Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart

Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart

De Bondsrepubliek Duitsland

Het Koninkrijk België

De Franse Republiek

Het Groothertogdom Luxemburg

Het Koninkrijk der Nederlanden

De Zwitserse Bondsstaat

overwegende dat het voorkomen van afval alsmede de verzameling, afgifte en inname van afval ter verwerking en verwijdering vanwege de bescherming van het milieu, alsmede vanwege de veiligheid en gezondheid van scheepspersoneel en verkeersdeelnemers, voor de binnenvaart en de daarmee samenhangende bedrijfstakken een vereiste is en dat zij daartoe een versterkte bijdrage willen leveren,

in de overtuiging dat daartoe internationaal afgestemde, uniforme regelingen getroffen moeten worden, om concurrentievervalsing te voorkomen,

voorts ervan overtuigd dat de verzameling, afgifte, inname en verwijdering van scheepsafval op basis van het beginsel „de vervuiler betaalt” gefinancierd moet worden,

constaterende dat in het bijzonder de heffing van een internationaal uniform vastgestelde bijdrage, gebaseerd op de aan de binnenvaart verkochte hoeveelheid gasolie voor de inname en verwijdering van olie- en vethoudende scheepsbedrijfsafvalstoffen, het beginsel van douane- en belastingvrijdom in de Rijnoeverstaten en in België, zoals neergelegd in de Overeenkomst van 16 mei 1952 betreffende het douane- en belastingregime voor gasolie, die in de Rijnvaart als boordvoorraad wordt verbruikt, niet schendt,

wensende dat andere staten waarvan de voor de binnenvaart openstaande vaarwegen in verbinding staan met die van de Verdragsluitende Staten, toetreden tot dit Verdrag,

zijn het volgende overeengekomen:

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

1

Begripsbepalingen

In dit Verdrag wordt verstaan onder:

  • a)

    „scheepsafval”: de in de onderdelen b tot en met f nader bepaalde stoffen of voorwerpen, waarvan de bezitter zich ontdoet, wil ontdoen dan wel moet ontdoen;

  • b)

    „scheepsbedrijfsafval”: afval en afvalwater, dat bij het in bedrijf zijn en het onderhoud van het vaartuig aan boord ontstaat. Hieronder valt het olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en het overige scheepsbedrijfsafval;

  • c)

    „olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval”: afgewerkte olie, bilgewater, en overig olie- en vethoudend afval, zoals afgewerkt vet, gebruikte filters, gebruikte poetslappen, vaten en verpakkingsmateriaal van dit afval;

  • d)

    „bilgewater”: oliehoudend water uit de bilge van de machinekamer, de voor- en achterpiek, de kofferdammen en de ruimten tussen zijwand en beunwand;

  • e)

    „overig scheepsbedrijfsafval”: huishoudelijk afvalwater, huisvuil, zuiveringsslib, slops en klein gevaarlijk afval, bedoeld in Deel C van de Uitvoeringsregeling;

  • f)

    „afval van de lading”: afval en afvalwater, dat in verband met de lading aan boord van het schip ontstaat. Hiertoe behoren niet de restlading en overslagresten, bedoeld in Deel B van de Uitvoeringsregeling;

  • g)

    „schip”: een binnenschip, zeeschip of drijvend werktuig;

  • h)

    „passagiersschip”: een voor het vervoer van passagiers gebouwd en ingericht schip;

  • i)

    „zeeschip”: een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd;

  • j)

    „ontvangstinrichting”: een schip dan wel een inrichting aan land, door de bevoegde autoriteiten toegelaten voor het in ontvangst nemen van scheepsafval;

  • k)

    „schipper”: degene onder wiens leiding het schip staat;

  • l)

    „gemotoriseerd schip”: een schip waarvan de hoofd- of hulpmotoren, met uitzondering van ankerlieren, verbrandingsmotoren zijn;

  • m)

    „gasolie”: van douanerechten en andere belastingen vrijgestelde brandstof voor binnenschepen;

  • n)

    „bunkerbedrijf”: bedrijf waarvan schepen gasolie betrekken;

  • o)

    „exploitant van de overslaginstallatie”: degene die beroepsmatig het laden en lossen van schepen uitvoert;

  • p)

    „verlader”: degene die de vervoersopdracht heeft verleend;

  • q)

    „vervoerder”: degene die zich beroepsmatig tot het vervoer van goederen verbindt;

  • r)

    „ladingontvanger”: degene die gerechtigd is de goederen in ontvangst te nemen.

