Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Hongarije betreffende samenwerking tussen opsporingsdiensten op het gebied van de bestrijding van internationale misdaad

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Hongarije betreffende samenwerking tussen opsporingsdiensten op het gebied van de bestrijding van internationale misdaad

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Republiek Hongarije, hierna te noemen: de Partijen;

Geleid door het streven om bij te dragen aan de ontwikkeling van hun bilaterale betrekkingen;

Overtuigd van het wezenlijk belang van samenwerking bij het voorkomen van en de bestrijding van internationale misdaad, in het bijzonder van de georganiseerde misdaad;

Gedreven door de wens om de samenwerking tussen opsporingsdiensten van beide landen te versterken door het wederzijds uitwisselen van inlichtingen in bepaalde gevallen alsmede door het aan elkaar verlenen van technische assistentie in het algemeen;

Zich bewust zijnde van hun verplichtingen onder het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, getekend te Rome op 4 november 1950, en de protocollen daarbij;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

In bijzondere gevallen mogen opsporingsdiensten, met inachtneming van hun eigen nationale wetgeving, zonder daartoe een verzoek te hebben ontvangen, de opsporingsdiensten van het andere land inlichtingen doen toekomen, die nuttig kunnen zijn voor dat land om een toekomstig misdrijf te voorkomen of ter afwending van gevaar voor de openbare orde en veiligheid.

Artikel

4

Artikel

5

Opsporingsdiensten van beide landen kunnen elkaar technische assistentie verlenen met het oogmerk om ernstige misdrijven te voorkomen of te bestrijden, in het bijzonder die welke een internationaal karakter hebben, door het uitwisselen van inlichtingen, onder andere betreffende ervaringen met onderzoeken en de toepassing van werkwijzen, het gebruik van technische apparatuur en de ontwikkeling van criminalistische technieken, resultaten van hun criminalistische en criminologisch onderzoekswerk.

Artikel

6

Daar waar de uitwisseling van inlichtingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, het doorgeven van persoonsgegevens betreft, dienen de bepalingen van het Verdrag van de Raad van Europa tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, getekend te Straatsburg op 28 januari 1981, en de grondbeginselen neergelegd in de aanbeveling nr. R (87) 15, die het gebruik van persoonsgegevens in het politieapparaat regelt en is aangenomen door het Comité van Ministers van de Raad van Europa op 17 september 1987, ten volle te worden gerespecteerd.

Artikel

7

Verzoeken en assistentie op grond van dit Verdrag kunnen worden geweigerd indien naar de mening van de Partij die het verzoek ontvangt, de uitvoering van het verzoek haar soevereiniteit, veiligheid of soortgelijke wezenlijke openbare belangen, met inbegrip van het rechtssysteem, zou schaden.

Artikel

8

De bepalingen van dit Verdrag laten de toepassing van verdragen inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken en wederzijdse bijstand in douane- en belastingzaken of van enig ander tussen hen geldend verdrag dat bepalingen betreffende een dergelijke samenwerking bevat, onverlet.

Artikel

9

De taal die gebruikt wordt in de contacten die tot uitvoering van dit Verdrag dienen, zal de Engelse taal zijn.

Artikel

10

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag uitsluitend voor het grondgebied van het Koninkrijk in Europa.

Artikel

11

GEDAAN te 's-Gravenhage, op 2 november 1998, in tweevoud in de Nederlandse en in de Hongaarse taal, waarbij beide talen gelijkelijk rechtsgeldig zijn.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) J. J. VAN AARTSEN

Voor de Regering van de Republiek Hongarije,

(w.g.) S. PINTÉR

VERKLARING

bij het Verdrag betreffende samenwerking tussen opsporingsdiensten op het gebied van de bestrijding van internationale misdaad, gesloten tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Hongarije.

Onder verwijzing naar artikel 1, tweede lid, verklaren Partijen dat zij voor het doel van dit Verdrag de volgende instanties als opsporingsdiensten beschouwen:

  • 1.

    voor de Republiek Hongarije:

    • a rendőrséget (politie),

    • a vám-és pénzügyőrséget (douane),

    • a határőrséget (grenspolitie);

  • 2.

    voor het Koninkrijk der Nederlanden:

    • Politie,

    • Belastingdienst/Douane,

    • Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst,

    • Koninklijke Marechaussee.