Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Bondsrepubliek Duitsland

hierna te noemen: „de Verdragsluitende Staten"

In het streven de internationale criminaliteit alsmede grensoverschrijdende gevaren door samenwerking als partners effectiever het hoofd te bieden,

In het streven de samenwerking tussen de Verdragsluitende Staten te bevorderen en vastbesloten de mogelijkheden van een grensoverschrijdend optreden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid en de mogelijkheden tot strafrechtelijke samenwerking te verruimen,

Overwegende dat het wenselijk is de uitwisseling van informatie tussen de Verdragsluitende Staten te intensiveren alsmede de samenwerking bij de inzet van middelen ter handhaving van de openbare orde en veiligheid alsmede in het kader van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten te versterken,

Ter aanvulling op:

  • de op 19 juni 1990 te Schengen tot stand gekomen Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (hierna te noemen: SUO) alsmede ter aanvulling op de hierop gebaseerde, in de Europese Unie ingevoerde verworvenheden van Schengen;

  • het op 20 april 1959 te Straatsburg tot stand gekomen Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken;

  • de op 30 augustus 1979 te Wittem tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland betreffende de aanvulling en het vergemakkelijken van de toepassing van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 20 april 1959;

  • het op 17 maart 1978 te Straatsburg tot stand gekomen Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken;

  • het op 8 november 2001 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken;

  • de op 29 mei 2000 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (EU-Rechtshulpverdrag);

  • het op 16 oktober 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Protocol, vastgesteld door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie;

  • de op 18 december 1997 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douane-administraties (Napels II-overeenkomst);

  • het op 28 januari 1981 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens;

  • de Aanbeveling R (87) 15 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 17 september 1987 aan de lidstaten aangaande het gebruik van persoonsgegevens op politieel gebied;

  • de op 7 juni 1988 te Bonn tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen;

Zijn het volgende overeengekomen:

TITEL

I

VERHOUDING TOT ANDERE REGELINGEN, DOEL VAN HET VERDRAG, AUTORITEITEN

Artikel

1

Verhouding tot andere verdragen en nationale regelingen

Artikel

2

Doel van het Verdrag

De Verdragsluitende Staten bevorderen de samenwerking op het gebied van de handhaving van de openbare orde en veiligheid alsmede op het gebied van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten met inbegrip van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen.

Artikel

3

Autoriteiten, grensstreken

TITEL

II

ALGEMENE VORMEN VAN SAMENWERKING

Artikel

4

Algemene maatregelen tot samenwerking

De autoriteiten van de Verdragsluitende Staten nemen in het kader van hun onderscheidenlijke bevoegdheden alle maatregelen die noodzakelijk zijn ter intensivering van hun samenwerking. Zij dragen in het bijzonder zorg voor:

  • 1.

    een intensivering van de uitwisseling van informatie en een verbetering van de communicatiestructuren door:

    • a.

      elkaar over feiten, dadergerelateerde verbanden en typisch dadergedrag te informeren zonder verstrekking van persoonsgegevens;

    • b.

      elkaar ten behoeve van de handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van strafbare feiten rechtstreeks op de hoogte te stellen van voor de autoriteiten relevante ophanden zijnde gebeurtenissen en acties, met dien verstande dat de informatie geen persoonsgegevens bevat en zo spoedig mogelijk wordt verstrekt opdat tijdig de vereiste maatregelen kunnen worden getroffen;

    • c.

      elkaar over en weer ten behoeve van de planning van operaties in het dagelijks werk en bij bijzondere gebeurtenissen belangrijke informatie te verstrekken, waarvan uitgezonderd persoonsgegevens, en elkaar uit voorzorg tevens informatie over gebeurtenissen te verstrekken die kunnen overslaan naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat;

    • d.

      gemeenschappelijke registers met gegevens over bevoegdheden en bereikbaarheid aan te leggen en deze voortdurend te actualiseren;

    • e.

      informatie over uitrusting en communicatiemiddelen uit te wisselen;

    • f.

      informatie over beslissingen tot aanschaf van uitrusting uit te wisselen met het doel een betere uitwisselbaarheid te waarborgen;

