Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Israël inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Israël inzake wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Staat Israël

(hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen),

Overwegende dat strafbare feiten op het gebied van de douanewetten nadeel toebrengen aan de economische en fiscale belangen van hun onderscheiden landen, alsook aan de rechtmatige belangen van handel, nijverheid en landbouw,

Ervan overtuigd dat het voorkomen, onderzoeken en bestrijden van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten en het streven naar verzekering van nauwgezette inning van douanerechten en andere belastingen en heffingen op invoer of uitvoer doeltreffender worden als gevolg van samenwerking tussen hun douaneautoriteiten,

Gelet op de bestaande internationale instrumenten die betrekking hebben op het verlenen van wederzijdse bijstand in douanezaken, zoals de Aanbeveling van de Internationale Douaneraad van 5 december 1953 inzake wederzijdse administratieve bijstand,

Voornemens zijnd de wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken tussen de Verdragsluitende Partijen te intensiveren,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel

1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

  • a.

    wordt verstaan onder „douanewetten”: de wettelijke bepalingen, voorschriften of procedures inzake de in-, uit- en doorvoer van goederen, zowel die welke de douanerechten, belastingen of alle andere heffingen betreffen die worden geïnd door de douane-autoriteiten, als die welke financiële maatregelen betreffen die worden toegepast bij uitvoer, als die welke verboden, beperkingen of controlemaatregelen betreffen, met uitzondering evenwel van wetten inzake deviezenbeperkingen;

  • b.

    wordt verstaan onder „douaneautoriteiten”: wat de Staat Israël betreft, het Departement van Douane en BTW van het Ministerie van Financiën; wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: de centrale administratie die verantwoordelijk is voor de toepassing van de douanewetten;

  • c.

    wordt verstaan onder „strafbaar feit”: ieder strafbaar feit op het gebied van de douanewetten alsook iedere poging tot het begaan van een dergelijk strafbaar feit;

  • d.

    omvat de uitdrukking „inlichtingen” mede: rapporten, dossiers, documenten, documentatiemateriaal, en gewaarmerkte kopieën daarvan;

  • e.

    wordt verstaan onder „persoonsgegevens”: alle informatie met betrekking tot een geïdentificeerde of identificeerbare persoon.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Indien de douaneautoriteiten van de ene Verdragsluitende Partij om bijstand verzoeken die zij zelf, indien daarom verzocht door de andere Verdragsluitende Partij, niet zouden kunnen verlenen, wijzen zij daarop in hun verzoek. Het inwilligen van een dergelijk verzoek staat ter beoordeling van de aangezochte douaneautoriteiten.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

De douaneautoriteiten van de Verdragsluitende Partijen verstrekken elkaar op verzoek de inlichtingen die nodig zijn om te verzekeren dat:

  • a.

    goederen die in de ene Verdragsluitende Partij zijn ingevoerd op wettige wijze uit de andere Verdragsluitende Partij zijn uitgevoerd;

  • b.

    goederen die uit de ene Verdragsluitende Partij zijn uitgevoerd op wettige wijze in de andere Verdragsluitende Partij zijn ingevoerd;

  • c.

    goederen waaraan bij uitvoer uit de ene Verdragsluitende Partij een gunstige behandeling is toegekend, naar behoren in de andere Verdragsluitende Partij zijn ingevoerd, met dien verstande dat tevens inlichtingen worden verstrekt omtrent de aard van het douaneregime waaraan die goederen zijn onderworpen.

Artikel

9

Artikel

10

De douaneautoriteiten van de ene Verdragsluitende Partij houden, uit eigen beweging of op verzoek van de douaneautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij, binnen de grenzen van hun bevoegdheden en in de mate van het mogelijke, toezicht op:

  • a.

    het verkeer, in het bijzonder het betreden en verlaten van hun grondgebied, van personen die strafbare feiten op het gebied van de douanewetten van de andere Verdragsluitende Partij hebben begaan of van wie wordt vermoed dat zij dergelijke strafbare feiten hebben begaan;

  • b.

    voertuigen, schepen, luchtvaartuigen en andere vervoermiddelen die zijn gebruikt of waarvan wordt vermoed dat ze zijn gebruikt voor het begaan van strafbare feiten op het gebied van de douanewetten van de andere Verdragsluitende Partij, of waarvan wordt vermoed dat ze worden gebruikt voor het begaan van dergelijke strafbare feiten;

  • c.

    de verplaatsingen van goederen ten aanzien waarvan door de douaneautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij is gemeld dat het een omvangrijk ongeoorloofd verkeer naar hun grondgebied betreft;

  • d.

    plaatsen waar ongebruikelijke goederenvoorraden zijn aangelegd, die aanleiding geven tot de veronderstelling dat deze zullen worden gebruikt voor ongeoorloofde invoer in het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel

11

Op verzoek van de douaneautoriteiten van de ene Verdragsluitende Partij stellen de douaneautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij onderzoeken in naar alle handelingen die strafbare feiten vormen of waarvan in het algemeen kan worden verondersteld dat zij strafbare feiten vormen krachtens de douanewetten van zowel de verzoekende Verdragsluitende Partij als de aangezochte Verdragsluitende Partij. De douaneautoriteiten van de aangezochte Verdragsluitende Partij delen de resultaten van dit onderzoek mede aan de douaneautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel

12

De tot opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren van de douaneautoriteiten van de ene Verdragsluitende Partij kunnen, in bijzondere gevallen, met goedvinden van de andere Verdragsluitende Partij, op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij aanwezig zijn bij het onderzoek door ambtenaren van die Verdragsluitende Partij van strafbare feiten die voor de eerstbedoelde autoriteiten van belang zijn.