Artikel

2

Geografisch toepassingsgebied

Dit Verdrag is van toepassing op de in Bijlage 1 genoemde vaarwegen.

BIJZONDERE BEPALINGEN

VERPLICHTINGEN VAN DE STATEN

Artikel

3

Verbod tot inbrengen en lozen

Artikel

4

Ontvangstinrichtingen

Artikel

5

Grondslag van de financiering

De Verdragsluitende Staten voeren een uniforme financieringswijze in voor de inname en verwijdering van scheepsafval.

Artikel

6

Financiering van de inname en verwijdering van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval

Artikel

7

Financiering van de inname en verwijdering van overig scheepsbedrijfsafval

Artikel

8

Financiering van het nalossen, het wassen alsmede de inname en verwijdering van afval van de lading

Artikel

9

Nationaal instituut

Artikel

10

Internationale financiële verevening – Internationaal verevenings- en coördinatieorgaan

VERPLICHTINGEN EN RECHTEN VAN DE BETROKKENEN

Artikel

11

Algemene zorgplicht

De schipper, de overige bemanning en andere personen aan boord, de verlader, de vervoerder, de ladingontvanger, de exploitanten van overslaginstallaties, alsmede de exploitanten van ontvangstinrichtingen moeten de door de omstandigheden vereiste zorgvuldigheid betrachten om verontreiniging van de vaarwegen te voorkomen, de hoeveelheid scheepsafval zo gering mogelijk te houden en vermenging van verschillende afvalsoorten zo veel mogelijk te voorkomen.

Artikel

12

Verplichtingen en rechten van de schipper

Artikel

13

Verplichtingen van de vervoerder, de verlader en de ladingontvanger alsmede van de exploitanten van overslaginstallaties en ontvangstinrichtingen

CONFERENTIE DER VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN

Artikel

14

Organisatie en bevoegdheid

Artikel

15

Secretariaat

Ter uitvoering van dit Verdrag wordt het Secretariaat van de Conferentie der Verdragsluitende Partijen gevoerd door het Secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

SANCTIES

Artikel

16

Sancties

De Verdragsluitende Staten vervolgen de op hun grondgebied begane overtredingen van de in dit Verdrag en zijn Uitvoeringsregeling vastgelegde ge- en verboden overeenkomstig de desbetreffende nationale regelingen.

SLOTBEPALINGEN

Artikel

17

Ondertekening, bekrachtiging, toetreding

Artikel

18

Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de ondertekenende Staten. Het treedt voor elke andere Verdragsluitende Partij in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de nederlegging van de akte van toetreding door die Verdragsluitende Partij.

Artikel

19

Wijzigingen van het Verdrag en de bijlagen daarbij

Artikel

20

Opzegging

Artikel

21

Depositaris

Artikel

22

Talen

Dit Verdrag is opgesteld in een enkel origineel exemplaar in de Nederlandse, Duitse en Franse taal, zijnde elke tekst gelijkelijk authentiek.

TEN BLIJKE waarvan de hiertoe naar behoren gemachtigde ondertekenaars dit Verdrag hebben ondertekend,

GEDAAN te Straatsburg, op 9 september 1996.

Bijlage

1

Behorende bij het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart

Vaarwegen als bedoeld in artikel 2

Duitsland:

Alle voor het openbaar verkeer openstaande binnenvaarwegen.

België:

Alle voor de binnenvaart openstaande wateren.

Frankrijk:

Deel A van de Uitvoeringsregeling: Rijn, gekanaliseerde Moezel tot Metz (km 298,5).

Delen B en C van de Uitvoeringsregeling: Rijn, gekanaliseerde Moezel tot Neuves-Maisons (km 392,45), kanaal Niffer-Mulhouse, het kanaal tussen de sluis van Pont Malin (km 0,0) en de Frans-Belgische grens (km 36,561), het kanaal bestemd voor grote schepen, tussen de sluis van Pont Malin (km 0,0) en de sluis van Mardyck (km 143,075), het kanaal tussen Bauvin (km 0,0) en de Frans-Belgische grens (km 33,850).

Groothertogdom Luxemburg:

Moezel

Nederland:

Alle voor de binnenvaart openstaande wateren.

Zwitserland:

Rijn tussen Basel en Rheinfelden.