    • g.

      mede door het uitwisselen van apparatuur, radioverbindingen in stand te houden, in het bijzonder de radioverbindingen langs de grens, totdat de overgang naar geharmoniseerde uitrusting en frequenties in Europa is voltooid; en gemeenschappelijk voorstellen voor de realisatie hiervan, tegen zo gering mogelijke kosten uit te werken;

  • 2.

    een intensivering van de samenwerking in het kader van onderzoek ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten en ter handhaving van de openbare orde en veiligheid:

    • a.

      de ambtenaren in de aangrenzende grensstreek zo mogelijk volgens een gezamenlijk gecoördineerd plan in te zetten;

    • b.

      indien nodig gemeenschappelijke centrales en commandoposten in te richten;

    • c.

      indien nodig met inachtneming van artikel 19 gemeenschappelijke operationele teams te vormen;

    • d.

      indien nodig gemeenschappelijke teams in te stellen met inachtneming van artikel 13 van het EU-Rechtshulpverdrag en het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake gemeenschappelijke onderzoeksteams;

    • e.

      indien nodig gemeenschappelijke programma's ter voorkoming en bestrijding van strafbare feiten op te zetten en uit te voeren;

    • f.

      regelmatig en indien nodig overleg te voeren teneinde de kwaliteit van de samenwerking te toetsen, nieuwe strategieën te bespreken, geplande operaties, opsporingsmaatregelen en patrouilles op elkaar af te stemmen, statistische gegevens uit te wisselen en werkprogramma's te coördineren;

    • g.

      elkaar over en weer na overleg tussen de bevoegde instanties in staat te stellen aan stages deel te nemen;

    • h.

      vertegenwoordigers van de andere Verdragsluitende Staat als waarnemers uit te nodigen voor deelname aan bijzondere operaties.

Artikel

5

Samenwerking op het gebied van opleiding en bijscholing

Ter versterking van de samenwerking op het gebied van opleiding en bijscholing stellen de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Staten leerplannen ten behoeve van opleiding en bijscholing aan elkaar ter beschikking, bieden zij aan ambtenaren van de andere Verdragsluitende Staat de mogelijkheid tot deelname aan opleidings- en bijscholingsmaatregelen en ontwikkelen zij gemeenschappelijke opleidings- en bijscholingsprogramma's. Hierbij wordt gewaarborgd dat ook specifiek voor de grensstreek geldende problemen uitgebreid aan de orde komen. De bevoegde instanties kunnen gemeenschappelijke opleidings- en bijscholingsmaatregelen met inbegrip van seminars en oefeningen organiseren. Het wederzijds informeren over de in dit opzicht relevante rechtsregels krijgt hierbij bijzondere aandacht.

Artikel

6

Gezag over ambtenaren belast met de uitvoering van politietaken

Artikel

7

Samenwerking op verzoek

TITEL

III

BIJZONDERE VORMEN VAN SAMENWERKING IN STRAFRECHTELIJKE AANGELEGENHEDEN

Artikel

8

Verzoeken om veiligstelling van bewijsmateriaal in spoedeisende gevallen

Artikel

9

Verzoeken om onderzoek aan en in het lichaam

Artikel

10

Doorzending en vergelijking van DNA-profielen evenals van ander voor de identificatie geschikt materiaal

Artikel

11

Grensoverschrijdende observatie

Voor grensoverschrijdende observaties geldt artikel 40 van de SUO met de volgende aanvullingen:

  • 1.

    In het kader van een opsporingsonderzoek kunnen de bevoegde ambtenaren ook een persoon observeren ten aanzien van wie gerede vermoedens bestaan dat deze kan leiden tot de identificatie of het vinden van de persoon die ervan wordt verdacht betrokken te zijn bij een strafbaar feit dat aanleiding kan geven tot uitlevering. De eerste volzin is ook van toepassing in de gevallen waarin vanwege het bijzonder spoedeisende karakter van de aangelegenheid de voorafgaande toestemming van de andere Verdragsluitende Staat niet verkregen kan worden. Onverminderd de regeling in het negende lid, verloopt de verdere procedure volgens artikel 40, tweede lid, van de SUO.

