Protocol betreffende zeelieden-vluchtelingen

Protocol

relating to refugee seamen

The Contracting Parties to the present Protocol,

Considering that the application of the Agreement relating to Refugee Seamen done at The Hague on 23 November 1957 (hereinafter referred to as the Agreement) is closely connected with the application of the Convention relating to the Status of Refugees done at Geneva on 28 July, 1951 (hereinafter referred to as the Convention), which applies only to those persons who have become refugees as a result of events occurring before 1 January 1951,

Considering that new refugee situations have arisen since the Convention was adopted and that it is desirable that equal status should be enjoyed by all refugees covered by the definition of the Convention irrespective of the dateline of 1 January 1951, and that to this end a Protocol relating to the Status of Refugees was opened for accession at New York on 31 January 1967,

Desiring to establish a similar regime with regard to refugee seamen,

Have agreed as follows:

Article

I

Article

II

Any dispute between the Contracting Parties to the present Protocol relating to the interpretation or application of any of its provisions which cannot be settled by other means shall be referred to the International Court of Justice at the request of any one of the Parties to the dispute.

Article

III

Article

IV

Article

V

Article

VI

Article

VII

Article

VIII

The Government of the Kingdom of the Netherlands shall inform all the Governments which have signed the Agreement or have acceded thereto and all other Governments which have accepted or approved the present Protocol of any deposits and notifications made in accordance with Articles III, V, VI and VII.

Article

IX

A copy of the present Protocol, of which the English and French texts are equally authentic, signed by the Minister for Foreign Affairs of the Kingdom of the Netherlands, shall be deposited in the archives of the Government of the Kingdom of the Netherlands, which shall transmit certified true copies thereof to the Governments referred to in Article VIII.

Protocol

betreffende zeelieden-vluchtelingen

De Staten die partij zijn bij dit Protocol,

Overwegende dat de toepassing van de Overeenkomst betreffende zeelieden-vluchtelingen, ondertekend te 's-Gravenhage op 23 november 1957 (hierna te noemen de Overeenkomst), nauw verband houdt met de toepassing van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna te noemen het Verdrag), dat alleen van toepassing is op personen die vluchteling zijn geworden ten gevolge van gebeurtenissen welke voor 1 januari 1951 hebben plaatsgevonden,

Overwegende dat sedert de aanvaarding van het Verdrag nieuwe groepen vluchtelingen zijn ontstaan, en dat het wenselijk is dat een zelfde status geldt voor alle vluchtelingen die vallen onder de begripsomschrijving zoals die in het Verdrag is opgenomen, ongeacht de grensdatum van 1 januari 1951, en dat te dien einde op 31 januari 1967 te New York een Protocol betreffende de status van vluchtelingen voor toetreding werd opengesteld,

Geleid door de wens een soortgelijke regeling te treffen met betrekking tot zeelieden-vluchtelingen,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel

I

Artikel

II

Elk geschil tussen de Partijen bij dit Protocol betreffende de uitlegging of de toepassing van een van de bepalingen daarvan, dat niet op andere wijze kan worden beslecht, zal op verzoek van een van de Partijen bij het geschil worden voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof.

Artikel

III

Artikel

IV

Artikel

V

Artikel

VI

Artikel

VII

Artikel

VIII

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal alle Regeringen die de Overeenkomst hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden en alle andere Regeringen die dit Protocol hebben aanvaard of goedgekeurd, mededeling doen van alle nederleggingen verricht en kennisgevingen gedaan overeenkomstig de artikelen III, V, VI en VIL

Artikel

IX

Een exemplaar van dit Protocol, waarvan de Engelse en de Franse tekst gelijkelijk authentiek zijn, ondertekend door de Minister van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden, zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan zal doen toekomen aan de in artikel VIII bedoelde Regeringen.