Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis
Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis
De Europese Unie,
De Europese Gemeenschap,
en
De Zwitserse Bondsstaat,
hierna de „overeenkomstsluitende partijen’’ te noemen,
Overwegende dat met de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam de Europese Unie zich ten doel stelt de Unie te handhaven en te ontwikkelen als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit,
Overwegende dat het in het kader van de Europese Unie opgenomen Schengenacquis deel uitmaakt van de bepalingen ter verwezenlijking van deze ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid voorzover deze bepalingen een ruimte zonder controles aan de binnengrenzen tot stand brengen en voorzien in compenserende maatregelen om een hoog veiligheidsniveau te waarborgen,
Gelet op de geografische positie van de Zwitserse Bondsstaat,
Overwegende dat een deelneming van de Zwitserse Bondsstaat aan het Schengenacquis en aan de verdere ontwikkeling daarvan het mogelijk zal maken bepaalde hinderpalen voor het vrije verkeer van personen als gevolg van de geografische positie van de Zwitserse Bondsstaat weg te nemen alsmede de samenwerking tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat op de door het Schengenacquis bestreken gebieden te versterken,
Overwegende dat bij de op 18 mei 1999 door de Raad van Europese Unie met de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst1)PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36. , deze beide staten werden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis,
Overwegende dat het wenselijk is de Zwitserse Bondsstaat op voet van gelijkheid met IJsland en Noorwegen te betrekken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis,
Overwegende dat het passend is tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat een overeenkomst te sluiten die soortgelijke rechten en verplichtingen bevat als die welke zijn overeengekomen tussen de Raad van de Europese Unie enerzijds en IJsland en Noorwegen anderzijds,
Ervan overtuigd dat het noodzakelijk is de samenwerking tussen de Europese Unie en de Zwitserse Bondsstaat met betrekking tot de uitvoering, de praktische toepassing en de verdere ontwikkeling van het Schengenacquis te organiseren,
Overwegende dat, om de Zwitserse Bondsstaat te betrekken bij de werkzaamheden van de Europese Unie op de door deze overeenkomst bestreken gebieden en om zijn deelneming aan deze werkzaamheden mogelijk te maken, een comité moet worden ingesteld volgens het institutionele model dat ook voor IJsland en Noorwegen werd ingevoerd,
Overwegende dat de Schengensamenwerking berust op de beginselen van vrijheid, democratie, rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, zoals die met name gewaarborgd worden door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950,
Overwegende dat de bepalingen van Titel IV van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap alsmede de besluiten die op grond van die titel zijn aangenomen, overeenkomstig het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat bij het Verdrag van Amsterdam aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, niet van toepassing zijn op het Koninkrijk Denemarken, en dat de besluiten tot uitwerking van het Schengenacquis uit hoofde van deze Titel die Denemarken in zijn nationale wetgeving heeft omgezet alleen verplichtingen volgens internationaal recht kunnen scheppen tussen Denemarken en de andere lidstaten,
Overwegende dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland alsmede Ierland overeenkomstig de besluiten uit hoofde van het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie, dat bij het Verdrag van Amsterdam aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht1)PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43 en PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20., deelnemen aan enkele bepalingen van het Schengenacquis,
Overwegende dat het noodzakelijk is ervoor te zorgen dat de staten die de Europese Unie heeft betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis dit acquis ook toepassen in hun onderlinge betrekkingen,
Overwegende dat het voor de goede werking van het Schengenacquis vereist is dat deze overeenkomst gelijktijdig wordt toegepast met de overeenkomsten tussen de verschillende partijen die betrokken zijn bij of deelnemen aan de uitvoering en de ontwikkeling van het Schengenacquis ter regeling van hun onderlinge betrekkingen,
Gelet op de Overeenkomst betreffende de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het acquis communautaire inzake de vaststelling van criteria en mechanismen om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat wordt ingediend en inzake de instelling van het Eurodac-systeem,
Overwegende dat er een verband bestaat tussen het Schengenacquis en dit acquis communautaire,
Overwegende dat dit verband vereist dat het Schengenacquis gelijktijdig wordt toegepast met het acquis communautaire inzake de vaststelling van criteria en mechanismen om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat wordt ingediend en inzake de instelling van het Eurodac-systeem,
Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:
Artikel
2
1
De in bijlage A bij deze overeenkomst genoemde bepalingen van het Schengenacquis worden, voorzover zij van toepassing zijn op de lidstaten van de Europese Unie („de lidstaten’’), door Zwitserland uitgevoerd en toegepast.
2
De in bijlage B bij deze overeenkomst genoemde bepalingen van de besluiten van de Europese Unie en de Europese Gemeenschap die overeenkomstige bepalingen van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen („de Schengenuitvoeringsovereenkomst’’) vervangen en/of ontwikkelen of die zijn aangenomen op grond van de Schengenuitvoeringsovereenkomst, worden door Zwitserland uitgevoerd en toegepast.
3
De besluiten en maatregelen die de Europese Unie en de Europese Gemeenschap aannemen tot wijziging of aanvulling van de in de bijlagen A en B genoemde bepalingen, en waarop de in deze overeenkomst vastgestelde procedures zijn toegepast, worden onverminderd het bepaalde in artikel 7 ook aanvaard, uitgevoerd en toegepast door Zwitserland.
Artikel
3
1
Er wordt een gemengd comité ingesteld, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de Zwitserse regering, de leden van de Raad van Europese Unie („de Raad’’) en de Commissie van de Europese Gemeenschappen („de Commissie’’).
3
Het gemengd comité komt bijeen op initiatief van zijn voorzitter/voorzitster of op verzoek van een van zijn leden.
4
Onder voorbehoud van artikel 4, lid 2, komt het gemengd comité naar gelang van de omstandigheden bijeen op het niveau van ministers, hoge ambtenaren of deskundigen.
5
Het voorzitterschap van het gemengd comité wordt uitgeoefend:
-
–
op het niveau van de deskundigen: door de vertegenwoordiger van de Europese Unie;
-
–
op het niveau van de hoge ambtenaren en ministers: afwisselend voor een periode van zes maanden door de vertegenwoordiger van de Europese Unie en door de vertegenwoordiger van de Zwitserse regering.