  • 2.

    Grensoverschrijdende observatie is ook toegestaan voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf, indien verwacht wordt dat de vrijheidsstraf die nog ten uitvoer moet worden gelegd of het totaal van de nog ten uitvoer te leggen vrijheidsstraf ten minste vier maanden bedraagt.

  • 3.

    In de Bondsrepubliek Duitsland worden de verzoeken gericht en direct gezonden aan het Openbaar Ministerie bij het Landgericht, in het rechtsgebied waarvan de grens vermoedelijk zal worden overschreden. Indien bekend is dat bij een ander dan het in de eerste volzin genoemde Openbaar Ministerie in dezelfde zaak reeds een procedure aanhangig is, dient het verzoek te worden gericht aan dat Openbaar Ministerie.

    Wanneer een Openbaar Ministerie bij een tot het geven van toestemming bevoegde centrale autoriteit voor een aan het Koninkrijk der Nederlanden grenzend deelstaat of anderszins een afwijkende competentie in het bijzonder aangewezen is, moet het in dat geval bevoegde Openbaar Ministerie om toestemming worden verzocht.

  • 4.

    In het Koninkrijk der Nederlanden dienen verzoeken te worden gericht aan de in bijlage I genoemde bevoegde autoriteiten.

  • 5.

    Doorzending kan ook via de nationale centrale politie-instanties of de optredende politieautoriteiten geschieden.

  • 6.

    Een afschrift van het verzoek dient behalve aan de nationale centrale politie-instanties tegelijkertijd te worden toegezonden aan:

    • voor het Koninkrijk der Nederlanden:

      • -

        de in bijlage I genoemde autoriteiten;

    • voor de Bondsrepubliek Duitsland:

      • -

        De Landesjustizverwaltung Niedersachsen en Landesjustiz-verwaltung Nordrhein-Westfalen voor zover deze niet algemeen of in afzonderlijke gevallen afzien van de toezending van een afschrift;

      • -

        het Landeskriminalamt Niedersachsen te Hannover en het Landeskriminalamt Nordrhein-Westfalen te Düsseldorf;

      • -

        het Zollkriminalamt te Keulen;

    telkens voorzover het onder de territoriale bevoegdheid van de voornoemde autoriteiten valt en in het geval van het Zollkriminalamt voorzover dit ook onder diens zaaksinhoudelijke competentie valt.

  • 7.

    Grensoverschrijding dient in geval van een observatie overeenkomstig artikel 40, tweede lid, eerste volzin van de SUO allereerst onverwijld te worden medegedeeld aan:

    • voor het Koninkrijk der Nederlanden:

      • -

        de in bijlage I genoemde autoriteiten;

    • voor de Bondsrepubliek Duitsland:

      • -

        het Landeskriminalamt Niedersachsen te Hannover en het Landeskriminalamt Nordrhein-Westfalen te Düsseldorf;

      • -

        het Grenzschutzpräsidium Nord en Grenzschutzpräsidium West; alsmede

      • -

        de Bundesgrenzschutzämter te Hamburg, Kleef en Keulen;

    telkens voorzover het binnen de territoriale bevoegdheid van de voornoemde autoriteiten valt.

    De kennisgeving overeenkomstig artikel 40, tweede lid, eerste volzin, onderdeel a, juncto vijfde lid, van de SUO geschiedt onverwijld door de in de eerste volzin genoemde autoriteiten. Een verzoek achteraf conform artikel 40, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, van de SUO wordt overeenkomstig het vierde tot en met zesde lid gedaan.

  • 8.

    De toestemming voor de grensoverschrijdende observatie geldt voor het gehele grondgebied van de Verdragsluitende Staat die de toestemming geeft.

  • 9.

    Een grensoverschrijdende observatie overeenkomstig artikel 40, tweede lid, van de SUO in het kader van een opsporingsonderzoek is ook toegestaan bij de verdenking van een strafbaar feit dat niet in artikel 40, zevende lid, van de SUO wordt genoemd voorzover het gaat om een strafbaar feit waarvoor volgens het recht van de aangezochte Verdragsluitende Staat uitlevering mogelijk is.