Artikel

13

Wanneer de douaneautoriteiten van de ene Verdragsluitende Partij zich, in de gevallen waarin artikel 12 van dit Verdrag voorziet, bevinden op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, dienen zij op verzoek te allen tijde hun ambtelijke hoedanigheid aan te tonen. Zij genieten wettelijke bescherming in overeenstemming met de nationale wetgeving van de laatstbedoelde Verdragsluitende Partij.

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Op verzoek van de douaneautoriteiten van de ene Verdragsluitende Partij doen de douaneautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij, in overeenstemming met de op hun grondgebied geldende wetten en voorschriften, aan de betrokken partij, rechtstreeks dan wel door tussenkomst van de bevoegde autoriteit, mededeling van alle maatregelen en beslissingen van de administratieve autoriteiten inzake de toepassing van de douanewetten.

Artikel

17

Op verzoek van de douaneautoriteiten van de ene Verdragsluitende Partij machtigen de douaneautoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij hun ambtenaren om ter zake van een strafbaar feit als getuige op te treden voor een rechtbank of gerecht in de aangezochte Verdragsluitende Partij.

Artikel

18

Met uitzondering van kosten die verbonden zijn aan het gebruik van de diensten van deskundigen of het optreden als getuige, wordt de verzoekende Verdragsluitende Partij niet verantwoordelijk gesteld voor de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van dit Verdrag. Indien voor de uitvoering van een verzoek echter aanzienlijke kosten van buitengewone aard vereist zijn of zullen zijn, zal de Verdragsluitende Partij die het verzoek doet, deze kosten dragen.

Artikel

19

Artikel

20

Wanneer persoonsgegevens worden verzonden vanuit of worden opgeslagen in een niet geautomatiseerd gegevensbestand, is artikel 19 van overeenkomstige toepassing.

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Artikel

24

De Partijen komen overeen bijeen te komen ten einde dit Verdrag te bezien, op verzoek of na het verstrijken van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding ervan, tenzij zij elkaar er schriftelijk van in kennis stellen dat zulks niet nodig is.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Oegstgeest op 21 mei 1996, welke datum overeenkomt met de derde dag van Sivan 5756, in drie originele exemplaren, in de Nederlandse, de Hebreeuwse en de Engelse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. In geval van verschil in uitlegging is de Engelse tekst doorslaggevend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) D. E. WITTEVEEN

Voor de Regering van de Staat Israël,

(w.g.) J. GAL

Bijlage

Grondbeginselen van gegevensbescherming

1

Persoonsgegevens die langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, dienen:

  • a.

    op eerlijke en rechtmatige wijze te worden verkregen en verwerkt;

  • b.

    te worden opgeslagen voor bepaalde en legitieme doeleinden, en niet te worden gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden;

  • c.

    toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden opgeslagen;

  • d.

    nauwkeurig te zijn en, zo nodig, te worden bijgewerkt;

  • e.

    te worden bewaard in een zodanige vorm dat de betrokkene hierdoor niet langer te identificeren is dan strikt noodzakelijk is voor het doel waarvoor de gegevens zijn opgeslagen.

2

Persoonsgegevens waaruit ras, politieke overtuiging, godsdienstige of andere levensbeschouwing blijken, alsmede die welke betrekking hebben op gezondheid of sexueel gedrag, mogen niet langs geautomatiseerde weg worden verwerkt, tenzij het interne recht passende waarborgen ter zake biedt. Hetzelfde geldt voor persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen.

3

Er dienen passende beveiligingsmaatregelen te worden getroffen om persoonsgegevens opgeslagen in geautomatiseerde bestanden te beschermen tegen toevallige of ongeoorloofde vernietiging, toevallig verlies en ongeoorloofde toegang, wijziging of verspreiding.

4

Een ieder dient in staat te worden gesteld:

  • a.

    kennis te nemen van het bestaan van een geautomatiseerd bestand met persoonsgegevens, de voornaamste doeleinden hiervan, alsmede de identiteit en de gewone verblijfplaats of hoofdvestiging van de houder van het bestand;

  • b.

    met redelijke tussenpozen en zonder overmatige vertraging of kosten uitsluitsel te verkrijgen over de vraag of persoonsgegevens over hem in het geautomatiseerde bestand zijn opgeslagen en die gegevens in begrijpelijke vorm medegedeeld te krijgen;

  • c.

    in voorkomend geval die gegevens te doen verbeteren of uitwissen, indien deze zijn verwerkt in strijd met de bepalingen van het interne recht ter uitvoering van de grondbeginselen vervat in de beginselen 1 en 2 van deze Bijlage;

  • d.

    over een rechtsmiddel te beschikken, indien geen gevolg wordt gegeven aan een verzoek om uitsluitsel of, al naargelang het geval, mededeling, verbetering of uitwissing van persoonsgegevens als bedoeld in de paragrafen b en c van dit beginsel.

5

6

Elke Verdragsluitende Partij verbindt zich passende sancties en rechtsmiddelen in te stellen ter zake van schending van bepalingen van het interne recht waarmede uitvoering wordt gegeven aan de grondbeginselen van gegevensbescherming, vervat in deze Bijlage.

7

Geen der bepalingen van deze Bijlage mag worden uitgelegd in de zin van een beperking of aantasting van de bevoegdheid van iedere Verdragsluitende Partij om aan betrokkenen een verdergaande bescherming te bieden dan in deze Bijlage is bepaald.