Overeenkomst tot oprichting van het Europees Centrum voor weersvoorspellingen op middellange termijn

Overeenkomst tot oprichting van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op middellange termijn

Overwegende het belang van een aanzienlijke verbetering der weervoorspellingen op middellange termijn voor de Europese economie;

Overwegende dat het daartoe te ondernemen wetenschappelijke en technische onderzoek een goede stimulans zal vormen voor de ontwikkeling van de meteorologie in Europa;

Overwegende dat de verbetering der weervoorspellingen op middellange termijn zal bijdragen tot de bescherming en de veiligheid van de bevolking;

Overwegende dat het ter verwezenlijking van deze doelstellingen noodzakelijk is, middelen aan te wenden welke in het algemeen op nationaal niveau niet kunnen worden toegewezen;

Overwegende dat uit het verslag van de Groep van deskundigen, belast met het opstellen van een project ter zake, blijkt dat deze doelstellingen het best kunnen worden verwezenlijkt door de oprichting van een zelfstandig Europees centrum met een internationaal statuut;

Overwegende dat dit centrum tevens kan bijdragen tot de post-universitaire vorming van beoefenaars der wetenschappen;

Overwegende dat de werkzaamheden van dit centrum bovendien de mogelijkheid bieden een noodzakelijke bijdrage te leveren tot enkele programma's van de Meteorologische Wereldorganisatie (W.M.O.), met name het wereldwijde systeem van de Wereldwaarneming (W.W.W.) en het Programma voor onderzoek van de atmosfeer (G.A.R.P.), door de Meteorologische Wereldorganisatie ondernomen te zamen met het Internationale Verbond van Wetenschappelijke Unies (I.C.S.U.);

Overwegende het belang dat de oprichting van dit centrum voorts kan hebben voor de ontwikkeling van de Europese industrie op het gebied van de informatica,

Hebben besloten een Europees Centrum voor weervoorspellingen op middellange termijn op te richten en de voorwaarden voor de werking ervan vast te stellen, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen

De heer JOSEPH VAN DER MEULEN,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van België bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken

De heer NIELS ERSBØLL,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van Denemarken bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Bondsrepubliek Duitsland

De heer ULRICH LEBSANFT,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van de Bondsrepubliek Duitsland bij de Europese Gemeenschappen;

Het Hoofd van de Spaanse Staat

De heer ALBERTO ULLASTRES CALVO,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Spanje bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Franse Republiek

De heer EMILE CAZIMAJOU,

Adjunct Permanente Vertegenwoordiger van Frankrijk bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Republiek Griekenland

De heer BYRON THEODOROPOULOS,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanent gedelegeerde van Griekenland bij de Europese Economische Gemeenschap;

De President van Ierland

De heer BRENDAN DILLON,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van Ierland bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Italiaanse Republiek

De heer GIORGIO BOMBASSEI FRASCANI DE VETTOR,

Ambassadeur van Italië,

Permanente Vertegenwoordiger van Italië bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië

De heer PETAR MILJEVIC,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Joegoslavië bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

De heer E. M. J. A. SASSEN,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van Nederland bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Portugese Republiek

De heer FERNANDO DE MAGALHAES CRUZ,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Portugal bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Zwitserse Bondsstaat

De heer PAUL HENRI WURTH,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Zwitserland bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Republiek Finland

De heer PENTTI TALVITIE,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Finland bij de Europese Gemeenschappen;

Zijne Majesteit de Koning van Zweden

De heer ERIK VON SYDOW,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Zweden bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Sir MICHAEL PALLISER,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk bij de Europese Gemeenschappen;

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten,

Overeenstemming hebben bereikt omtrent de volgende bepalingen:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Het werkprogramma van het Centrum wordt op voorstel van de directeur vastgesteld door de Raad, die besluit overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub i).

Het programma bestrijkt in beginsel een tijdvak van vier jaar en moet jaarlijks worden aangepast en aangevuld voor een aanvullende periode van een jaar. In het programma wordt het maximum van de uitgaven voor de gehele looptijd van het programma vastgesteld; voorts bevat het een raming per jaar en in hoofdgroepen van de met de uitvoering gemoeide uitgaven.