Bijlage

2

Behorende bij het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart

Uitvoeringsregeling

Uitvoeringsregeling

Deel A

Verzameling, afgifte en inname van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval.

Deel B

Verzameling, afgifte en inname van afval van de lading.

Deel C

Verzameling, afgifte en inname van overig scheepsbedrijfsafval.

Aanhangsels

I.

Model voor een olie-afgifteboekje.

II.

Eisen aan het nalenssysteem.

III.

Losstandaarden en afgifte- en innamevoorschriften voor het toestaan van lozing van waswater, regenwater en ballastwater met ladingrestanten.

IV.

Model voor een losverklaring.

V.

Grens- en controlewaarden voor boordzuiveringsinstallaties van passagiersschepen.

DEEL

A

VERZAMELING, AFGIFTE EN INNAME VAN OLIE- EN VETHOUDEND SCHEEPSBEDRIJFSAFVAL

HOOFDSTUK

I

VERPLICHTINGEN VAN DE ONTVANGSTINRICHTING

Artikel

1.01

Bevestiging van afgifte

De exploitanten van ontvangstinrichtingen tekenen de afgifte van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval door een schip aan in het olie-afgifteboekje, overeenkomstig het model in Aanhangsel I.

HOOFDSTUK

II

VERPLICHTINGEN VAN DE SCHIPPER

Artikel

2.01

Verbod van inbrenging en lozing

Artikel

2.02

Verzameling en behandeling aan boord

Artikel

2.03

Olie-afgifteboekje, afgifte aan ontvangstinrichtingen

HOOFDSTUK

III

ORGANISATIE EN FINANCIERING VAN DE VERWIJDERING VAN OLIE- EN VETHOUDEND SCHEEPSBEDRIJFSAFVAL

Artikel

3.01

Heffing van de verwijderingsbijdrage

Artikel

3.02

Nationaal instituut

Het nationale instituut heft de verwijderingsbijdrage en legt aan het internationale verevenings- en coördinatieorgaan voorstellen voor ter vaststelling van het vereiste nationale net van ontvangstinrichtingen. Het instituut heeft voorts in het bijzonder de taak, op internationaal eenvormige wijze, regelmatig de hoeveelheden verwijderd olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval, alsmede het totaal van de geheven verwijderingsbijdragen te registreren. Het nationale instituut of de op grond van nationale regelgeving bevoegde autoriteit ziet toe op de verwijderingskosten. Het nationale instituut is vertegenwoordigd in het internationale verevenings- en coördinatieorgaan en dient met name de door dit orgaan vastgestelde voorlopige en definitieve vereveningsbedragen op het daartoe vastgestelde tijdstip aan de andere nationale instituten af te dragen.

Artikel

3.03

Controle van de heffing van de verwijderingsbijdrage en van de kosten van inname en verwijdering

HOOFDSTUK

IV

INTERNATIONALE FINANCIËLE VEREVENING

Artikel

4.01

Internationaal verevenings- en coördinatieorgaan

Het internationale verevenings- en coördinatieorgaan komt eenmaal per jaar in het laatste kwartaal bijeen, om te besluiten over de financiële verevening van het voorafgaande jaar en, in voorkomend geval, de Conferentie der Verdragsluitende Partijen een voorstel te doen tot wijziging van de hoogte van de verwijderingsbijdrage dan wel tot een eventueel noodzakelijke aanpassing van het aanwezige net van ontvangstinrichtingen, met inachtneming van de behoeften van de scheepvaart en de economische doelmatigheid van de afvalverwijdering. Het kan op elk moment bijeenkomen indien de vertegenwoordigers van twee nationale instituten daarom verzoeken.

Artikel

4.02

Voorlopige financiële verevening

Artikel

4.03

Jaarlijkse financiële verevening

Artikel

4.04

Procedure van financiële verevening

DEEL

B

VERZAMELING, AFGIFTE EN INNAME VAN AFVAL VAN DE LADING

HOOFDSTUK

V

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

5.01

Begripsbepalingen

In dit deel wordt verstaan onder

  • a)

    „eenheidstransporten”: transporten waarbij tijdens opeenvolgende reizen in het laadruim of de ladingtank van het schip dezelfde lading of andere lading, waarvan het transport geen reiniging van het laadruim of de ladingtank vereist, wordt vervoerd;

  • b)

    „restlading”: vloeibare lading die na het lossen, zonder gebruikmaking van een nalenssysteem in de ladingtank en in het leidingsysteem achterblijft, alsmede droge lading die na het lossen zonder gebruikmaking van bezems, veegmachines of vacuümreinigers in het laadruim achterblijft;

