Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douane-administraties

Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douane-administraties

Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douane-administraties

De Hoge Overeenkomstsluitende Partijen, lidstaten van de Europese Unie,

Verwijzend naar de akte van de Raad van de Europese Unie van 18 december 1997,

Memorerend dat de verplichtingen in de overeenkomst inzake wederzijdse bijstand tussen de onderscheiden douane-administraties, ondertekend te Rome op 7 september 1967, moeten worden versterkt,

Overwegende dat de douane-administraties op het douanegebied van de Gemeenschap, met name op de plaats van binnenkomst en de plaats van vertrek, verantwoordelijk zijn voor de voorkoming, de opsporing en de bestrijding van inbreuken, niet alleen op communautaire regelingen, maar ook op nationale wetten, in het bijzonder in de gevallen als bedoeld in de artikelen 36 en 223 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Overwegende dat de zich steeds verder ontwikkelende illegale handel van allerlei aard een ernstige bedreiging van de volksgezondheid, openbare zedelijkheid en openbare veiligheid vormt,

Overwegende dat er regels moeten worden opgesteld voor de bijzondere samenwerkingsvormen die grensoverschrijdende acties meebrengen ter voorkoming, opsporing en bestrijding van bepaalde inbreuken op zowel de nationale wetgeving van de lidstaten als de communautaire douaneregelgeving; dat dergelijke grensoverschrijdende acties steeds moeten worden uitgevoerd met inachtneming van het legaliteitsbeginsel (dat wil zeggen overeenkomstig het toepasselijke recht van de aangezochte lidstaat en de richtsnoeren van de bevoegde autoriteiten van die lidstaat), het subsidiariteitsbeginsel (dergelijke acties mogen slechts worden gevoerd wanneer andere vormen van actie met minder verstrekkende gevolgen niet geschikt blijken te zijn) en het evenredigheidsbeginsel (bij de vaststelling van de omvang en de duur van de actie moet worden uitgegaan van de ernst van de vermoedelijke inbreuk);

Ervan overtuigd dat het noodzakelijk is om de samenwerking tussen douane-administraties te versterken door procedures vast te leggen in het kader waarvan douane-administraties gezamenlijk kunnen optreden en gegevens over illegale handelsactiviteiten kunnen uitwisselen;

Indachtig dat het tot de dagelijkse werkzaamheden van de douane-administraties behoort om zowel communautaire als nationale bepalingen toe te passen en dat er dientengevolge een onmiskenbare noodzaak bestaat om te garanderen dat de bepalingen betreffende wederzijdse bijstand en samenwerking in beide sectoren zich zoveel mogelijk parallel ontwikkelen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

TITEL

I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

1

Toepassingsgebied

Artikel

2

Bevoegdheden

De douane-administraties passen deze overeenkomst toe binnen de grenzen van de bevoegdheden die hen krachtens nationale bepalingen zijn toegekend. Niets in deze overeenkomst kan worden uitgelegd als een wijziging in de bevoegdheden die krachtens nationale bepalingen aan de douane-administraties in de zin van deze overeenkomst zijn toegekend.

Artikel

3

Verhouding tot de wederzijdse rechtshulp van de justitiële autoriteiten

Artikel

4

Definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

  • 1.

    „nationale douanevoorschriften”: de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat ter uitvoering waarvan de douane-administratie van deze lidstaat geheel of gedeeltelijk bevoegdheid bezit, met betrekking tot:

    • het grensoverschrijdende verkeer van goederen die zijn onderworpen aan verboden, beperkingen of controlemaatregelen, in het bijzonder de maatregelen als bedoeld in de artikelen 36 en 223 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

    • niet-geharmoniseerde accijnzen.

  • 2.

