Artikel
1
Grondbeginselen
1
Beide Staten maken zich binnen hun rechtsmacht sterk voor de handhaving en bevordering van de democratie en de rechtsstaat en een democratisch gelegitimeerde en gecontroleerde overheid.
2
Beide Staten eerbiedigen, handhaven en bevorderen de fundamentele rechten en vrijheden van de mens in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (met Facultatief Protocol), het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake economische, sociale en culturele rechten en het Internationaal Verdrag van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.
3
De Regeringen van beide Staten bestrijden de misdaad, in het bijzonder de georganiseerde grensoverschrijdende misdaad die de rechtsorde in hun Staten kan bedreigen.
4
De Regeringen van beide Staten zetten zich binnen hun rechtsmacht in voor de rechtszekerheid alsmede voor economische groei en sociale rechtvaardigheid.