  • c)

    „ladingrestanten”: vloeibare lading die niet door het nalenssysteem uit de ladingtank en het leidingsysteem verwijderd kan worden, alsmede droge lading die niet door gebruikmaking van veegmachines, bezems of vacuümreinigers uit het laadruim verwijderd kan worden;

  • d)

    „nalenssysteem”: systeem voor het zo volledig mogelijk legen van de ladingtanks en het leidingsysteem, overeenkomstig Aanhangsel II, waarbij slechts de niet lensbare ladingrestanten achterblijven;

  • e)

    „overslagresten”: lading die bij de overslag buiten het laadruim op het schip terechtkomt;

  • f)

    „bezemschoon laadruim”: laadruim waaruit de restlading is verwijderd met behulp van reinigingsapparaten, zoals bezems en veegmachines, doch zonder gebruikmaking van zuigende of spoelende apparaten, en waarin zich nog slechts ladingrestanten bevinden;

  • g)

    „nagelensde ladingtank”: ladingtank waaruit de restlading met behulp van een nalenssysteem is verwijderd en waarin zich nog slechts ladingrestanten bevinden;

  • h)

    „vacuümschoon laadruim”: laadruim waaruit de restlading door middel van afzuiging is verwijderd en waarin zich beduidend minder ladingrestanten bevinden dan in een bezemschoon laadruim;

  • i)

    „nalossen”: het verwijderen van restlading uit de laadruimen, ladingtanks en leidingsystemen met behulp van daartoe geschikte middelen (bijv. bezems, veegmachines, afzuiging, nalenssysteem), waardoor de losstandaard:

    • „bezemschoon laadruim” of

    • „vacuümschoon laadruim” of

    • „nagelensde ladingtank”

    wordt verkregen, alsmede het verwijderen van overslagresten en verpakkings- en stuwmateriaal;

  • j)

    „wassen”: het verwijderen van ladingrestanten uit een bezemschoon of een vacuümschoon laadruim dan wel uit een nagelensde ladingtank door middel van gebruik van stoom of water;

  • k)

    „wasschoon laadruim of wasschone ladingtank”: een laadruim of een ladingtank die na het wassen in beginsel voor elke soort lading geschikt is;

  • l)

    „waswater”: water dat gebruikt is bij het wassen van een bezemschoon of vacuümschoon laadruim dan wel een nagelensde ladingtank. Hiertoe wordt eveneens gerekend het ballastwater en regenwater dat uit deze laadruimen of ladingtanks komt.

Artikel

5.02

Verplichting van de Verdragsluitende Staten

De Verdragsluitende Staten verplichten zich ertoe om binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit Verdrag de infrastructurele en andere voorzieningen voor de afgifte en inname van restlading, overslagresten, ladingrestanten en waswater tot stand te brengen dan wel te laten brengen.

Artikel

5.03

Zeeschepen

Dit Deel B geldt niet voor het laden en lossen van zeeschepen in zeehavens aan zeetoegangswegen.

HOOFDSTUK

VI

VERPLICHTINGEN VAN DE SCHIPPER

Artikel

6.01

Verbod tot inbrengen en lozen

Artikel

6.02

Overgangsbepalingen

Artikel

6.03

Losverklaring

HOOFDSTUK

VII

VERPLICHTINGEN VAN DE VERVOERDER, DE VERLADER, DE LADINGONTVANGER EN DE EXPLOITANT VAN DE OVERSLAGINSTALLATIE

Artikel

7.01

Bevestiging van de inname

Artikel

7.02

Beschikbaarstelling van het schip

Artikel

7.03

Laden en lossen

Artikel

7.04

Oplevering van het schip

Artikel

7.05

Ladingrestanten en waswater

Artikel

7.06

Kosten

Artikel

7.07

Overeenkomst tussen de verlader en de ladingontvanger

Verlader en ladingontvanger kunnen onderling ook een verdeling van hun verplichtingen overeenkomen, die afwijkt van de in deze bijlage beschreven verdeling van verplichtingen, zonder dat dit gevolgen mag hebben voor de vervoerder.