Artikel
4
1
Het gemengd comité behandelt overeenkomstig deze overeenkomst de in artikel 2 bedoelde aangelegenheden en zorgt ervoor dat met eventuele bezwaren van Zwitserland naar behoren rekening wordt gehouden.
2
De vertegenwoordigers van Zwitserland kunnen in het gemengd comité op ministerieel niveau:
-
–
de problemen die zij ondervinden met betrekking tot een bepaalde maatregel of een bepaald besluit uiteenzetten, of reageren op de problemen van andere delegaties;
-
–
zich uitspreken over alle vraagstukken betreffende de uitwerking of de uitvoering van bepalingen die op hen betrekking hebben.
3
De vergaderingen van het gemengd comité op ministerieel niveau worden voorbereid door het gemengd comité op het niveau van de hoge ambtenaren.
4
De vertegenwoordiger van de Zwitserse regering heeft het recht in het gemengd comité suggesties betreffende de in artikel 1 bedoelde aangelegenheden te doen. Na bespreking van die suggesties kan de Commissie of een lidstaat deze onderzoeken om overeenkomstig de regels van de Europese Unie een voorstel te doen of een initiatief te nemen met het oog op de aanneming van een besluit of maatregel van de Europese Gemeenschap of de Europese Unie.
Artikel
5
Onverminderd artikel 4 wordt het gemengd comité op de hoogte gehouden van de voorbereiding in de Raad van alle besluiten of maatregelen die voor deze overeenkomst van belang kunnen zijn.
Artikel
6
Bij het opstellen van nieuwe wetgeving op een onder deze overeenkomst vallend gebied, raadpleegt de Commissie informeel deskundigen van Zwitserland op dezelfde wijze als waarop zij deskundigen van de lidstaten raadpleegt voor het opstellen van haar voorstellen.
Artikel
7
Artikel
8
1
Ter verwezenlijking van het streven van de overeenkomstsluitende partijen om tot een zo uniform mogelijke toepassing en uitlegging van de in artikel 2 bedoelde bepalingen te komen, volgt het gemengd comité voortdurend de ontwikkeling van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen („het Hof van Justitie’’) alsmede de ontwikkeling van de jurisprudentie van de bevoegde rechterlijke instanties van Zwitserland betreffende deze bepalingen. Daartoe wordt een systeem ingesteld voor de regelmatige wederzijdse toezending van die jurisprudentie.
Artikel
9
1
Zwitserland brengt jaarlijks verslag uit aan het gemengd comité over de wijze waarop zijn administratieve autoriteiten en rechterlijke instanties de in artikel 2 bedoelde bepalingen, in voorkomend geval zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, hebben toegepast en uitgelegd.
2
Indien het gemengd comité binnen twee maanden nadat het in kennis is gesteld van een wezenlijk verschil tussen de jurisprudentie van het Hof van Justitie en die van de rechterlijke instanties van Zwitserland, of van een wezenlijk verschil in de toepassing van de in artikel 2 bedoelde bepalingen door de autoriteiten van de betrokken lidstaten en die van Zwitserland, er niet in is geslaagd de uniforme toepassing en uitlegging te verzekeren, wordt de procedure van artikel 10 toegepast.
Artikel
10
1
In geval van een geschil over de toepassing van deze overeenkomst of indien de in artikel 9, lid 2, bedoelde situatie ontstaat, wordt de aangelegenheid officieel als geschil op de agenda van het gemengd comité op ministerieel niveau geplaatst.
2
Het gemengd comité beschikt over negentig dagen, vanaf de datum van aanneming van de agenda waarop het geschil is geplaatst, om het geschil te regelen.
3
Indien het geschil niet binnen de in lid 2 bedoelde termijn van negentig dagen door het gemengd comité kan worden geregeld, wordt deze termijn verlengd met dertig dagen om tot een definitieve regeling te komen. Indien geen definitieve regeling wordt bereikt, wordt deze overeenkomst geacht te zijn beëindigd zes maanden na het verstrijken van de termijn van dertig dagen.
Artikel
11
1
Voor de administratieve kosten van de toepassing van deze overeenkomst draagt Zwitserland jaarlijks aan de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen een bedrag bij van 7,286% van 8 100 000 EUR, met dien verstande dat dit bedrag jaarlijks wordt aangepast overeenkomstig het inflatiepercentage voor de Europese Unie.
2
Voor de kosten van de ontwikkeling van het Schengeninformatiesysteem II draagt Zwitserland voor de betrokken begrotingsjaren jaarlijks bij aan de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig zijn bruto binnenlands product in verhouding tot het bruto binnenlands product van alle deelnemende landen, en dit vanaf het begrotingsjaar 2002.
De bijdrage voor de begrotingsjaren die aan de inwerkingtreding van deze overeenkomst voorafgaan, is verschuldigd op het ogenblik van de inwerkingtreding van de overeenkomst.
3
Wanneer de operationele kosten van de toepassing van deze overeenkomst niet ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen komen, maar rechtstreeks worden gedragen door de deelnemende lidstaten, draagt Zwitserland aan deze kosten bij overeenkomstig het percentage van zijn bruto binnenlands product in verhouding tot het bruto binnenlands product van alle deelnemende landen.
Indien de operationele kosten ten laste van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen komen, draagt Zwitserland jaarlijks aan deze begroting een bedrag bij dat overeenkomt met het percentage van zijn bruto binnenlands product in verhouding tot het bruto binnenlands product van alle deelnemende landen.
Artikel
12
1
Deze overeenkomst laat de overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en Zwitserland en die tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en Zwitserland anderzijds, onverlet.
2
Deze overeenkomst laat de overeenkomsten tussen Zwitserland enerzijds en een of meer lidstaten anderzijds onverlet, voorzover deze overeenkomsten met de onderhavige overeenkomst verenigbaar zijn. Zijn deze overeenkomsten niet verenigbaar met de onderhavige overeenkomst, dan prevaleert deze laatste.
3
Deze overeenkomst laat alle eventuele toekomstige overeenkomsten tussen de Europese Gemeenschap en Zwitserland of tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en Zwitserland anderzijds of de eventuele overeenkomsten op grond van de artikelen 24 en 38 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, onverlet.