    „communautaire douanevoorschriften”:

    • alle bepalingen van communautaire aard en alle bepalingen voor de toepassing van de communautaire voorschriften in verband met de invoer, de uitvoer, de doorvoer en de aanwezigheid van goederen waarin wordt gehandeld tussen de lidstaten en derde landen alsmede tussen de lidstaten onderling voor wat betreft goederen die niet de status van communautaire goederen in de zin van artikel 9, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bezitten of die ter verkrijging van deze status aanvullende controles en onderzoeken dienen te ondergaan;

    • alle bepalingen die op communautair niveau zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de specifieke voorschriften die ten aanzien van door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen zijn vastgesteld;

    • alle bepalingen die op communautair niveau zijn vastgesteld ter zake van geharmoniseerde accijnzen en ter zake van BTW op de invoer, alsmede de nationale bepalingen tot uitvoering daarvan;

  • 3.

    „inbreuken”: handelingen in strijd met de nationale dan wel communautaire douanevoorschriften, welke mede omvatten:

    • de deelneming aan of de poging tot het begaan van dergelijke inbreuken;

    • de deelneming aan een criminele organisatie die dergelijke inbreuken begaat;

    • het witwassen van geld dat afkomstig is van de in dit punt vermelde inbreuken;

  • 4.

    „wederzijdse bijstand”: het verlenen van bijstand tussen douane-administraties als bepaald in deze overeenkomst;

  • 5.

    „verzoekende autoriteit”: de bevoegde autoriteit van de lidstaat die een verzoek om bijstand indient;

  • 6.

    „aangezochte autoriteit”: de bevoegde autoriteit van de lidstaat waaraan een verzoek om bijstand wordt gericht;

  • 7.

    „douane-administraties”: de douane-autoriteiten van de lidstaten, alsmede de andere autoriteiten die belast zijn met de toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst;

  • 8.

    „persoonsgegevens”: alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit;

  • 9.

    „grensoverschrijdende samenwerking”: samenwerking tussen douane-administraties met overschrijding van de grenzen van afzonderlijke lidstaten.

Artikel

5

Centrale coördinatiediensten

Artikel

6

Verbindingsfunctionarissen

Artikel

7

Legitimatieplicht

Behoudens andersluidende bepalingen in deze overeenkomst dienen de functionarissen van de verzoekende autoriteit die in een andere lidstaat aanwezig zijn om de uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten uit te oefenen, te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen overleggen waarin hun identiteit en hun officiële functie zijn aangegeven.

TITEL

II

BIJSTAND OP VERZOEK

Artikel

8

Beginselen

Artikel

9

Vorm en inhoud van de verzoeken om bijstand

Artikel

10

Verzoeken om inlichtingen

Artikel

11

Verzoeken tot uitoefening van toezicht

Op verzoek van de verzoekende autoriteit oefent de aangezochte autoriteit voor zover mogelijk bijzonder toezicht uit of laat zij voor zover mogelijk bijzonder toezicht uitoefenen op personen ten aanzien van wie ernstige vermoedens bestaan dat zij inbreuken op de communautaire of nationale douanevoorschriften begaan of hebben begaan of daartoe voorbereidingen hebben getroffen. Voorts oefent de aangezochte autoriteit op verzoek van de verzoekende autoriteit toezicht uit op plaatsen, vervoermiddelen en goederen die verband houden met activiteiten die een inbreuk zouden kunnen betekenen op deze douanevoorschriften.

Artikel

12

Verzoeken tot onderzoeken

Artikel

13

Kennisgeving

Artikel

14

Gebruik als bewijsmiddel

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de verzoekende autoriteit gevestigd is, kunnen de vaststellingen, bevindingen, informatie, documenten, voor eensluidend gewaarmerkte afschriften en overige documenten die, overeenkomstig hun nationaal recht, door functionarissen van de aangezochte autoriteit in de in de artikelen 10 tot en met 12 bedoelde gevallen van bijstand worden verkregen en aan de verzoekende autoriteit worden toegezonden, als bewijsmiddel gebruiken overeenkomstig de nationale wetgeving.

TITEL

III

BIJSTAND OP EIGEN INITIATIEF

Artikel

15

Beginsel

Zoals bepaald in de artikelen 16 en 17 en onder voorbehoud van eventuele beperkingen uit hoofde van de nationale wetgeving, verlenen de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat bijstand aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, ook wanneer deze laatste hierom niet vooraf hebben verzocht.