Artikel

7.08

Overgang van rechten en verplichtingen van de verlader of de ladingontvanger op de exploitant van de overslaginstallatie

Indien de verlader of de ladingontvanger bij het laden of het lossen van het schip gebruik maakt van een overslaginstallatie, gaan de rechten en verplichtingen van de verlader of de ladingontvanger, zoals neergelegd in de artikelen 7.01, eerste lid, alsmede 7.03, 7.04 en 7.05, over op de exploitant van de overslaginstallatie. Met betrekking tot de kosten bedoeld in artikel 7.06 geldt dit slechts voor de verwijdering en inname van de overslagresten.

Artikel

7.09

Vervoersdocumenten

De verlader vermeldt in de vervoersovereenkomst en in de vervoersdocumenten de naam en het vier-cijferige nummer volgens Aanhangsel III van elke goederensoort die hij voor vervoer heeft aangeboden.

DEEL

C

VERZAMELING, AFGIFTE EN INNAME VAN OVERIG SCHEEPSBEDRIJFSAFVAL

HOOFDSTUK

VIII

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

8.01

Begripsbepalingen

In dit deel wordt verstaan onder:

  • a)

    „huishoudelijk afvalwater”: afvalwater uit keukens, eetruimten, wasruimten en bijkeukens, alsmede toiletwater;

  • b)

    „huisvuil”: organisch en anorganisch afval afkomstig uit het huishouden en van restaurants, echter zonder bestanddelen van het overig gedefinieerde scheepsbedrijfsafval;

  • c)

    „zuiveringsslib”: restanten, die bij gebruik van een zuiveringsinstallatie aan boord van het schip ontstaan;

  • d)

    „slops”: verpompbaar of niet verpompbaar mengsel bestaande uit ladingrestanten met waswaterrestanten, roest of slib;

  • e)

    „klein gevaarlijk afval”: scheepsbedrijfsafval, met uitzondering van het olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en de in de onderdelen a tot en met d genoemde afvalsoorten;

  • f)

    „hotelschip”: een passagiersschip met hutten voor de overnachting van passagiers.

Artikel

8.02

Verplichtingen van de Verdragsluitende Staten

HOOFDSTUK

IX

VERPLICHTINGEN VAN DE SCHIPPER

Artikel

9.01

Verbod tot inbrengen en lozen

Artikel

9.02

Afwijkingen van het lozingsverbod voor huishoudelijk afvalwater

De Verdragsluitende Staten kunnen voor schepen als bedoeld in artikel 9.01, derde lid, voor welke de nakoming van het lozingsverbod voor huishoudelijk afvalwater praktisch moeilijk uitvoerbaar is of onredelijk hoge kosten met zich meebrengt, een passend regime voor uitzonderingsmogelijkheden overeenkomen en de voorwaarden vastleggen waaronder deze uitzonderingen als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt.

Artikel

9.03

Verzameling en behandeling aan boord, afgifte aan ontvangstinrichtingen

HOOFDSTUK

X

VERPLICHTINGEN VAN DE EXPLOITANT VAN DE ONTVANGSTINRICHTING

Artikel

10.01

Inname door de ontvangstinrichtingen

Aanhangsel

I

Behorende bij de Uitvoeringsregeling

Model voor het olie-afgifteboekje

Olie-afgifteboekje

Bladzijde 1

Afgifte van het olie-afgifteboekje

Het eerste olie-afgifteboekje, daartoe op bladzijde 1 voorzien van het volgnummer 1, wordt slechts afgegeven door de autoriteit die het scheepsattest heeft afgegeven. Deze autoriteit vult tevens de gegevens op bladzijde 1 in.

Alle volgende olie-afgifteboekjes worden door een plaatselijke bevoegde autoriteit uitgegeven nadat deze daarop het aansluitende volgnummer heeft aangebracht. Ieder volgend olie-afgifteboekje mag echter slechts na overlegging van het vorige boekje worden afgegeven. Het vorige boekje wordt, nadat het op onuitwisbare wijze is voorzien van een aanduiding „ongeldig”, aan de schipper teruggegeven. Het moet na de laatste vermelding van een afgifte gedurende zes maanden aan boord worden bewaard.

Bladzijde 2

en volgende

Aanhangsel

II

Behorende bij de Uitvoeringsregeling (Artikel 5.01, onderdeel d)

Eisen aan het nalenssysteem

  • 1.

    Het nalenssysteem moet vast op het schip geïnstalleerd zijn.

  • 2.

    De walaansluiting van de laad- en losleiding, waarmee geladen of gelost wordt, moet voorzien zijn van een inrichting voor de afgifte van restlading overeenkomstig model 1.