Artikel
13
1
Zwitserland zal een overeenkomst met het Koninkrijk Denemarken sluiten inzake de totstandbrenging van rechten en verplichtingen tussen Denemarken en Zwitserland betreffende de in artikel 2 bedoelde bepalingen die onder Titel IV van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vallen en waarop bijgevolg het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat bij het Verdrag van Amsterdam aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, van toepassing is.
Artikel
14
1
Deze overeenkomst treedt in werking een maand na de dag waarop de secretaris-generaal van de Raad, die optreedt als depositaris, heeft vastgesteld dat alle formaliteiten zijn vervuld waarmee door of namens de overeenkomstsluitende partijen kenbaar wordt gemaakt dat zij ermee instemmen door deze overeenkomst gebonden te zijn.
Artikel
15
1
De in de bijlagen A en B bedoelde bepalingen en de bepalingen die reeds overeenkomstig artikel 2, lid 3, zijn aangenomen, worden door Zwitserland ten uitvoer gelegd op een datum die de Raad vaststelt met eenparigheid van stemmen van de leden die de regeringen vertegenwoordigen van de lidstaten die alle in de bijlagen A en B bedoelde bepalingen toepassen, na overleg in het gemengd comité, en nadat hij zich ervan heeft vergewist dat Zwitserland aan de voorwaarden voor de uitvoering van de relevante bepalingen voldoet en dat de controles aan zijn buitengrenzen doeltreffend zijn.
De leden van de Raad die de regeringen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vertegenwoordigen, nemen aan de aanneming van dit besluit deel voorzover het betrekking heeft op de bepalingen van het Schengenacquis en de daarop gebaseerde of daarmee samenhangende besluiten waaraan deze lidstaten deelnemen.
De leden van de Raad die de regeringen vertegenwoordigen van de lidstaten waarvoor overeenkomstig het Toetredingsverdrag slechts een deel van de in de bijlagen A en B bedoelde bepalingen van toepassing is, nemen aan de aanneming van dit besluit deel voorzover het betrekking heeft op de bepalingen van het Schengenacquis die reeds van toepassing zijn in deze lidstaten.
2
De toepassing van de in lid 1 bedoelde bepalingen schept rechten en verplichtingen tussen Zwitserland enerzijds en, naar gelang van het geval, de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de door die bepalingen gebonden lidstaten anderzijds.
3
Deze overeenkomst wordt slechts toegepast indien ook de overeenkomsten in de zin van artikel 13 worden toegepast.
4
Bovendien wordt deze overeenkomst slechts toegepast indien ook de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Zwitserland inzake de criteria en mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat of in Zwitserland wordt ingediend, wordt toegepast.
Artikel
16
2
De toetreding van Liechtenstein wordt opgenomen in een protocol bij deze overeenkomst, waarin de gevolgen van deze toetreding worden vastgesteld, met inbegrip van de totstandbrenging van rechten en verplichtingen tussen Liechtenstein en Zwitserland, alsmede tussen Liechtenstein enerzijds en de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de door de bepalingen van het Schengenacquis gebonden lidstaten anderzijds.
Artikel
17
Artikel
18
1
Deze overeenkomst is opgesteld in twee exemplaren in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze overeenkomst hebben geplaatst.
Gedaan te Luxemburg, de zesentwintigste oktober 2004.
Bijlage
A
artikel 2, lid 1
Deel 1 van deze bijlage heeft betrekking op het Akkoord van Schengen van 1985 en op de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van dit Akkoord. Deel 2 heeft betrekking op de toetredingsprotocollen en -overeenkomsten, en deel 3 op de relevante Schengenbesluiten en -verklaringen.
DEEL 1
De bepalingen van het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, van de Bondsrepubliek Duitsland en van de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.
Elk van de bepalingen van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985, met uitzondering van de volgende bepalingen:
Artikel 2, lid 4, betreffende goederencontroles
Artikel 4, voorzover het controles van bagage betreft
Artikel 10, lid 2
Artikel 19, lid 2
Artikelen 28 tot en met 38 en bijbehorende definities
Artikel 60
Artikel 70
Artikel 74
Artikelen 77 tot en met 91, voorzover Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens daarop betrekking heeft
Artikelen 120 tot en met 125 betreffende goederenverkeer
Artikelen 131 tot en met 133
Artikel 134
Artikelen 139 tot en met 142
Slotakte, verklaring 2
Slotakte, verklaringen 4, 5 en 6
Protocol
Gemeenschappelijke verklaring
Verklaring van de ministers en staatssecretarissen
DEEL 2
De bepalingen van de overeenkomsten en protocollen betreffende de toetreding tot het Schengenakkoord en de Schengenuitvoeringsovereenkomst die gesloten zijn met de Italiaanse Republiek (ondertekend te Parijs op 27 november 1990), het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek (ondertekend te Bonn op 25 juni 1991), de Helleense Republiek (ondertekend te Madrid op 6 november 1992), de Republiek Oostenrijk (ondertekend te Brussel op 28 april 1995) en het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (ondertekend te Luxemburg op 19 december 1996), met uitzondering van:
-
1.
Het op 27 november 1990 te Parijs ondertekende Protocol betreffende de toetreding van de regering van de Italiaanse Republiek tot het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.
-
2.
De volgende bepalingen van de op 27 november 1990 te Parijs ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van de Italiaanse Republiek tot de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, de slotakte ervan en de bijbehorende verklaringen:
Artikel 1
Artikelen 5 en 6
Slotakte, deel I
Slotakte, deel II, verklaringen 2 en 3
Verklaring van de ministers en staatssecretarissen
-
3.
Het op 25 juni 1991 te Bonn ondertekende Protocol betreffende de toetreding van de regering van het Koninkrijk Spanje tot het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, zoals gewijzigd bij het op 27 november 1990 te Parijs ondertekende Protocol betreffende de toetreding van de regering van de Italiaanse Republiek, en de bijbehorende verklaringen.
-
4.
De volgende bepalingen van de op 25 juni 1991 te Bonn ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje tot de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, waartoe de Italiaanse Republiek bij de op 27 november 1990 te Parijs ondertekende Overeenkomst is toegetreden, de slotakte ervan en de bijbehorende verklaringen:
Artikel 1
Artikelen 5 en 6
Slotakte, deel I
Slotakte, deel II, verklaringen 2 en 3
Slotakte, deel III, verklaringen 3 en 4
Verklaring van de ministers en staatssecretarissen
-
5.