Artikel

16

Toezicht

Wanneer zulks dienstig is voor het voorkomen, opsporen en vervolgen van inbreuken in een andere lidstaat, gaan de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat als volgt te werk:

  • a.

    voor zover mogelijk oefenen zij het in artikel 11 omschreven bijzonder toezicht uit of laten zij dit uitoefenen;

  • b.

    zij doen de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten mededeling van de hun ter beschikking staande gegevens, met name rapporten en andere documenten of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, betreffende verrichtingen die samenhangen met een voorgenomen of reeds begane inbreuk.

Artikel

17

Inlichtingen op eigen initiatief

De bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat zenden de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten onverwijld alle relevante inlichtingen over voorgenomen of reeds begane inbreuken, in het bijzonder inlichtingen over de daarbij betrokken goederen en over nieuwe middelen en methoden die bij deze inbreuken worden gebruikt.

Artikel

18

Gebruik als bewijsmiddel

De door functionarissen van een lidstaat verkregen gegevens over toezicht en inlichtingen die aan een andere lidstaat worden doorgezonden in de gevallen van bijstand op eigen initiatief als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 17, kunnen door de bevoegde instanties van de ontvangende lidstaat overeenkomstig het nationale recht als bewijsmiddel worden gebruikt.

TITEL

IV

BIJZONDERE VORMEN VAN SAMENWERKING

Artikel

19

Beginselen

Artikel

20

Grensoverschrijdende achtervolging

Artikel

21

Grensoverschrijdende observatie

Artikel

22

Gecontroleerde aflevering

Artikel

23

Infiltratie

Artikel

24

Gemeenschappelijke bijzondere onderzoeksteams

TITEL

V

GEGEVENSBESCHERMING

Artikel

25

Gegevensbescherming bij gegevensuitwisseling

TITEL

VI

UITLEGGING VAN DE OVEREENKOMST

Artikel

26

Hof van Justitie

TITEL

VII

TOEPASSING EN SLOTBEPALINGEN

Artikel

27

Vertrouwelijkheid

De douane-administraties houden in elk afzonderlijk geval van informatie-uitwisseling rekening met de vereisten inzake de geheimhouding van het onderzoek. Te dien einde kan een lidstaat voorwaarden opleggen met betrekking tot het gebruik dat door een andere lidstaat wordt gemaakt van de informatie die hem zou kunnen worden verstrekt.

Artikel

28

Uitzonderingen op de verplichting tot bijstandsverlening

Artikel

29

Kosten

Artikel

30

Voorbehouden

Artikel

31

Territoriale toepassing

Artikel

32

Inwerkingtreding

Artikel

33

Toetreding

Artikel

34

Wijzigingen

Artikel

35

Depositaris

GEDAAN te Brussel, de achttiende december negentienhonderd zevenennegentig, in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, dat wordt neergelegd in het archief van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.

Bijlage

Aan de Overeenkomst te hechten en in het Publicatieblad bekend te maken verklaringen

1. Ad artikel 1, lid 1, en artikel 28

Onder verwijzing naar de uitzonderingen op de verplichting tot bijstandsverlening uit hoofde van artikel 28 van de overeenkomst verklaart Italië dat de uitvoering van verzoeken om wederzijdse bijstand, op basis van de overeenkomst, betreffende inbreuken die krachtens de Italiaanse wetgeving geen inbreuken op nationale of communautaire douanevoorschriften zijn, om redenen die verband houden met de verdeling van bevoegdheid tussen binnenlandse autoriteiten ter zake van preventie en vervolging van misdrijven, de openbare orde of andere wezenlijke nationale belangen kan schaden.

2. Ad artikel 1, lid 2, en artikel 3, lid 2

Denemarken en Finland verklaren dat zij de woorden „justitiële autoriteiten" en „justitiële autoriteit" in artikel 1, lid 2, respectievelijk artikel 3, lid 2, van de overeenkomst verstaan in de zin van hun verklaringen overeenkomstig artikel 24 van het op 20 april 1959 in Straatsburg ondertekende Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken.