  • 10.

    Wijzigingen van de bevoegdheden overeenkomstig het derde tot en met zevende lid worden medegedeeld aan de andere Verdragsluitende Staten.

  • 11.

    Vereiste technische middelen mogen door de ambtenaren van de ene Verdragsluitende Staat ook op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat worden ingezet, voorzover dit volgens de nationale regelgeving van de andere Verdragsluitende Staat is toegestaan en de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Staat op wiens grondgebied de technische middelen moeten worden ingezet voor dat geval toestemming voor het gebruik heeft verleend. De Verdragsluitende Staten informeren elkaar over de in het desbetreffende geval meegevoerde technische middelen.

  • 12.

    Het binnentreden van woningen en het betreden van niet voor het publiek toegankelijke terreinen is niet toegestaan. Publiek toegankelijke werk-, bedrijfs- en kantoorruimtes mogen tijdens de werk-, bedrijfs- en kantoortijden worden betreden.

Artikel

12

Achtervolging

Artikel

13

Gecontroleerde levering

Artikel

14

Infiltratie ten behoeve van strafrechtelijke opsporing

Artikel

15

Informatieverstrekking bij strafrechtelijke opsporing zonder verzoek

De autoriteiten van de Verdragsluitende Staten kunnen elkaar in uitzonderlijke gevallen met inachtneming van het nationale recht zonder verzoek informatie met inbegrip van persoonsgegevens doen toekomen indien er aanwijzingen zijn dat de ontvanger deze informatie voor de opsporing van strafbare feiten nodig heeft. De ontvanger is verplicht het belang van de medegedeelde gegevens te toetsen en niet-noodzakelijke gegevens te verwijderen, te vernietigen of terug te zenden naar de instantie die deze gegevens heeft verstrekt en, indien gebleken is dat de informatie onjuist is, dit te melden aan de instantie die de informatie heeft verstrekt.

TITEL

IV

OVERIGE VORMEN VAN GRENSOVERSCHRIJDENDE SAMENWERKING

Artikel

16

Observatie ter voorkoming van een strafbaar feit dat aanleiding kan geven tot uitlevering

Artikel

17

Achtervolging bij bijzondere politiecontroles

Artikel

18

Infiltratie ter voorkoming van ernstige strafbare feiten die aanleiding kunnen geven tot uitlevering

Artikel

19

Vormen van gezamenlijk optreden ter handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van strafbare feiten

Ter intensivering van de samenwerking kunnen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten gezamenlijke patrouilles, gemeenschappelijk bemande controle-, evaluatie- en observatieteams of andere samenwerkingsvormen instellen ter handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van strafbare feiten, waarbij ambtenaren van de zendstaat in het kader van een optreden in de gaststaat hun medewerking verlenen. Soevereine bevoegdheden mogen hierbij uitsluitend onder leiding en doorgaans in aanwezigheid van ambtenaren van de gaststaat worden uitgeoefend. Artikel 6, vierde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel

20

Uitwisseling van informatie voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van strafbare feiten

Met inachtneming van het onderscheidenlijke nationale recht kunnen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten elkaar in afzonderlijke gevallen ook zonder verzoek informatie inclusief persoonsgegevens verstrekken, voorzover er aanwijzingen zijn dat het voor de ontvanger nodig is deze informatie te kennen voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van strafbare feiten. Artikel 15, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel

21

Voorlopige grensoverschrijdende maatregelen ter afwending van een aanwezig gevaar voor gezondheid of leven

Artikel

22

Bijstandsverlening bij grootschalige evenementen, rampen en zware ongevallen

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Staten verlenen elkaar met inachtneming van het desbetreffende nationale recht over en weer bijstand bij grootschalige evenementen en soortgelijke grote gebeurtenissen, rampen alsmede zware ongevallen door:

  • 1.

    elkaar in een zo vroeg mogelijk stadium over dergelijke gebeurtenissen met grensoverschrijdende gevolgen te informeren en relevante informatie mee te delen;

  • 2.

    in situaties met grensoverschrijdende gevolgen de op hun grondgebied noodzakelijke politiemaatregelen te nemen en te coördineren;

  • 3.

    op verzoek van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan zich de situatie voordoet, voor zover mogelijk door detachering van ambtenaren, specialisten en adviseurs alsmede door het beschikbaar stellen van uitrusting, bijstand te verlenen.

