Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake de afvoer van het water van de Maas

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake de afvoer van het water van de Maas

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

het Vlaams Gewest,

hierna te noemen de Partijen,

Wensend een nadere regeling te treffen voor:

De wateraftappingen uit de Maas via de Zuid-Willemsvaart te Maastricht;

De vermindering van de waterverliezen van de Maas in geval van lage afvoeren;

De samenwerking bij het onderzoek en de ontwikkeling van de Gemeenschappelijke Maas;

en

De compensatie van de zoetwaterverliezen van de Kreekraksluizen;

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK

I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

1

Begripsomschrijvingen

In dit Verdrag wordt verstaan onder:

  • a.

    „bevoegde overheden”: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister die bevoegd is voor de Waterstaat, en wat het Vlaams Gewest betreft, de minister die bevoegd is voor de Openbare Werken;

  • b.

    „afvoer”: gemiddelde afvoer per etmaal;

  • c.

    „Maasafvoer”: de som van de afvoer van de Maas te Maastricht/St.-Pieter en het debiet in het Albertkanaal te Kanne;

  • d.

    „Gemeenschappelijke Maas”: de rivier de Maas tussen Borgharen/Smeermaas (grenspaal 106) en Stevensweert/Kessenich (grenspaal 126);

  • e.

    „Nederlands gebruik”: de voeding van de Zuid-Willemsvaart via Lozen en van het Julianakanaal; en

  • f.

    „Vlaams gebruik”: de voeding van het gedeelte van het Albertkanaal gelegen in het Vlaams Gewest en van de Kempense kanalen.

HOOFDSTUK

II

DE AFVOER VAN HET WATER VAN DE MAAS

Artikel

2

Wateraftappingen uit de Maas

Artikel

3

Vermindering van de waterverliezen van de Maas

Artikel

4

Onderzoek en ontwikkeling van de Gemeenschappelijke Maas

Artikel

5

Werkgroep Afvoerregulering Maas

HOOFDSTUK

III

BESLECHTING VAN GESCHILLEN

Artikel

6

Beslechting van geschillen

HOOFDSTUK

IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel

7

Buitenwerkingtreding van de eerdere regeling van de wateraftappingen uit de Maas

Voor de geldigheidsduur van dit Verdrag wordt de werking opgeschort van de artikelen 3, 4 en 5 van het Tractaat van 12 mei 1863 tot regeling der wateraftappingen uit de Maas, alsmede van de Verklaring, gehecht aan de Overeenkomst van 11 januari 1873 tot wijziging van dit Tractaat.

Artikel

8

Compensatie van de zoetwaterverliezen van de Kreekraksluizen

Voor de geldigheidsduur van dit Verdrag worden de bepalingen vervat in het tweede, derde en vierde lid van artikel 16 van het Verdrag van 13 mei 1963 betreffende de verbinding tussen de Schelde en de Rijn geacht te zijn vervangen door de in hoofdstuk II van dit Verdrag overeengekomen regelingen.

Artikel

9

Status van de bijlagen

De bijlagen vormen een geïntegreerd onderdeel van dit Verdrag.

Artikel

10

Wijziging

Door Partijen schriftelijk overeengekomen wijzigingen van dit Verdrag treden in werking op de dag waarop Partijen elkaar schriftelijk hebben meegedeeld dat aan de onderscheiden constitutionele vereisten is voldaan.

Artikel

11

Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop Partijen elkaar schriftelijk hebben meegedeeld dat aan de onderscheiden constitutionele vereisten is voldaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de vertegenwoordigers van de Regeringen der Partijen, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

OPGEMAAKT in Antwerpen, op 17 januari 1995, in twee originele exemplaren.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) H. A. F. M. O. VAN MIERLO

(w.g.) A. JORRITSMA-LEBBINK

Voor het Vlaams Gewest,

(w.g.) L. VAN DEN BRANDE

(w.g.) TH. KELCHTERMANS

Bijlage

A

Besparingsscenario bedoeld in artikel 3

1

Bij een Maasafvoer tussen 100 m3/s en 60 m3/s (aanloopfase) is het Nederlandse en het Vlaamse gebruik elk ten hoogste 25 m3/s.