  • 3.

    Het nalenssysteem moet voor de ingebruikname met water als beproevingsmiddel door een door de bevoegde autoriteiten toegelaten onderzoeksbureau worden beproefd. Beproeving en vaststelling van de resthoeveelheden moeten geschieden overeenkomstig model 2. Wordt het systeem later omgebouwd dan dient voor de hernieuwde ingebruikname dezelfde beproeving uitgevoerd te worden. De volgende resthoeveelheden mogen niet worden overschreden:

    • i.

      bij dubbelwandige schepen:

      • a.

        5 liter gemiddeld per ladingtank;

      • b.

        15 liter per pijpleidingsysteem;

    • ii.

      bij enkelwandige schepen:

      • a.

        20 liter gemiddeld per ladingtank;

      • b.

        15 liter per leidingsysteem.

De als uitkomst van de beproeving van het nalenssysteem vastgestelde resthoeveelheden moeten in het bewijs overeenkomstig model 3 worden vermeld. Dit bewijs moet aan boord van het schip worden meegevoerd.

Aanhangsel

II

Model 1

Inrichting voor de afgifte van resthoeveelheden

  • 1.

    Aansluiting voor de afgifte van resthoeveelheden. Aansluiting conform CEFIC.

  • 2.

    Aansluiting voor de walinstallatie om de resthoeveelheden door middel van gas aan land te persen. Aansluiting conform CEFIC.

Aanhangsel

II

Model 2

Beproeving van het nalenssysteem

  • 1.

    Voor de aanvang van de beproeving moeten de ladingtanks en de bijbehorende pijpleidingen schoon zijn. De ladingtanks moeten zonder risico betreden kunnen worden.

  • 2.

    Tijdens de beproeving mogen slagzij en trim van het schip niet boven de normale operationele waarden liggen.

  • 3.

    Tijdens de beproeving moet een tegendruk worden gegarandeerd van ten minste 300 kPa (3 bar) ter plaatse van de inrichting voor de afgifte aan de losleiding.

  • 4.

    De beproeving moet inhouden:

    • a)

      het met water vullen van de ladingtank totdat de zuigmond in de ladingtank onder water staat;

    • b)

      het leeg pompen en het met behulp van het nalenssysteem ledigen van de ladingtanks en de bijbehorende pijpleidingen;

    • c)

      het op de volgende plaatsen verzamelen van waterrestanten:

      • in de nabijheid van de zuigmond;

      • op de bodem van de ladingtank waarop water is achtergebleven;

      • op het laagste punt van de lospomp;

      • op alle laagste punten van de bijbehorende pijpleidingen tot aan de inrichting voor de afgifte.

  • 5.

    De hoeveelheid, overeenkomstig punt 4, onder c, verzameld water moet nauwkeurig worden vastgesteld en in de verklaring van de beproeving van het nalenssysteem overeenkomstig model 3 worden vermeld.

  • 6.

    De bevoegde autoriteit of het erkende classificatiebureau moet alle voor de beproeving vereiste operationele handelingen in de verklaring van de beproeving vastleggen. Deze verklaring moet ten minste de volgende gegevens bevatten:

    • trim van het schip tijdens de beproeving;

    • slagzij van het schip tijdens de beproeving;

    • volgorde waarin de ladingtanks gelost werden;

    • tegendruk aan de inrichting voor de afgifte;

    • resthoeveelheid per ladingtank;

    • resthoeveelheid per pijpleidingsysteem;

    • duur van het nalenzen;

    • ingevuld ladingtankplan.

Aanhangsel

II

Model 3

Verklaring inzake de beproeving van het nalenssysteem

Aanhangsel

III

behorende bij de Uitvoeringsregeling

Losstandaarden en afgifte-/innamevoorschriften met betrekking tot het geoorloofd lozen van waswater, regen- en ballastwater met ladingrestanten

Losstandaarden en afgifte-/innamevoorschriften met betrekking tot het geoorloofd lozen van waswater, regen- en ballastwater met ladingrestanten

Inleidende opmerking

Voor het lozen van waswater, regenwater of ballastwater met ladingrestanten uit laadruimen of ladingtanks die voldoen aan de gedefinieerde losstandaarden in artikel 5.01 van Deel B van de Uitvoeringsregeling, worden in de volgende tabel, afhankelijk van de soort lading en de losstandaard van de laadruimen en ladingtanks, de afgifte-/innamevoorschriften aangegeven. De kolommen in de tabel hebben de volgende betekenis:

  • 1.