    Voor het overige laat dit Verdrag onverlet de op 7 juni 1988 te Bonn tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen.

Artikel

23

Inrichting van tijdelijke controleposten

TITEL

V

ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE SAMENWERKING

Artikel

24

Gemeenschappelijk bemande centra

Artikel

25

Inzet van luchtvaartuigen en vaartuigen

Artikel

26

Bescherming van persoonsgegevens

Artikel

27

Overpad

Artikel

28

Burgerrechtelijke aansprakelijkheid

TITEL

VI

REGELINGEN BETREFFENDE DE GRENSOVERSCHRIJDEND OPTREDENDE AMBTENAREN

Artikel

29

Aanhouden

Indien een persoon op wie een maatregel als bedoeld in de artikelen 11, 13, 16 en 17 betrekking heeft, op heterdaad wordt betrapt bij het plegen van een strafbaar feit tegen de gezondheid of het leven, dat naar het recht van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de maatregel wordt uitgevoerd aanleiding kan geven tot uitlevering, mogen de ambtenaren die de maatregel uitvoeren en onder leiding van de aangezochte Verdragsluitende Staat optreden, die persoon aanhouden. De aangehouden persoon mag met het oog op zijn voorgeleiding aan de bevoegde autoriteit van de aangezochte Verdragsluitende Staat slechts aan een veiligheidsfouillering worden onderworpen. Tijdens de overbrenging mogen hem handboeien worden omgelegd. De door de verdachte meegevoerde voorwerpen mogen voorlopig in beslag worden genomen totdat ambtenaren van de bevoegde autoriteit van de aangezochte Verdragsluitende Staat arriveren. Als strafbaar feit als bedoeld in de eerste volzin geldt tevens deelneming aan een strafbaar feit.

Artikel

30

Bevoegdheden en rechtspositie van grensoverschrijdende ambtenaren

Artikel

31

Het dragen van uniformen en het meevoeren van bewapening en uitrusting

Artikel

32

Gebruik van dienstwapens en overige middelen

Artikel

33

Strafrechtelijke aansprakelijkheid

De grensoverschrijdende ambtenaren die uit hoofde van dit Verdrag optreden, zijn voor wat betreft strafbare feiten die tegen hen of door hen worden begaan, gelijkgesteld met de ambtenaren van de andere Verdragsluitende Staat, tenzij in een ander Verdrag dat voor de Verdragsluitende Staten geldt, anders is overeengekomen.

Artikel

34

Hulpverleningsclausule, arbeidsrecht

Artikel

35

Uitzonderingsclausule

Indien een Verdragsluitende Staat van mening is dat inwilliging van een verzoek of het uitvoeren of toelaten van een maatregel uit hoofde van dit Verdrag ertoe kan leiden dat de eigen soevereine rechten worden aangetast, de eigen veiligheid of andere wezenlijke belangen gevaar lopen of inbreuk op het nationale recht wordt gemaakt, kan deze de samenwerking met inachtneming van overige internationale samenwerkingsverplichtingen geheel of gedeeltelijk weigeren of hieraan bepaalde voorwaarden stellen.

TITEL

VII

UITVOERINGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel

36

Afspraken betreffende de uitvoering

De bevoegde instanties van de Verdragsluitende Staten kunnen op grond en in het kader van dit Verdrag afspraken maken die de beheersmatige uitvoering ten doel hebben.

Artikel

37

Controle

Op verzoek van een Verdragsluitende Staat controleert een gemeenschappelijke werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Staten de uitvoering van dit Verdrag en bepaalt deze of er behoefte aan aanvullingen of actualiseringen bestaat.

