Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken inzake het wederzijds aanhouden van voorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten

Agreement between the Kingdom of the Netherlands and the Kingdom of Denmark on the reciprocal holding of stocks of crude oil and/or petroleum products

The Kingdom of the Netherlands

and

the Kingdom of Denmark

(hereinafter together referred to as ‘‘the Contracting Parties’’):

Having regard to Council Directive 68/414/EEC of 20 December 1968 imposing obligations on Member States of the European Economic Community to maintain minimum stocks of crude oil and/or petroleum products, as amended by Council Directive 98/93/EC of 14 December 1998 (hereinafter together referred to as ‘‘the Directive’’);

Having regard to Article 6, paragraph 2, of the Directive which envisages the establishment of stocks within the territory of a Member State for the account of undertakings, established in another Member State, under agreements between Governments;

Having regard to national legislation regarding oil stockholding obligations;

Have agreed as follows:

Article

1

For the purposes of this Agreement:

  • a)

    ‘‘competent authority’’ means the Governmental authority of each Contracting Party responsible for supervising the fulfilment by undertakings of stock obligations;

  • b)

    ‘‘stock’’ means any stock of crude oil or petroleum products (including blending and finished products) covered by the Directive;

  • c)

    ‘‘stock obligation’’ means the overall quantity of stock required to be held under national law;

  • d)

    ‘‘supply crisis’’ in this agreement shall have the same meaning as in Article 6, paragraph 2, of the Directive;

  • e)

    ‘‘territory’’ means the area within the European Union over which each Contracting Party exercises jurisdiction and in respect of the Kingdom of Denmark the Faroe Islands and Greenland are not included;

  • f)

    ‘‘undertaking’’ means any undertaking, body or entity, established in the territory of one Contracting Party which holds stocks for the purpose of facilitating compliance, whether by that undertaking or a third party, with the law relating to oil stockholding obligations of that or the other Contracting Party.

Article

2

This Agreement applies to stocks covered by the Directive which have been accepted by the competent authorities of both Contracting Parties as being stocks to which this Agreement applies.

Article

3

Article

4

Neither Contracting Party shall oppose the removal of stocks to which this Agreement applies from its territory in accordance with directions issued by the competent authority of the other Contracting Party.

Article

5

Article

6

Article

7

Article

8

Article

9

This Agreement may be amended by written agreement between the Contracting Parties. The Contracting Parties shall notify each other through the diplomatic channel when their constitutional requirements for the entry into force of the amended Agreement have been completed. The amended Agreement shall enter into force on the thirtieth day following the date of receipt of the last notification.

Article

10

This Agreement shall enter into force on the first day of the second month after each Contracting Party has notified the other Contracting Party through the diplomatic channel of the completion of its procedures necessary for the entry into force of the Agreement.

Article

11

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Agreement.

DONE in two originals at The Hague, on this 19th day of January 2006, in the English language only.

For the Kingdom of the Netherlands

B. R. BOT

For the Kingdom of Denmark

K. M. BIERING

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken inzake het wederzijds aanhouden van voorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

het Koninkrijk Denemarken

(hierna te noemen „de Verdragsluitende Partijen’’),

Gelet op Richtlijn 68/414/EEG van de Raad van 20 december 1968 houdende de verplichting voor de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieproducten in opslag te houden, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/93/EG van de Raad van 14 december 1998 (hierna samen te noemen „de Richtlijn’’);

Gelet op artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn dat voorziet in het aanleggen van voorraden op het grondgebied van een lidstaat voor rekening van in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen, uit hoofde van overeenkomsten tussen regeringen;

Gelet op nationale wetgeving inzake de verplichting tot het aanhouden van voorraden aardolieproducten;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel

1

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

  • a.

    „bevoegde autoriteit’’ het overheidsorgaan van elke Verdragsluitende Partij dat verantwoordelijk is voor het toezicht op het voldoen door ondernemingen aan voorraadverplichtingen;

  • b.

    „voorraad’’ elke voorraad ruwe aardolie of aardolieproducten (met inbegrip van halffabrikaten en eindproducten) waarop de Richtlijn van toepassing is;

  • c.

    „voorraadverplichtingnoot vertaler: later wordt in de Engelse tekst „stockholding’’ obligation gebruikt’’ de totale hoeveelheid voorraad die uit hoofde van de nationale wetgeving dient te worden aangehouden;

  • d.

    „crisis in de voorziening’’ hetzelfde als in artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn wordt verstaan;

  • e.

    „grondgebied’’ het binnen de Europese Unie gelegen grondgebied waarop elke Verdragsluitende Partij rechtsmacht uitoefent en wat betreft het Koninkrijk Denemarken met uitzondering van de Faeröer en Groenland;

  • f.

    „onderneming’’ een onderneming of instantie gevestigd op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij die voorraden aanhoudt ten behoeve van het vergemakkelijken van de nakoming, door die onderneming of een derde, van de wetgeving inzake de verplichting tot het aanhouden van voorraden aardolieproducten van die of de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel

2

Dit Verdrag is van toepassing op voorraden waarop de Richtlijn van toepassing is die door de bevoegde autoriteiten in beide Verdragsluitende Partijen zijn aanvaard als zijnde voorraden waarop dit Verdrag van toepassing is.

Artikel

3

Artikel

4

Geen van de Verdragsluitende Partijen verzet zich tegen de verwijdering van haar grondgebied van voorraden waarop dit Verdrag van toepassing is, in overeenstemming met instructies van de bevoegde autoriteit van de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Dit Verdrag kan met schriftelijke instemming van beide Verdragsluitende Partijen worden gewijzigd. De Verdragsluitende Partijen stellen elkaar langs diplomatieke weg ervan in kennis dat aan hun constitutionele vereisten voor de inwerkingtreding van het gewijzigde Verdrag is voldaan. Het gewijzigde Verdrag treedt in werking dertig dagen na de datum van ontvangst van de laatste kennisgeving.

Artikel

10

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand nadat beide Verdragsluitende Partijen elkaar langs diplomatieke weg ervan in kennis hebben gesteld dat de procedures vereist voor de inwerkingtreding van dit Verdrag zijn afgerond.

Artikel

11

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te ’s-Gravenhage op 19 januari 2005, alleen in de Engelse taal.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

B. R. BOT

Voor het Koninkrijk Denemarken

K. M. BIERING