    Kolom 1: vermeldt het goederennummer volgens NSTR (goederennaamlijst voor de vervoersstatistiek).

  • 2.

    Kolom 2: Aard van de goederen, omschrijving volgens NSTR.

  • 3.

    Kolom 3: Lozing van waswater, regenwater of ballastwater in het water toegestaan, mits voor het wassen is voldaan aan de voorgeschreven losstandaard, te weten

    • A: bezemschoon of nagelensd in de laadruimen of ladingtanks

    • of

    • B: vacuümschoon in de laadruimen.

  • 4.

    Kolom 4: Afgifte van waswater, regenwater of ballastwater ter lozing op de riolering door middel van de daartoe bestemde aansluitingen, mits voor het wassen is voldaan aan de per geval voorgeschreven losstandaard, te weten

    • A: bezemschoon of nagelensd in de laadruimen of ladingtanks

    • of

    • B: vacuümschoon in de laadruimen.

  • 5.

    Kolom 5: Afgifte van waswater, regenwater of ballastwater aan ontvangstinrichtingen voor bijzondere behandeling S. De behandelwijze hangt af van de aard van de soort lading, bijv. over de opgeslagen lading spuiten, afvoeren naar een zuiveringsinstallatie, verwerking in een installatie voor afvalwater.

  • 6.

    Kolom 6: Verwijzingen naar opmerkingen in de voetnoten.

Verdere aanwijzingen voor de toepassing van de tabel.

  • a)

    Indien de laadruimen of ladingtanks niet voldoen aan de voorgeschreven losstandaard A of B, is afgifte voor bijzondere behandeling S verplicht.

  • b)

    Betreft het ladingrestanten van verschillende goederen dan is het goed met het strengste afgifte-/innamevoorschrift in de tabel voor de verwijdering bepalend.

  • c)

    Bij vervoer van stukgoed zoals bijv. voertuigen, containers, grootverpakkingsmateriaal, verpakte goederen, goederen op pallets, wordt het afgifte-/innamevoorschrift bepaald door de hierin aanwezige losse of vloeibare goederen die als gevolg van beschadigingen of lekkages zijn vrijgekomen.

  • d)

    Regenwater en ballastwater uit wasschone laadruimen en ladingtanks mag in het water geloosd worden.

  • e)

    Waswater van bezemschone gangboorden en van andere licht vervuilde oppervlakken bijv. luiken, dekken etc. mag in het water geloosd worden.

Aanhangsel

IV

De Uitvoeringsregeling

Model Losverklaring

Model Losverklaring

Aanhangsel

V

behorende bij de Uitvoeringsregeling

Grens- en controlewaarden voor zuiveringsinstallaties aan boord van passagiersschepen

Zuiveringsinstallaties aan boord van passagiersschepen moeten ten minste aan de volgende eisen voldoen:

  • 1.

    Bij de typekeuring moet aan de volgende grenswaarden worden voldaan:

    biochemisch zuurstofverbruik (BZV5)

    25 mg/l

    24-uurs mengproef, gehomogeniseerd

    ISO N5815 van 1981

    40 mg/l

    Steekproef, gehomogeniseerd

    chemisch zuurstofverbruik (CZV)

    125 mg/l

    24-uurs mengproef, gehomogeniseerd

    ISO N6060 van 1986

    180 mg/l

    steekproef, gehomogeniseerd

    De Verdragsluitende Staten kunnen gelijkwaardige methodes gebruiken.

  • 2.

    Bij in gebruik zijnde installaties moet aan de volgende controlewaarden worden voldaan:

    biochemisch zuurstofverbruik (BZV5)

    ISO N5815 van 1981

    40 mg/l

    steekproef, gehomogeniseerd

    chemisch zuurstofverbruik (CZV)

    ISO N6060 van 1986

    180 mg/l

    steekproef, gehomogeniseerd

    De Verdragsluitende Staten kunnen gelijkwaardige methodes gebruiken. Bij de steekproef moet voldaan worden aan de waarde.

  • 3.

    Mechanisch-chemische methodes waarbij gebruik wordt gemaakt van chloorhoudende middelen zijn niet toegestaan.

  • 4.

    Voor de opslag en het koelen van het zuiveringsslib dienen toereikende voorzorgsmaatregelen te worden getroffen.