Artikel

38

Kosten

Iedere Verdragsluitende Staat draagt de kosten ontstaan op grond van de toepassing van dit Verdrag, tenzij de bevoegde autoriteiten in afzonderlijke gevallen anders overeenkomen. Artikel 9 van de op 7 juni 1988 te Bonn tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen, blijft onverlet.

Artikel

39

Medegelding voor de douaneadministratie

Artikel

40

Inwerkingtreding, opzegging

GEDAAN te Enschede, de tweede maart 2005, in tweevoud, in de Nederlandse en Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

PIET HEIN DONNER

JOHAN REMKES

Voor de Bondsrepubliek Duitsland

DR. EDMUND DUCKWITZ

OTTO SCHILY

BRIGITTE ZYPRIES

Bijlage

I

bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden

  • 1.

    Bevoegde autoriteiten voor het Koninkrijk der Nederlanden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, zijn:

    • a.

      voor de samenwerking op verzoek als bedoeld in artikel 7, tweede lid, alle autoriteiten die met de uitoefening van diverse politietaken zijn belast;

    • b.

      voor de samenwerking op verzoek als bedoeld in artikel 7, derde lid, de autoriteiten die met de uitoefening van diverse politietaken zijn belast alsmede het Openbaar Ministerie en de met de uitvoering van het Verdrag belaste ministeries;

    • c.

      voor de samenwerking op verzoek als bedoeld in artikel 7, vierde lid, eerste zin, het Korps landelijke politiediensten (Klpd), dienst Internationale netwerken;

    • d.

      voor de samenwerking op verzoek als bedoeld in artikel 7, vierde lid, tweede zin, de autoriteiten die met de uitoefening van diverse politietaken in de grensstreken zijn belast;

    • e.

      voor de inontvangstneming van verzoeken tot bewijsgaring in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, en voor de verstrekking van informatie over de indiening van een verzoek als bedoeld in het derde lid als bevoegde justitiële autoriteit het relatief bevoegde Openbaar Ministerie; toezending geschiedt via het relatief bevoegde Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC);

    • f.

      voor de indiening en inontvangstneming van verzoeken tot bewijsgaring in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, als bevoegde politieautoriteit alle autoriteiten die met de uitoefening van diverse politietaken zijn belast;

    • g.

      voor de indiening van een formeel rechtshulpverzoek houdende toezending van de resultaten van verzoeken tot bewijsgaring in spoedeisende gevallen alsmede voor de verlening van toestemming voor een dergelijke toezending als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, het relatief bevoegde Openbaar Ministerie; toezending geschiedt via het relatief bevoegde Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC);

    • h.

      voor de toezending van een verzoek en het antwoord hierop als bedoeld in artikel 10, derde lid, alle ambtenaren die met de uitoefening van diverse politietaken zijn belast; toezending geschiedt via het relatief bevoegde Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC);

    • i.

      voor verzoeken houdende grensoverschrijdende observaties als bedoeld in artikel 11, vierde lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum (LIRC);

    • j.

      voor de toezending van verzoeken houdende grensoverschrijdende observaties als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, als centrale landelijke politiedienst het Korps landelijke politiediensten (Klpd), meldpunt voor grensoverschrijdende observaties;

    • k.

      voor de toezending van verzoeken houdende grensoverschrijdende observaties als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, als politieautoriteiten belast met de leiding van de operatie alle autoriteiten die met de uitoefening van diverse politietaken zijn belast; toezending geschiedt via het relatief bevoegde Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC);

    • l.

      als te informeren instantie bij verzoeken houdende grensoverschrijdende observaties als bedoeld in artikel 11, zesde lid, het Korps landelijke politiediensten (Klpd), meldpunt voor grensoverschrijdende observaties;

    • m.

      als te informeren instantie bij grensoverschrijdende observaties als bedoeld in artikel 11, zevende lid, de meldpunten in de grensregio's;

    • n.

      voor de verlening van toestemming voor het gebruik van technische middelen als bedoeld in artikel 11, elfde lid, de Landelijk Officier van Justitie voor grensoverschrijdende observatie;

    • o.

      als te informeren instantie bij grensoverschrijdende achtervolging als bedoeld in artikel 12, tweede lid, het Korps landelijke politiediensten (Klpd), meldpunt voor grensoverschrijdende achtervolging;