Het op 25 juni 1991 te Bonn ondertekende Protocol betreffende de toetreding van de regering van de Portugese Republiek tot het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, zoals gewijzigd bij het op 27 november 1990 te Parijs ondertekende Protocol betreffende de toetreding van de regering van de Italiaanse Republiek, en de bijbehorende verklaringen.
-
6.
De volgende bepalingen van de op 25 juni 1991 te Bonn ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van de Portugese Republiek tot de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, waartoe de Italiaanse Republiek bij de op 27 november 1990 te Parijs ondertekende Overeenkomst is toegetreden, de slotakte ervan en de bijbehorende verklaringen:
Artikel 1
Artikelen 7 en 8
Slotakte, deel I
Slotakte, deel II, verklaringen 2 en 3
Slotakte, deel III, verklaringen 2, 3, 4 en 5
Verklaring van de ministers en staatssecretarissen
-
7.
Het op 6 november 1992 te Madrid ondertekende Protocol betreffende de toetreding van de regering van de Helleense Republiek tot het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, zoals gewijzigd bij het op 27 november 1990 te Parijs ondertekende Protocol betreffende de toetreding van de regering van de Italiaanse Republiek en bij de op 25 juni 1991 te Bonn ondertekende Protocollen betreffende de toetreding van de regeringen van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, en de bijbehorende verklaringen.
-
8.
De volgende bepalingen van de op 6 november 1992 te Madrid ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van de Helleense Republiek tot de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, waartoe de Italiaanse Republiek bij de op 27 november 1990 te Parijs ondertekende overeenkomst, en het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek bij de op 25 juni 1991 te Bonn ondertekende overeenkomsten zijn toegetreden, de slotakte ervan en de bijbehorende verklaringen:
Artikel 1
Artikelen 6 en 7
Slotakte, deel I
Slotakte, deel II, verklaringen 2, 3 en 4
Slotakte, deel III, verklaringen 1 en 3
Verklaring van de ministers en staatssecretarissen
-
9.
Het op 28 april 1995 te Brussel ondertekende Protocol betreffende de toetreding van de regering van de Republiek Oostenrijk tot het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, zoals gewijzigd bij de Protocollen van 27 november 1990, 25 juni 1991 en 6 november 1992 betreffende de toetreding van de regeringen van respectievelijk de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, en de Helleense Republiek.
-
10.
De volgende bepalingen van de op 28 april 1995 te Brussel ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, waartoe de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, en de Helleense Republiek bij de overeenkomsten van respectievelijk 27 november 1990, 25 juni 1991 en 6 november 1992 zijn toegetreden, en de slotakte ervan:
Artikel 1
Artikelen 5 en 6
Slotakte, deel I
Slotakte, deel II, verklaring 2
Slotakte, deel III
-
11.
Het op 19 december 1996 te Luxemburg ondertekende Protocol betreffende de toetreding van de regering van het Koninkrijk Denemarken tot het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, en de bijbehorende verklaring.
-
12.
De volgende bepalingen van de op 19 december 1996 te Luxemburg ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken tot de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, de slotakte ervan en de bijbehorende verklaring:
Artikel 1
Artikelen 7 en 8
Slotakte, deel I
Slotakte, deel II, verklaring 2
Slotakte, deel III
Verklaring van de ministers en staatssecretarissen
-
13.
Het op 19 december 1996 te Luxemburg ondertekende Protocol betreffende de toetreding van de regering van de Republiek Finland tot het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, en de bijbehorende verklaring.
-
14.
De volgende bepalingen van de op 19 december 1996 te Luxemburg ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van de Republiek Finland tot de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, de slotakte ervan en de bijbehorende verklaring:
Artikel 1
Artikelen 6 en 7
Slotakte, deel I
Slotakte, deel II, verklaring 2
Slotakte, deel III, met uitzondering van de verklaring betreffende de Ålandseilanden
Verklaring van de ministers en staatssecretarissen
-
15.
Het op 19 december 1996 te Luxemburg ondertekende Protocol betreffende de toetreding van de regering van het Koninkrijk Zweden tot het op 14 juni 1985 te Schengen ondertekende Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, en de bijbehorende verklaring.
-
16.
De volgende bepalingen van de op 19 december 1996 te Luxemburg ondertekende Overeenkomst betreffende de toetreding van het Koninkrijk Zweden tot de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, de slotakte ervan en de bijbehorende verklaring:
Artikel 1
Artikelen 6 en 7
Slotakte, deel I
Slotakte, deel II, verklaring 2
Slotakte, deel III
Verklaring van de ministers en staatssecretarissen
DEEL 3
-
A.
