Gemeenschappen betreft, wordt het verdrag gesloten overeenkomstig de oprichtingsverdragen. De akten van bekrachtiging en de akte van kennisgeving van het sluiten van dit Verdrag worden nedergelegd bij de Luxemburgse Regering, die depositaris is van het Statuut van de Europese School. Deze Regering stelt alle andere Verdragsluitende Partijen in kennis van deze nederlegging.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op de nederlegging van alle akten van bekrachtiging door de Lid-Staten, alsmede van de akte van kennisgeving van de sluiting door de Europese Gemeenschappen.

Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese en de Spaanse taal, zijnde alle negen teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de Luxemburgse Regering, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift toezendt aan elk van de andere Verdragsluitende Partijen.

Artikel

34

Dit Verdrag komt in de plaats van het Statuut van 12 april 1957 en het bijbehorende Protocol van 13 april 1962.

Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald blijft de Overeenkomst betreffende het Europese baccalaureaat van kracht.

Het op 15 december 1975 te Luxemburg ondertekende Aanvullend Protocol betreffende de School te München, dat is opgesteld onder verwijzing naar het Protocol van 13 april 1962, wordt door dit Verdrag onverlet gelaten.

Verwijzingen in van vóór dit Verdrag daterende besluiten betreffende de Europese Scholen moeten worden beschouwd als verwijzingen naar de overeenkomstige artikelen van dit Verdrag.

GEDAAN te Luxemburg, de eenentwintigste juni negentienhonderd vierennegentig.

Bijlage

I

Europese Scholen waarop het Statuut van toepassing is:

Europese School van Bergen

Europese School van Brussel I

Europese School van Brussel II

Europese School van Brussel III*)De Raad van Bestuur heeft op zijn bijeenkomst van 27/29 oktober 1992 besloten deze School op te richten.

Europese School van Culham

Europese School van Karlsruhe

Europese School van Luxemburg

Europese School van Mol

Europese School van München

Europese School van Varese

Bijlage

II

Talen waarin het basisonderwijs wordt gegeven:

de Deense taal

de Duitse taal

de Engelse taal

de Franse taal

de Griekse taal

de Italiaanse taal

de Nederlandse taal

de Portugese taal

de Spaanse taal