Dit maximum der uitgaven kan slechts volgens de procedure van artikel 6, lid 3 sub i), worden gewijzigd.

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

De voorrechten en immuniteiten die het Centrum, de vertegenwoordigers der Lid-Staten, alsmede het personeel en de deskundigen van het Centrum genieten op het grondgebied der Lid-Staten, zijn vastgesteld in een aan deze overeenkomst gehecht protocol dat daarvan een integrerend deel uitmaakt, en in een tussen het Centrum en de Staat op welks grondgebied de zetel van het Centrum is gevestigd, te sluiten overeenkomst. Deze overeenkomst wordt overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub c), door de Raad goedgekeurd.

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Aan een Lid-Staat die de uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, kan bij besluit van de Raad overeenkomstig artikel 6, lid 1 sub c), het lidmaatschap worden ontnomen. Het bepaalde in artikel 19, leden 2 en 3, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Na de datum waarop deze Overeenkomst in werking is getreden, kan elke Staat die de Overeenkomst niet heeft ondertekend, doch wel is genoemd in de bijlage, tot deze Overeenkomst toetreden, mits de Raad hiermee overeenkomstig artikel 6, lid 1 sub b), instemt. De akten van toetreding worden nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen.

Voor de toetredende Staat treedt deze Overeenkomst in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de nederlegging van zijn akte van toetreding.

Artikel

24

De Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen doet de ondertekenende en toetredende Staten mededeling van:

  • a)

    elke ondertekening van deze Overeenkomst,

  • b)

    de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding,

  • c)

    de inwerkingtreding van deze Overeenkomst,

  • d)

    elke schriftelijke kennisgeving van de aanvaarding van een wijziging van deze Overeenkomst,

  • e)

    de inwerkingtreding van elke wijziging,

  • f)

    elke opzegging van deze Overeenkomst of het verlies van het lidmaatschap van het Centrum.

Zodra deze Overeenkomst in werking is getreden, laat de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen deze Overeenkomst, overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties, registreren bij het Secretariaat-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel

25

Artikel

26

Deze Overeenkomst, opgesteld in een enkel exemplaar in de Duitse, de Engelse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vijf teksten gelijkelijk authentiek, wordt nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen, dat een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doet toekomen aan de Regeringen van alle ondertekenende of toetredende Staten.

Bijlage

Voorlopige bijdragenschaal

Onderstaande schaal is uitsluitend bedoeld voor de toepassing van artikel 22, lid 2, van de Overeenkomst. Zij loopt op geen enkele wijze vooruit op de beslissingen die de Raad krachtens artikel 13, lid 1, van de Overeenkomst zal moeten nemen ten aanzien van de toekomstige bijdragenschalen.

Landen die hebben deelgenomen aan de uitwerking van de Overeenkomst

%

België

Denemarken

Bondsrepubliek Duitsland

Spanje

Frankrijk

Griekenland

Ierland

Italië

Joegoslavië

Luxemburg

Nederland

Noorwegen

Oostenrijk

Portugal

Zwitserland

Finland

Zweden

Turkije

Verenigd Koninkrijk

3,25

1,98

21,12

4,16

19,75

1,18

0,50

11,75

1,65

0,12

3,92

1,40

1,81

0,79

2,63

1,33

4,19

1,81

16,66

Protocol

betreffende de voorrechten en immuniteiten van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op middellange termijn

De Staten die partij zijn bij de Overeenkomst tot oprichting van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op middellange termijn, welke op 11 oktober 1973 te Brussel is ondertekend,

Geleid door de wens de voor de goede werking van dit Centrum noodzakelijke voorrechten en immuniteiten vast te stellen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

Artikel

1

Artikel

2

Het archief van het Centrum is onschendbaar.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

De door het Centrum ingevoerde of uitgevoerde goederen welke strikt noodzakelijk zijn voor het verrichten van zijn officiële werkzaamheden, zijn vrijgesteld van alle douanerechten, belastingen of heffingen en van alle douaneheffingen, met uitzondering van die welke in feite een eenvoudige vergoeding zijn voor verleende diensten. Deze goederen zijn eveneens vrijgesteld van alle in- en uitvoerverboden en -beperkingen. De Lid-Staten nemen in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden alle dienstige maatregelen voor een zo vlot mogelijk verloop van de douanebehandeling van deze goederen.