De volgende besluiten van het uitvoerend comité:
SCH/Com-ex (93) 10 14.12.1993
Bevestiging van de verklaringen van de ministers en staatssecretarissen d.d. 19.6.1992 en 30.6.1993 betreffende de inwerkingstelling
SCH/Com-ex (93) 14 14.12.1993
Verbetering van de praktijk inzake justitiële samenwerking op het gebied van de bestrijding van sluikhandel in verdovende middelen
SCH/Com-ex (93) 21 14.12.1993
Verlenging van het eenvormige visum
SCH/Com-ex (93) 24 14.12.1993
Gemeenschappelijke beginselen van annulering, intrekking en beperking van de geldigheidsduur van het eenvormige visum
SCH/Com-ex (94) 1, 2e herz. 26.4.1994
Aanpassingsmaatregelen met het oog op verwijdering van verkeershindernissen en opheffing van verkeersbeperkingen bij rijwegovergangen aan de binnengrenzen
SCH/Com-ex (94) 15 herz. 21.11.1994
Invoering van een geautomatiseerde procedure voor raadpleging van de centrale autoriteiten zoals voorzien in artikel 17, lid 2, van de overeenkomst
SCH/Com-ex (94) 16 herz. 21.11.1994
Aanschaf van de gemeenschappelijke in- en uitreisstempel
SCH/Com-ex (94) 17, 4e herz. 22.12.1994
Invoering en toepassing van de Schengenregeling op verkeersluchthavens en secundaire luchthavens
SCH/Com-ex (94) 25 22.12.1994
Uitwisseling van statistische gegevens betreffende visumafgifte
SCH/Com-ex (94) 28 herz. 22.12.1994
Verklaring voor het met zich meevoeren van verdovende middelen en psychotrope stoffen als bedoeld in artikel 75
SCH/Com-ex (94) 29, 2e herz. 22.12.1994
Inwerkingstelling van de Schengenovereenkomst van 19 juni 1990
SCH/Com-ex (95) PV 1 herz. (punt 8)
Gemeenschappelijk visumbeleid
SCH/Com-ex (95) 20, 2e herz. 20.12.1995
Goedkeuring van document SCH/I (95) 40 herz. 6 betreffende de procedure voor toepassing van artikel 2, lid 2, van de overeenkomst
SCH/Com-ex (95) 21 20.12.1995
Snelle uitwisseling tussen de Schengenstaten van statistische en concrete gegevens welke wijzen op een eventuele disfunctionaliteit aan de buitengrenzen
SCH/Com-ex (96) 13 herz. 27.6.1996
Afgifte van Schengenvisa op grond van artikel 30, lid 1, onder a, van de Schengenovereenkomst
CH/Com-ex (97) 39 herz. 15.12.1997
Leidraad voor bewijsmiddelen en indicaties in het kader van overnameovereenkomsten tussen de Schengenstaten
SCH/Com-ex (98) 1, 2e herz. 21.4.1998
Rapportage door de task force
SCH/Com-ex (98) 12 21.4.1998
Uitwisseling op lokaal niveau van statistische gegevens inzake visa-afgifte
SCH/Com-ex (98) 18 herz. 23.6.1998
Te nemen maatregelen ten aanzien van staten die problemen opleveren op het gebied van afgifte van documenten op grond waarvan verwijdering uit de Schengenruimte mogelijk wordt
OVERNAME – VISA
SCH/Com-ex (98) 19 23.6.1998
Monaco
VISA – BUITENGRENZEN – SIS
SCH/Com-ex (98) 21 23.6.1998
Afstempeling van het paspoort van visumaanvragers
VISA
SCH/Com-ex (98) 26 def. 16.9.1998
Oprichting van een permanente Schengencommissie
SCH/Com-ex (98) 29 herz. 23.6.1998
Bezemclausule met het oog op de toepassing van het gehele technische Schengenacquis
SCH/Com-ex (98) 35, 2e herz. 16.9.1998
Verstrekking van het Gemeenschappelijk Handboek aan de kandidaat-lidstaten van de Europese Unie
SCH/Com-ex (98) 37 def. 2 16.9.1998
Actieplan ter bestrijding van illegale immigratie
SCH/Com-ex (98) 51, 3e herz. 16.12.1998
Grensoverschrijdende politiële samenwerking op verzoek ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten
SCH/Com-ex (98) 52 16.12.1998
Leidraad voor grensoverschrijdende politiële samenwerking
SCH/Com-ex (98) 56 16.12.1998
Handboek met documenten waarin een visum kan worden aangebracht
SCH/Com-ex (98) 57 16.12.1998
Invoering van een geharmoniseerd formulier ter staving van een uitnodiging, een garantstellingsverklaring (-toezegging) of huisvestingsverklaring
SCH/Com-ex (98) 59 herz. 16.12.1998
Gecoördineerde inzet van documentenadviseurs
SCH/Com-ex (99) 1, 2e herz. 28.4.1999
Acquis verdovende middelen
SCH/Com-ex (99) 5 28.4.1999
Sirene-handboek
SCH/Com-ex (99) 6 28.4.1999
Acquis telecommunicatie
SCH/Com-ex (99) 7 herz. 2 28.4.1999
Verbindingsfunctionarissen
SCH/Com-ex (99) 8 herz. 2 28.4.1999
Betaling van informanten
SCH/Com-ex (99) 10 28.4.1999
Illegale wapenhandel
SCH/Com-ex (99) 13 28.4.1999
Intrekking van eerdere versies van het Gemeenschappelijk Handboek en van de Gemeenschappelijke Visuminstructie en goedkeuring van de nieuwe versies
SCH/Com-ex (99) 14 28.4.1999
Handboek met documenten waarin een visum kan worden aangebracht
SCH/Com-ex (99) 18 28.4.1999
Verbetering van de politiële samenwerking bij de voorkoming en opsporing van strafbare feiten
-
B.
De volgende verklaringen van het uitvoerend comité:
SCH/Com-ex (96) verkl. 5 18.4.1996
Definiëring van het begrip „vreemdeling’’
SCH/Com-ex (96) verkl. 6 herz. 2 26.6.1996
Verklaring inzake de uitlevering
SCH/Com-ex (97) verkl. 13 herz. 2 21.4.1996
Ontvoering van minderjarigen
-
C.
De volgende besluiten van de Centrale Groep:
SCH/C (98) 117 27.10.1998
Actieplan ter bestrijding van de illegale immigratie
SCH/C (99) 25 22.3.1999
Algemene beginselen voor de betaling van informanten en vertrouwenspersonen
Bijlage
B
artikel 2, lid 2
Zwitserland zal vanaf de door de Raad overeenkomstig artikel 15 vastgestelde datum de inhoud van de volgende besluiten toepassen.
Indien een overeenkomst of een protocol waarnaar in een hieronder met een asterisk aangegeven besluit wordt verwezen, op die datum nog niet in werking is getreden voor alle staten die op het ogenblik van de aanneming van het betrokken besluit lid van de Europese Unie zijn, zal Zwitserland de inhoud van de relevante bepalingen van deze instrumenten pas toepassen vanaf de datum waarop de betrokken overeenkomst of het betrokken protocol in werking treedt voor al deze lidstaten.
