Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid

Convention concerning the prohibition and immediate action for the elimination of the worst forms of child labour

The General Conference of the International Labour Organization,

Having been convened at Geneva by the Governing Body of the International Labour Office, and having met in its 87th Session on 1 June 1999, and

Considering the need to adopt new instruments for the prohibition and elimination of the worst forms of child labour, as the main priority for national and international action, including international cooperation and assistance, to complement the Convention and the Recommendation concerning Minimum Age for Admission to Employment, 1973, which remain fundamental instruments on child labour, and

Considering that the effective elimination of the worst forms of child labour requires immediate and comprehensive action, taking into account the importance of free basic education and the need to remove the children concerned from all such work and to provide for their rehabilitation and social integration while addressing the needs of their families, and

Recalling the resolution concerning the elimination of child labour adopted by the International Labour Conference at its 83rd Session in 1996, and

Recognizing that child labour is to a great extent caused by poverty and that the long-term solution lies in sustained economic growth leading to social progress, in particular poverty alleviation and universal education, and

Recalling the Convention on the Rights of the Child adopted by the United Nations General Assembly on 20 November 1989, and

Recalling the ILO Declaration on Fundamental Principles and Rights at Work and its Follow-up, adopted by the International Labour Conference at its 86th Session in 1998, and

Recalling that some of the worst forms of child labour are covered by other international instruments, in particular the Forced Labour Convention, 1930, and the United Nations Supplementary Convention on the Abolition of Slavery, the Slave Trade, and Institutions and Practices Similar to Slavery, 1956, and

Having decided upon the adoption of certain proposals with regard to child labour, which is the fourth item on the agenda of the session, and

Having determined that these proposals shall take the form of an international Convention;

adopts this seventeenth day of June of the year one thousand nine hundred and ninety-nine the following Convention, which may be cited as the Worst Forms of Child Labour Convention, 1999.

Article

1

Each Member which ratifies this Convention shall take immediate and effective measures to secure the prohibition and elimination of the worst forms of child labour as a matter of urgency.

Article

2

For the purposes of this Convention, the term “child" shall apply to all persons under the age of 18.

Article

3

For the purposes of this Convention, the term “the worst forms of child labour” comprises:

  • a)

    all forms of slavery or practices similar to slavery, such as the sale and trafficking of children, debt bondage and serfdom and forced or compulsory labour, including forced or compulsory recruitment of children for use in armed conflict;

  • b)

    the use, procuring or offering of a child for prostitution, for the production of pornography or for pornographic performances;

  • c)

    the use, procuring or offering of a child for illicit activities, in particular for the production and trafficking of drugs as defined in the relevant international treaties;

  • d)

    work which, by its nature or the circumstances in which it is carried out, is likely to harm the health, safety or morals of children.

Article

4

Article

5

Each Member shall, after consultation with employers' and workers' organizations, establish or designate appropriate mechanisms to monitor the implementation of the provisions giving effect to this Convention.

Article

6

Article

7

Article

8

Members shall take appropriate steps to assist one another in giving effect to the provisions of this Convention through enhanced international cooperation and/or assistance including support for social and economic development, poverty eradication programmes and universal education.

Article

9

The formal ratifications of this Convention shall be communicated to the Director-General of the International Labour Office for registration.

Article

10

Article

11

Article

12

Article

13

The Director-General of the International Labour Office shall communicate to the Secretary-General of the United Nations, for registration in accordance with article 102 of the Charter of the United Nations, full particulars of all ratifications and acts of denunciation registered by the Director-General in accordance with the provisions of the preceding Articles.

Article

14

At such times as it may consider necessary, the Governing Body of the International Labour Office shall present to the General Conference a report on the working of this Convention and shall examine the desirability of placing on the agenda of the Conference the question of its revision in whole or in part.

Article

15

Article

16

The English and French versions of the text of this Convention are equally authoritative.

The foregoing is the authentic text of the Convention unanimously adopted by the General Conference of the International Labour Organization during its Eighty-seventh Session which was held at Geneva and declared closed on 17 June 1999.

IN FAITH WHEREOF we have appended our signatures this eighteenth day of June 1999.

The President of the Conference,

(sd.) ALHAJI MUHAMMAD MUMUNI

The Director-General of the International Labour Office,

(sd.) JUAN SOMAVIA

Verdrag betreffende het verbod op en de onmiddellijke actie voor de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid

De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,

Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen op 1 juni 1999 in haar zevenentachtigste zitting, en

Overwegend dat het noodzakelijk is om nieuwe akten aan te nemen die gericht zijn op het verbod op en de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid als belangrijkste prioriteit voor nationale en internationale actie, met inbegrip van internationale samenwerking en bijstand, ter aanvulling op het Verdrag en de Aanbeveling betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces, 1973, die fundamentele akten inzake kinderarbeid blijven; en