3. Ad artikel 4, lid 3, tweede streepje

Denemarken verklaart dat naar zijn oordeel artikel 4, punt 3, tweede streepje, alleen van toepassing is op deelneming door een persoon aan het begaan door een groep personen, met een gemeenschappelijk doel, van een of meer van dergelijke inbreuken, met inbegrip van situaties waarbij de betrokkene geen deel neemt aan het feitelijke begaan van het/de betrokken strafbaar feit of strafbare feiten; een dergelijke deelneming moet gebaseerd zijn op kennis van het oogmerk en de algemene criminele activiteiten van de groep, of op kennis van het voornemen van de groep om de betrokken inbreuken te begaan.

4. Ad artikel 4, punt 3, derde streepje

Denemarken verklaart dat naar zijn oordeel artikel 4, punt 3, derde streepje, alleen van toepassing is op de met het witwassen van geld verband houdende basisdelicten ten aanzien waarvan heling van gestolen goederen te allen tijde strafbaar is naar Deens recht, namelijk krachtens artikel 191 A van het Deense strafwetboek betreffende heling van gestolen drugs en artikel 284 van het strafwetboek betreffende heling van goederen in samenhang met smokkel met bijzonder verzwarende omstandigheden.

5. Ad artikel 6, lid 4

Denemarken, Finland en Zweden verklaren dat de in artikel 6, lid 4, bedoelde verbindingsfunctionarissen ook de belangen van Noorwegen en IJsland kunnen behartigen, en vice versa. De vijf Noordse landen kennen sinds 1982 een regeling waarbij de gestationeerde verbindingsfunctionarissen van een van de betrokken landen tevens de andere Noordse landen vertegenwoordigen. Deze regeling werd getroffen om de strijd tegen de drugshandel te intensiveren en om de kosten van elk land afzonderlijk door het stationeren van verbindingsfunctionarissen te beperken. Denemarken, Finland en Zweden hechten er groot belang aan dat deze goed werkende regeling gehandhaafd blijft.

6. Ad artikel 20, lid 8

Denemarken verklaart het bepaalde in artikel 20 te aanvaarden, onder voorbehoud van de volgende voorwaarden:

In geval van een grensoverschrijdende achtervolging over zee of door de lucht, die door de douane-autoriteiten van een andere lidstaat, wordt uitgevoerd, mag een dergelijke achtervolging uitsluitend worden voortgezet op het Deense grondgebied, met inbegrip van de Deense territoriale wateren en het luchtruim boven het Deense grondgebied en de Deense territoriale wateren, wanneer de Deense autoriteiten daar tevoren van in kennis zijn gesteld.

7. Ad artikel 21, lid 5

Denemarken verklaart het bepaalde in artikel 21 te aanvaarden, onder voorbehoud van de volgende voorwaarden:

Grensoverschrijdende observatie zonder voorafgaande toestemming mag alleen worden uitgevoerd in overeenstemming met artikel 21, leden 2 en 3, wanneer er een ernstig vermoeden bestaat van betrokkenheid van de geobserveerde personen bij één van de in artikel 19, lid 2, genoemde inbreuken die aanleiding kunnen geven tot uitlevering.

8. Ad artikel 25, lid 2, onder i)

De lidstaten verbinden zich ertoe elkaar wederzijds in de Raad op de hoogte te brengen van de maatregelen die genomen zijn om de naleving van de onder i) bedoelde verbintenissen te waarborgen.

9. Verklaring afgelegd overeenkomstig artikel 26, lid 4

Bij de ondertekening van deze overeenkomst hebben

Ierland overeenkomstig artikel 26, lid 5, onder a),

de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, de Italiaanse Republiek en de Republiek Oostenrijk overeenkomstig artikel 26, lid 5, onder b),

verklaard de bevoegdheid van het Hof op de in artikel 26, lid 6, vastgestelde wijze te aanvaarden.

Verklaring

De Bondsrepubliek Duitsland, de Italiaanse Republiek en de Republiek Oostenrijk behouden zich het recht voor in hun interne wetgeving te bepalen dat, wanneer een vraag die betrekking heeft op de uitlegging van de overeenkomst inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douane-administraties aan de orde komt in een zaak die aanhangig is bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, deze instantie gehouden is zich tot het Hof van Justitie te wenden.