-
–
Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PB L 256 van 13.9.1991, blz. 51) en Aanbeveling 93/216/EEG van de Commissie van 25 februari 1993 betreffende de Europese vuurwapenpas (PB L 93 van 17.4.1993, blz. 39), zoals gewijzigd bij Aanbeveling 96/129/EG van de Commissie van 12 januari 1996 (PB L 30 van 8.2.1996, blz. 47)
-
–
Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel (PB L 164 van 14.7.1995, blz. 1), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 334/2002 van de Raad van 18 februari 2002 (PB L 53 van 23.2.2002, blz. 7); Besluit van de Commissie van 7 februari 1996 en Besluit van de Commissie van 3 juni 2002 betreffende de vaststelling van verdere technische specificaties voor het uniform visummodel (niet gepubliceerd)
-
–
Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31)
-
–
Akte van de Raad van 29 mei 2000 tot vaststelling, overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (bepalingen in de zin van artikel 2, lid 1, van de overeenkomst) (PB C 197 van 12.7.2000, blz. 1)*
-
–
Besluit 2000/586/JBZ van de Raad van 28 september 2000 tot vaststelling van een procedure voor de wijziging van artikel 40, leden 4 en 5, artikel 41, lid 7, en artikel 65, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB L 248 van 3.10.2000, blz. 1)
-
–
Besluit 2000/645/EG van de Raad van 17 oktober 2000 ter correctie van het Schengenacquis zoals vervat in Besluit SCH/Com-ex (94) 15 herz. van het Uitvoerend Comité van Schengen (PB L 272 van 25.10.2000, blz. 24)
-
–
Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1) zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2414/2001 van de Raad van 7 december 2001 (PB L 327 van 12.12.2001, blz. 1) en bij Verordening (EG) nr. 453/2003 van de Raad van 6 maart 2003 (PB L 69 van 13.3.2003, blz. 10)
-
–
Beschikking 2001/329/EG van de Raad van 24 april 2001 betreffende de bijwerking van deel VI en van de bijlagen 3, 6 en 13 van de Gemeenschappelijke Visuminstructie en van de bijlagen 5 a, 6 a en 8 van het Gemeenschappelijk Handboek (PB L 116 van 26.4.2001, blz. 32)
-
–
Verordening (EG) nr. 1091/2001 van de Raad van 28 mei 2001 inzake vrij verkeer met een visum voor verblijf van langere duur (PB L 150 van 6.6.2001, blz. 4)
-
–
Beschikking 2001/420/EG van de Raad van 28 mei 2001 inzake de aanpassing van de delen V en VI en van bijlage 13 van de Gemeenschappelijke Visuminstructie alsmede van bijlage 6 a van het Gemeenschappelijk Handboek voor de gevallen van visa voor verblijf van langere duur die tevens gelden als visa voor kort verblijf (PB L 150 van 6.6.2001, blz. 47)
-
–
Richtlijn 2001/40/EG van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen (PB L 149 van 2.6.2001, blz. 34) en Beschikking 2004/191/EG van de Raad van 23 februari 2004 tot vaststelling van de criteria en uitvoeringsvoorschriften voor de compensatie van de verstoringen van het financiële evenwicht die voortvloeien uit de toepassing van Richtlijn 2001/40/EG betreffende de onderlinge erkenning van besluiten inzake de verwijdering van onderdanen van derde landen (PB L 60 van 27.2.2004, blz. 55)
-
–
Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 (PB L 187 van 10.7.2001, blz. 45)
-
–
Akte van de Raad van 16 oktober 2001 tot vaststelling, overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, van het Protocol bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (bepaling in de zin van artikel 15 van het protocol) (PB C 326 van 21.11.2001, blz. 1)*
-
–
Verordening (EG) nr. 2424/2001 van de Raad van 6 december 2001 betreffende de ontwikkeling van een Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 328 van 13.12.2001, blz. 4)
-
–
Besluit 2001/886/JBZ van de Raad van 6 december 2001 betreffende de ontwikkeling van een Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 328 van 13.12.2001, blz. 1)
-
–
Beschikking 2002/44/EG van de Raad van 20 december 2001 tot wijziging van deel VII en bijlage 12 van de Gemeenschappelijke Visuminstructies, alsmede van bijlage 14 a van het Gemeenschappelijk Handboek (PB L 20 van 23.1.2002, blz. 5)
-
–
Verordening (EG) nr. 333/2002 van de Raad van 18 februari 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor een blad waarop een visum kan worden aangebracht dat door lidstaten wordt afgegeven aan houders van een reisdocument dat door de lidstaat die het blad opstelt niet wordt erkend (PB L 53 van 23.2.2002, blz. 4) en Besluit van de Commissie van 12 augustus 2002 betreffende de vaststelling van verdere technische specificaties voor het uniform model voor een blad waarop een visum kan worden aangebracht dat door lidstaten wordt afgegeven aan houders van een reisdocument dat door de lidstaat die het blad opstelt niet wordt erkend (niet gepubliceerd)
-
–
Beschikking 2002/352/EG van de Raad van 25 april 2002 betreffende de herziening van het Gemeenschappelijk Handboek (PB L 123 van 9.5.2002, blz. 47)
-
–
Beschikking 2002/354/EG van de Raad van 25 april 2002 inzake de aanpassing van deel III van de Gemeenschappelijke Visuminstructies en de invoering van een bijlage 16 (PB L 123 van 9.5.2002, blz. 50)
-
–
Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB L 157 van 15.6.2002, blz. 1) en Besluit van de Commissie van 14 augustus 2002 tot vaststelling van de technische specificaties voor het uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (niet gepubliceerd)
-
–
Beschikking 2002/585/EG van de Raad van 12 juli 2002 betreffende de aanpassing van deel III en deel VIII van de gemeenschappelijke instructies (PB L 187 van 16.7.2002, blz. 44)
-
–
Beschikking 2002/586/EG van de Raad van 12 juli 2002 betreffende de aanpassing van deel VI van de Gemeenschappelijke Visuminstructies (PB L 187 van 16.7.2002, blz. 48)
-
–
Beschikking 2002/587/EG van de Raad van 12 juli 2002 betreffende de herziening van het Gemeenschappelijk Handboek (PB L 187 van 16.7.2002, blz. 50)
-
–
Kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad van 28 november 2002 tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 1)
-
–
Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB L 328 van 5.12.2002, blz. 17)
-
–
Verordening (EG) nr. 415/2003 van de Raad van 27 februari 2003 betreffende de afgifte van visa aan de grens, inclusief aan transiterende zeelieden (PB L 64 van 7.3.2003, blz. 1)