Overwegend dat de daadwerkelijke uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid onmiddellijke, veelomvattende actie vereist, waarbij rekening wordt gehouden met het belang van kosteloos basisonderwijs en de noodzaak de desbetreffende kinderen aan alle vormen van deze arbeid te onttrekken en in hun resocialisatie en maatschappelijke integratie te voorzien, met inaanmerkingneming van de behoeften van hun families; en

In herinnering brengend de resolutie betreffende de uitbanning van kinderarbeid aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in 1996 in haar drieëntachtigste zitting; en

Erkennend dat kinderarbeid voor een groot deel wordt veroorzaakt door armoede en dat de lange-termijnoplossing is gelegen in duurzame economische groei die leidt tot sociale vooruitgang, en in het bijzonder in verlichting van armoede en universeel onderwijs; en

Herinnerend aan het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 november 1989; en

Herinnerend aan de Verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie inzake fundamentele beginselen en rechten in verband met werk en haar follow-up, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in 1998 in haar zesentachtigste zitting; en

Herinnerend aan het feit dat een aantal van de ergste vormen van kinderarbeid wordt gedekt door andere internationale akten, in het bijzonder het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid, 1930, en het Aanvullend Verdrag van de Verenigde Naties inzake de afschaffing van de slavernij, de slavenhandel en met slavernij gelijk te stellen instellingen en praktijken, 1956; en

Besloten hebbend tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot kinderarbeid, welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de zitting voorkomt;

Vastgesteld hebbend dat deze voorstellen de vorm dienen te krijgen van een internationaal verdrag;

neemt heden, de zeventiende juni van het jaar negentienhonderd negenennegentig, het volgende verdrag aan, dat kan worden aangehaald als het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid, 1999.

Artikel

1

Elk Lid dat dit Verdrag bekrachtigt dient onmiddellijk doeltreffende maatregelen te nemen teneinde het verbod op en de uitbanning van de ergste vormen van kinderarbeid te waarborgen, en dat met grote spoed.

Artikel

2

Voor de toepassing van dit Verdrag heeft de uitdrukking „kind" betrekking op: alle personen onder de leeftijd van achttien jaar.

Artikel

3

Voor de toepassing van dit Verdrag omvat de uitdrukking „de ergste vormen van kinderarbeid”:

  • a.

    alle vormen van slavernij of met slavernij gelijk te stellen praktijken, zoals de verkoop van en de handel in kinderen, schuldhorigheid en lijfeigenschap, en gedwongen of verplichte arbeid, met inbegrip van gedwongen of verplichte recrutering van kinderen voor inzet in gewapende conflicten;

  • b.

    het gebruik, het aanwerven of aanbieden van een kind voor prostitutie, voor de productie van pornografie of voor pornografische voorstellingen;

  • c.

    het gebruik, het aanwerven of aanbieden van een kind voor illegale werkzaamheden, in het bijzonder voor de productie van en de handel in drugs zoals omschreven in de desbetreffende internationale verdragen;

  • d.

    werk dat door zijn aard of de omstandigheden waaronder het wordt verricht waarschijnlijk schadelijk is voor de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van kinderen.

Artikel

4

Artikel

5

Elk Lid stelt, na raadpleging van de werkgevers- en werknemersorganisaties, passende mechanismen in of wijst deze aan voor het toezicht op de tenuitvoerlegging van de bepalingen ter uitvoering van dit Verdrag.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

De Leden nemen passende maatregelen teneinde elkaar ter zijde te staan bij de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag door middel van verbeterde internationale samenwerking en/of bijstand, met inbegrip van steun voor sociale en economische ontwikkeling, programma's voor armoedebestrijding en universeel onderwijs.

Artikel

9

De formele bekrachtigingen van dit Verdrag worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem geregistreerd.

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau doet aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties mededeling, ter registratie in overeenstemming met artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, van de volledige bijzonderheden omtrent alle bekrachtigingen en opzeggingen die hij overeenkomstig de voorgaande artikelen heeft geregistreerd.

Artikel

14

De Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau brengt, telkens wanneer deze dit noodzakelijk acht, aan de Algemene Conferentie verslag uit over de toepassing van dit Verdrag en onderzoekt of het wenselijk is de gehele of gedeeltelijke herziening ervan op de agenda van de Conferentie te plaatsen.

Artikel

15

Artikel

16

De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.

De voorgaande tekst is de authentieke tekst van het Verdrag, met algemene stemmen aangenomen door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie tijdens haar zevenentachtigste zitting, welke werd gehouden te Genève en voor gesloten werd verklaard op 17 juni 1999.

TEN BLIJKE WAARVAN wij onze handtekeningen hebben geplaatst op de achttiende juni 1999.

De Voorzitter van de Conferentie,

(w.g.) ALHAJI MUHAMMAD MUMUNI

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau,

(w.g.) JUAN SOMAVIA