2

Bij een Maasafvoer tussen 60 m3/s en 30 m3/s (alarmfase) verzekeren Partijen een minimale afvoer van 10 m3/s over de stuw te Borgharen. Partijen voeren in deze fase gelijkopgaande besparingen door op het in punt 1 bedoelde Nederlandse en Vlaamse gebruik.

3

Bij een Maasafvoer beneden 30 m3/s (crisisfase) verdelen Partijen deze afvoer door verdergaande gelijkopgaande besparingen op het Nederlandse en het Vlaamse gebruik gelijkelijk over het Nederlandse gebruik, het Vlaamse gebruik en de Gemeenschappelijke Maas. Ingeval op het grondgebied van één der Partijen een noodsituatie met betrekking tot de watervoorziening van of uit de Maas dreigt te ontstaan, vindt in de in artikel 5 bedoelde Werkgroep onverwijld overleg plaats over operationele maatregelen om de situatie te verbeteren.

4

Partijen brengen elkaar binnen één jaar na het inwerkingtreden van dit Verdrag hun draaiboek met de besparingsmaatregelen voor de alarmfase en de crisisfase ter kennis. Deze besparingsmaatregelen kunnen onder meer bestaan uit zuinig schutten, het afdichten van lekken in kunstwerken, het terugpompen van schutwater bij sluizen en het verminderen van de watertoevoer naar de land-, tuin- en bosbouw, naar de industrie en naar de waterleidingbedrijven door vermeerderd gebruik van spaarbekkens. Partijen brengen elkaar wijzigingen in het draaiboek zo spoedig mogelijk ter kennis.

Bijlage

B

Meetprogramma bedoeld in artikel 3

Partijen meten de afvoer ten minste ter hoogte van Kanne (Albertkanaal), Maastricht (Maas te St.-Pieter), Maastricht (Zuid-Willemsvaart aan de grens), Maastricht (Maas te Borgharen), Lommel (Kanaal Bocholt–Herentals), Lozen (Zuid-Willemsvaart aan de grens) en Bunde (Julianakanaal) continu met automatische apparatuur, die on-line informatie verschaft aan informatiecentra in Nederland en in het Vlaams Gewest. Voor zover niet anders bepaald, draagt elk der Partijen de kosten van de metingen die op haar grondgebied worden verricht. De bevoegde overheden kunnen het meetprogramma aan de voortschrijdende behoefte aanpassen.

Bijlage

C

Samenstelling en procedure van het gerecht bedoeld in artikel 6

1

Het in artikel 6 van dit Verdrag genoemde gerecht bestaat uit drie scheidsmannen, van wie elke Partij er één benoemt. De twee aldus gekozen scheidsmannen bereiken overeenstemming over de derde scheidsman. Deze derde scheidsman mag geen onderdaan zijn van, niet in dienst zijn van en niet zijn gewone verblijfplaats hebben in het Koninkrijk der Nederlanden of het Koninkrijk België. Elk van de Partijen wijst een scheidsman aan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de datum waarop één der Partijen van de andere Partij een diplomatieke nota heeft ontvangen waarin om een scheidsrechterlijke beslissing wordt verzocht. Over de derde scheidsman wordt binnen een volgende termijn van dertig dagen overeenstemming bereikt. Indien één der Partijen haar eigen scheidsman niet aanwijst binnen de termijn van dertig dagen of indien over de derde scheidsman niet binnen de genoemde termijn overeenstemming is bereikt, kan de President van het Internationale Gerechtshof door één der Partijen worden verzocht een scheidsman of scheidsmannen te benoemen.

2

Het gerecht regelt zijn eigen werkwijze.

3

Het gerecht beslist bij meerderheid van stemmen.

4

De kosten van het gerecht worden door beide Partijen, elk voor de helft, gedragen. Elke Partij draagt de kosten van zijn vertegenwoordiging in het geding.

5

Het gerecht kan in elke stand van het geding, na Partijen te hebben gehoord, de conservatoire maatregelen voorschrijven die het noodzakelijk acht, of reeds voorgeschreven conservatoire maatregelen intrekken. Zodanige maatregelen lopen niet vooruit op beslissingen in het geding zelf.