-
–
De bepalingen van de overeenkomst van 1995 aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB C 78 van 30.3.1995, blz. 2) en van de overeenkomst van 1996 betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB C 313 van 23.10.1996, blz. 12) waarnaar wordt verwezen in Besluit 2003/169/JBZ van de Raad van 27 februari 2003 tot vaststelling van de bepalingen van de overeenkomst van 1995 aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, en van de overeenkomst van 1996 betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie, die een ontwikkeling inhouden van het Schengenacquis in de zin van de overeenkomst inzake de wijze waarop de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen worden betrokken bij de toepassing, de uitvoering en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 67 van 12.3.2003, blz. 25)*
-
–
Besluit 2003/170/JBZ van de Raad van 27 februari 2003 betreffende het gezamenlijk gebruik van verbindingsofficieren die gedetacheerd zijn door de rechtshandhavende autoriteiten van de lidstaten (met uitzondering van artikel 8) (PB L 67 van 12.3.2003, blz. 27)
-
–
Verordening (EG) nr. 693/2003 van de Raad van 14 april 2003 tot invoering van een specifiek doorreisfaciliteringsdocument (FTD) en een doorreisfaciliteringsdocument voor treinreizigers (FRTD) en tot wijziging van de Gemeenschappelijke Visuminstructie en het Gemeenschappelijk Handboek (PB L 99 van 17.4.2003, blz. 8)
-
–
Verordening (EG) nr. 694/2003 van de Raad van 14 april 2003 betreffende uniforme modellen voor een doorreisfaciliteringsdocument (FTD) en een doorreisfaciliteringsdocument voor treinreizigers (FRTD) in de zin van Verordening (EG) nr. 693/2003 (PB L 99 van 17.4.2003, blz. 15)
-
–
Beschikking 2003/454/EG van de Raad van 13 juni 2003 houdende wijziging van bijlage 12 bij de Gemeenschappelijke Visuminstructies en van bijlage 14 a bij het Gemeenschappelijk Handboek (PB L 152 van 20.6.2003, blz. 82)
-
–
Verordening (EG) nr. 1295/2003 van de Raad van 15 juli 2003 inzake maatregelen ter vergemakkelijking van de procedures voor de aanvraag en afgifte van visa voor de leden van de olympische familie die deelnemen aan de Olympische Spelen of de Paralympische Spelen van 2004 in Athene (PB L 183 van 22.7.2003, blz. 1)
-
–
Beschikking 2003/585/EG van de Raad van 28 juli 2003 houdende wijziging van bijlage 2, overzicht A, van de Gemeenschappelijke Visuminstructies en van bijlage 5, overzicht A, van het Gemeenschappelijk Handboek betreffende de visumplicht voor houders van Pakistaanse diplomatieke paspoorten (PB L 198 van 6.8.2003, blz. 13)
-
–
Beschikking 2003/586/EG van de Raad van 28 juli 2003 houdende wijziging van bijlage 3, deel I, van de Gemeenschappelijke Visuminstructies en van bijlage 5 a, deel 1, van het Gemeenschappelijk Handboek betreffende onderdanen van derde landen die aan de transitvisumplicht voor luchthavens onderworpen zijn (PB L 198 van 6.8.2003, blz. 15)
-
–
Besluit 2003/725/JBZ van de Raad van 2 oktober 2003 houdende wijziging van artikel 40, leden 1 en 7, van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten Akkoord van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB L 260 van 11.10.2003, blz. 37)
-
–
Richtlijn 2003/110/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van maatregelen tot verwijdering door de lucht (PB L 321 van 6.12.2003, blz. 26)
-
–
Beschikking 2004/14/EG van de Raad van 22 december 2003 houdende wijziging van de derde alinea (Bij de behandeling te hanteren basiscriteria) van deel V van de Gemeenschappelijke Visuminstructies (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 74)
-
–
Beschikking 2004/15/EG van de Raad van 22 december 2003 houdende wijziging van deel II, punt 1.2, van de Gemeenschappelijke Visuminstructies en vaststelling van een nieuwe bijlage bij die instructies (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 76)
-
–
Beschikking 2004/17/EG van de Raad van 22 december 2003 tot wijziging van deel V, punt 1.4, van de Gemeenschappelijke Visuminstructies en deel I, punt 4.1.2, van het Gemeenschappelijk Handboek, namelijk de opneming onder de voor te leggen bewijsstukken van het bewijs van een reisverzekering tot dekking van ziektekosten ingeval een eenvormig inreisvisum wordt afgegeven (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 79)
-
–
Verordening (EG) nr. 377/2004 van de Raad van 19 februari 2004 betreffende de oprichting van een netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen (PB L 64 van 2.3.2004, blz. 1)
-
–
Beschikking 2004/466/EG van de Raad van 29 april 2004 houdende opneming in het Gemeenschappelijk Handboek van een bepaling betreffende doelgerichte grenscontroles op begeleide minderjarigen (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 136)
-
–
Rectificatie van Beschikking 2004/466/EG van de Raad van 29 april 2004 houdende opneming in het Gemeenschappelijk Handboek van een bepaling betreffende doelgerichte grenscontroles op begeleide minderjarigen (PB L 195 van 2.6.2004, blz. 44)
-
–
Verordening (EG) nr. 871/2004 van de Raad van 29 april 2004 betreffende de invoering van enkele nieuwe functies in het Schengeninformatiesysteem, inclusief bij de bestrijding van terrorisme (PB L 162 van 30.4.2004, blz. 29)
-
–
Richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 24)
-
–
Beschikking 2004/573/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake het organiseren van gezamenlijke vluchten voor de verwijdering van onderdanen van derde landen tegen wie individuele verwijderingsmaatregelen zijn genomen van het grondgebied van twee of meer lidstaten (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 28)
-
–
Beschikking 2004/574/EG van de Raad van 29 april 2004 tot wijziging van het Gemeenschappelijk Handboek (PB L 261 van 6.8.2004, blz. 36)
-
–
Beschikking 2004/581/EG van de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van de minimumaanduidingen voor signalisatie aan de buitengrensdoorlaatposten (L 261 van 6.8.2004, blz. 119)
-
–
Beschikking 2004/512/EG van de Raad van 8 juni 2004 betreffende het opzetten van het Visuminformatiesysteem (VIS) (PB L 213 van 15.6.2004, blz. 5)
Slotakte
De gevolmachtigden hebben hun goedkeuring gehecht aan de volgende gemeenschappelijke verklaringen, die aan deze slotakte zijn gehecht:
-
1.