Artikel

6

Geen vrijstelling wordt verleend uit hoofde van artikel 4 of artikel 5 wat betreft de aankoop en invoer van goederen welke bestemd zijn ter voorziening in de persoonlijke behoeften van de personeelsleden van het Centrum of van de deskundigen in de zin van artikel 14.

Artikel

7

Goederen die zijn verkregen overeenkomstig artikel 4 of ingevoerd overeenkomstig artikel 5, mogen slechts worden verkocht, overgedragen of verhuurd onder de voorwaarden die zijn neergelegd in de voorschriften van de Staat die de vrijstellingen heeft verleend.

Artikel

8

Artikel

9

Voor de verspreiding van de in het kader van zijn officiële werkzaamheden door het Centrum verzonden of aan hem gerichte publikaties en ander voorlichtingsmateriaal geldt geen enkele beperking.

Artikel

10

Artikel

11

De Lid-Staten treffen alle dienstige maatregelen ter vergemakkelijking van de binnenkomst, het verblijf en het vertrek van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten, van de personeelsleden van het Centrum en van de deskundigen in de zin van artikel 14.

Artikel

12

De aan de werkzaamheden van de organen en comités van het Centrum deelnemende vertegenwoordigers van de Lid-Staten genieten gedurende de uitoefening van hun functie en op hun reizen naar en van de plaatsen van bijeenkomst de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten:

  • a)

    immuniteit van arrestatie en gevangenhouding, alsmede van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage, behalve in geval van ontdekking op heterdaad;

  • b)

    immuniteit van jurisdictie, ook na beëindiging van hun missie, met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in hun officiële hoedanigheid en binnen de grenzen van hun bevoegdheid verricht; deze immuniteit geldt niet in geval van door een vertegenwoordiger van een Lid-Staat begane overtredingen van de verkeersregels, noch in geval van schade veroorzaakt door een voertuig dat hem toebehoort of door hem bestuurd werd;

  • c)

    onschendbaarheid van al hun officiële papieren en stukken;

  • d)

    vrijstelling van alle beperkende maatregelen bij de binnenkomst van vreemdelingen en van vreemdelingenregistratie;

  • e)

    dezelfde douanefaciliteiten met betrekking tot hun persoonlijke en dezelfde voorrechten met betrekking tot monetaire voorschriften en deviezenregelingen als die welke worden verleend aan de vertegenwoordigers van buitenlandse Regeringen die met een tijdelijke officiële missie zijn belast.

Artikel

13

Binnen de in dit Protocol genoemde grenzen genieten de personeelsleden van het Centrum de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten:

  • a)

    immuniteit van jurisdictie, ook nadat zij de dienst van het Centrum hebben verlaten, met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in hun officiële hoedanigheid en binnen de grenzen van hun bevoegdheid verricht; deze immuniteit geldt niet in geval van door een personeelslid begane overtredingen van de verkeersregels, noch in geval van schade, veroorzaakt door een voertuig dat hem toebehoort of door hem bestuurd werd;

  • b)

    vrijstelling van alle verplichtingen in verband met de militaire dienst;

  • c)

    onschendbaarheid van al hun officiële papieren en stukken;

  • d)

    voor henzelf en voor de bij hen inwonende gezinsleden, dezelfde vrijstellingen van de bepalingen die de immigratie beperken en de inschrijving van vreemdelingen regelen, als die welke in het algemeen worden verleend aan personeelsleden van internationale organisaties;

  • e)

    dezelfde voorrechten met betrekking tot monetaire voorschriften en deviezenregelingen als die welke in het algemeen worden verleend aan personeelsleden van internationale organisaties;

  • f)

    voor henzelf en voor de bij hen inwonende gezinsleden, dezelfde faciliteiten in verband met repatriëring in perioden van internationale crisis als die welke in het algemeen worden verleend aan personeelsleden van internationale organisaties;

  • g)

    het recht, wanneer zij in de betrokken Staat hun functie aanvaarden krachtens een verbintenis voor de duur van ten minste een jaar, hun meubelen en hun persoonlijke bezittingen vrij van rechten in te voeren, en het recht hun meubelen en hun persoonlijke bezittingen na beëindiging van hun functie in genoemde Staat vrij van rechten uit te voeren, in beide gevallen behoudens de voorwaarden die noodzakelijk worden geacht door de Regering van de Staat op het grondgebied waarvan dit recht wordt uitgeoefend, en met uitzondering van de in die Staat verkregen goederen waarvoor in die Staat een uitvoerverbod bestaat.