    • p.

      voor verzoeken tot verlening van toestemming voor gecontroleerde uitvoeren als bedoeld in artikel 13, achtste lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum (LIRC);

    • q.

      voor het overleg over de uitvoering van infiltratie als bedoeld in artikel 14, derde lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum (LIRC);

    • r.

      voor verzoeken tot uitvoering van infiltratie als bedoeld in artikel 14, negende lid, het Korps landelijke politiediensten (Klpd), dienst Specialistische Recherche Toepassingen;

    • s.

      voor de verstrekking van informatie na uitvoering van infiltratie als bedoeld in artikel 14, tiende lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum (LIRC);

    • t.

      voor observaties ter preventie van een strafbaar feit waarvoor de mogelijkheid tot uitlevering bestaat als bedoeld in artikel 16, eerste lid, nummer 1, en derde lid het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum (LIRC);

    • u.

      voor achtervolgingen bij bijzondere politiecontroles als bedoeld in artikel 17, derde lid, de centrales in de grensregio's;

    • v.

      voor infiltratie ter preventie van strafbare feiten van aanzienlijk belang waarvoor de mogelijkheid tot uitlevering bestaat als bedoeld in artikel 18, tweede lid, het Korps landelijke politiediensten (Klpd), dienst Specialistische Recherche Toepassingen;

    • w.

      voor vormen van gemeenschappelijke operaties met het oog op de handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter preventie van strafbare feiten als bedoeld in artikel 19, de korpschefs van de regionale politieautoriteiten en de Hoofdofficieren van Justitie alsmede de bevelhebber van de Koninklijke Marechaussee (Kmar);

    • x.

      voor de uitwisseling van informatie met het oog op de handhaving van de openbare orde en veiligheid of ter preventie van strafbare feiten als bedoeld in artikel 20, alle autoriteiten die met politietaken zijn belast;

    • y.

      voor voorlopige grensoverschrijdende maatregelen ter afwending van een acuut gevaar voor gezondheid of leven als bedoeld in artikel 21, alle autoriteiten die met politietaken zijn belast;

    • z.

      voor de verstrekking van informatie als bedoeld in artikel 27, eerste lid, de centrales in de grensregio's.

  • 2.

    Bevoegde autoriteiten in het Koninkrijk der Nederlanden als bedoeld in artikel 39, tweede lid, zijn:

    • a.

      als te informeren instantie bij grensoverschrijdende achtervolging als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 12, tweede lid, het Douane Informatie Centrum;

    • b.

      voor achtervolgingen bij controles in het kader van de uitoefening van taken overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van de Napels II-overeenkomst als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 17, derde lid, het Douane Informatie Centrum;

    • c.

      voor het overleg over de uitvoering van infiltratie als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 18, tweede lid en artikel 14, derde lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Douane Informatie Centrum;

    • d.

      voor de verstrekking van informatie na uitvoering van infiltratie als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 18, tweede lid, en artikel 14, tiende lid, het Landelijk Parket; toezending geschiedt via het Douane Informatie Centrum;

    • e.

      voor vormen van gemeenschappelijke operaties als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 19, de diensthoofden van de bevoegde autoriteiten van de douaneadministratie, bedoeld in artikel 4, onder 7, van de Napels II-overeenkomst;

    • f.

      voor de verstrekking van informatie als bedoeld in artikel 39, derde lid jo. artikel 27, eerste lid, het Douane Informatie Centrum.

Bijlage

II

bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de grensoverschrijdende politiële samenwerking en de samenwerking in strafrechtelijke aangelegenheden

Dienstwapens en overige middelen als bedoeld in artikel 32, tweede lid zijn:

  • 1.

    voor het Koninkrijk der Nederlanden:

    • toegelaten vuurwapens en de toegelaten munitie;

    • toegelaten pepperspray en de toegelaten hulpmiddelen;

    • toegelaten traangas en de toegelaten hulpmiddelen;

  • 2.

    voor de Bondsrepubliek Duitsland:

    • toegelaten vuurwapens en de toegelaten munitie.