Gemeenschappelijke verklaring van de overeenkomstsluitende partijen betreffende parlementair overleg;
-
2.
Gemeenschappelijke verklaring van de overeenkomstsluitende partijen betreffende de externe betrekkingen;
-
3.
Gemeenschappelijke verklaring van de overeenkomstsluitende partijen betreffende artikel 23, lid 7, van de Overeenkomst van 29 mei 2000 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie.
De gevolmachtigden hebben ook kennis genomen van de volgende verklaringen, die aan deze slotakte zijn gehecht:
-
1.
Verklaring van Zwitserland betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken;
-
2.
Verklaring van Zwitserland betreffende artikel 7, lid 2, onder b, over de termijn voor aanvaarding van nieuwe ontwikkelingen van het Schengenacquis;
-
3.
Verklaring van Zwitserland inzake de toepassing van de Europese Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken en het Europees Verdrag betreffende uitlevering;
-
4.
Verklaring van de Europese Commissie betreffende de beschikbaarstelling van voorstellen;
-
5.
Verklaring van de Europese Commissie over de comités die de Europese Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoerende bevoegdheden.
Gemeenschappelijke verklaringen van de Overeenkomstsluitende Partijen
GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING VAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN BETREFFENDE PARLEMENTAIR OVERLEG
De overeenkomstsluitende partijen achten het passend dat de onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden worden besproken op de interparlementaire vergaderingen Europees Parlement-Zwitserland.
GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING VAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN BETREFFENDE DE EXTERNE BETREKKINGEN
De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat de Europese Gemeenschap zich ertoe verbindt derde staten of internationale organisaties waarmee zij overeenkomsten sluit op een met de Schengensamenwerking verband houdend gebied, ertoe aan te zetten soortgelijke overeenkomsten te sluiten met de Zwitserse Bondsstaat, onverminderd de bevoegdheid van Zwitserland om dergelijke overeenkomsten te sluiten.
GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARING VAN DE OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN BETREFFENDE ARTIKEL 23, LID 7, VAN DE OVEREENKOMST VAN 29 MEI 2000 BETREFFENDE DE WEDERZIJDSE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN TUSSEN DE LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE
De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat Zwitserland, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 23, lid 1, onder c, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, naar gelang van het geval, kan eisen dat – tenzij de betrokken lidstaat de toestemming van de betrokkene heeft verkregen – persoonsgegevens alleen na voorafgaande toestemming van Zwitserland voor de in artikel 23, lid 1, onder a en b, van deze overeenkomst bedoelde doeleinden mogen worden gebruikt in het kader van procedures waarvoor Zwitserland de verstrekking of het gebruik van persoonsgegevens had kunnen weigeren of beperken uit hoofde van deze overeenkomst of de in artikel 1 daarvan bedoelde instrumenten.
Indien Zwitserland in een bepaald geval weigert in te stemmen met het verzoek van een lidstaat overeenkomstig bovengenoemde bepalingen moet het zijn weigering schriftelijk met redenen omkleden.
Andere verklaringen
VERKLARING VAN ZWITSERLAND BETREFFENDE DE WEDERZIJDSE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN
Zwitserland verklaart dat fiscale delicten op het gebied van de directe belastingen die door de Zwitserse autoriteiten worden vervolgd, op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze overeenkomst geen aanleiding kunnen geven tot het instellen van een beroep bij een ook in strafzaken bevoegde rechter.
VERKLARING VAN ZWITSERLAND BETREFFENDE ARTIKEL 7, LID 2, ONDER B, OVER DE TERMIJN VOOR AANVAARDING VAN NIEUWE ONTWIKKELINGEN VAN HET SCHENGENACQUIS
De maximumtermijn van twee jaar in artikel 7, lid 2, onder b, heeft betrekking op de goedkeuring en de uitvoering van het besluit of de maatregel. Hij omvat de volgende fasen:
-
–
de voorbereidende fase,
-
–
de parlementaire procedure,
-
–
de referendumtermijn (100 dagen vanaf de officiële bekendmaking van het besluit) en, in voorkomend geval,
-
–
het referendum (organisatie en stemming)
De Bondsraad stelt de Raad en de Commissie onverwijld in kennis van de beëindiging van elk van deze fasen.
De Bondsraad verbindt zich ertoe alle hem ter beschikking staande middelen aan te wenden om ervoor te zorgen dat de bovenvermelde fasen zo snel mogelijk verlopen.
VERKLARING VAN ZWITSERLAND INZAKE DE TOEPASSING VAN DE EUROPESE OVEREENKOMST BETREFFENDE DE WEDERZIJDSE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN EN HET EUROPEES VERDRAG BETREFFENDE UITLEVERING
Zwitserland verbindt zich ertoe geen gebruik te maken van de bij de bekrachtiging van het Europese Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 en het Europese Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 20 april 1959 gemaakte voorbehouden en verklaringen die met deze overeenkomst onverenigbaar zijn.
VERKLARING VAN DE EUROPESE COMMISSIE BETREFFENDE DE BESCHIKBAARSTELLING VAN VOORSTELLEN
Wanneer de Commissie aan de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement voorstellen toezendt die met deze overeenkomst verband houden, doet zij een afschrift ervan toekomen aan Zwitserland.
VERKLARING VAN DE EUROPESE COMMISSIE OVER DE COMITÉS DIE DE EUROPESE COMMISSIE BIJSTAAN BIJ DE UITOEFENING VAN HAAR UITVOERENDE BEVOEGDHEDEN
Momenteel staan, naast het comité dat is ingesteld bij artikel 31 van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens, de volgende comités de Europese Commissie bij in de uitoefening van haar uitvoerende bevoegdheden op het gebied van de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis:
-
–
het comité dat is ingesteld bij artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel („visum-comité’’) en
-
–
het comité dat is ingesteld bij artikel 5 van Besluit 2001/886/JBZ van de Raad van 6 december 2001 en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2424/2001 van de Raad van 6 december 2001; beide rechtsbesluiten hebben betrekking op de ontwikkeling van een Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) („SIS II-comité’’).