Artikel

14

De niet tot het personeel behorende deskundigen die functies bij het Centrum uitoefenen of die missies voor het Centrum uitvoeren, gemeten gedurende de uitoefening van hun functies of tijdens hun missies alsmede tijdens de in het kader van deze functies of missies gemaakte reizen, de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functies, of voor de uitvoering van hun missies:

  • a)

    immuniteit van jurisdictie, ook nadat zij de dienst van het Centrum hebben verlaten, met betrekking tot handelingen, waaronder begrepen gesproken en geschreven woorden, door hen in hun hoedanigheid van deskundige en binnen de grenzen van hun bevoegdheid verricht; deze immuniteit geldt niet in geval van door een deskundige begane overtredingen van de verkeersregels, noch in geval van schade, veroorzaakt door een voertuig dat hem toebehoort of door hem bestuurd werd;

  • b)

    onschendbaarheid van al hun officiële papieren en stukken;

  • c)

    dezelfde douanefaciliteiten met betrekking tot hun persoonlijke bagage en dezelfde voorrechten met betrekking tot monetaire voorschriften en deviezenregelingen als die welke worden verleend aan door buitenlandse regeringen gezonden personen die met een tijdelijke officiële missie zijn belast.

Artikel

15

Artikel

16

Geen enkele Lid-Staat is verplicht de in artikel 12, artikel 13, sub b), e), f), g), en artikel 14, sub c), genoemde voorrechten en immuniteiten te verlenen aan zijn Vertegenwoordigers, zijn onderdanen of aan de personen die bij hun indiensttreding bij het Centrum hun vaste woonplaats in die Staat hebben.

Artikel

17

Overeenkomstig de procedure van artikel 6, lid 3 sub o), van de Overeenkomst bepaalt de Raad, op welke categorieën van personeelsleden de artikelen 13 en 15 geheel of ten dele van toepassing zijn, alsmede op welke categorieën van deskundigen artikel 14 van toepassing is. De namen, hoedanigheden en adressen van de personen die onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden ter kennis van de Lid-Staten gebracht.

Artikel

18

Ingeval het Centrum zijn eigen stelsel van sociale zekerheid vaststelt of zich aansluit bij dat van een andere internationale organisatie onder de voorwaarden van het statuut van het personeel, genieten het Centrum en zijn personeelsleden vrijstelling van alle verplichte bijdragen aan nationale organen van sociale zekerheid, onder voorbehoud van de hiertoe overeenkomstig de voorwaarden van artikel 22 te sluiten overeenkomsten met de betrokken Lid-Staten.

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

De bepalingen van dit protocol mogen geen afbreuk doen aan het recht van iedere Lid-Staat, alle in het belang van zijn veiligheid nodige voorzorgen te nemen.

Artikel

22

Het Centrum kan, wanneer de Raad daartoe met eenparigheid van stemmen besluit, met iedere Lid-Staat aanvullende overeenkomsten aangaan met het oog op de tenuitvoerlegging van dit protocol, alsmede andere regelingen treffen om het goed functioneren van het Centrum en de vrijwaring van zijn belangen te waarborgen.

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

In de zin van dit protocol:

  • a)

    worden met „officiële werkzaamheden van het Centrum" bedoeld alle administratieve werkzaamheden van het Centrum alsmede de werkzaamheden die de verwezenlijking ten doel hebben van zijn doelstellingen, omschreven in artikel 2 van de Overeenkomst;

  • b)

    is in de uitdrukking „personeelsleden", de directeur van het Centrum begrepen.

Artikel

26

Dit protocol moet worden uitgelegd in het licht van zijn wezenlijke doelstelling, te weten het Centrum in staat te stellen zijn taak volledig en doelmatig te vervullen en de bij de Overeenkomst aan het Centrum opgedragen functies uit te oefenen.