Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland;

overtuigd van de noodzaak van samenwerking tussen beide Staten bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen, en andere ongevallen;

overwegende, dat het gewenst is dat bevoegde organen van beide Staten in nader te bepalen gevallen elkaar kunnen verzoeken om wederzijdse bijstand en verzoeken om bijstand kunnen doen uitvoeren;

overwegende, dat het gewenst is dat maatregelen worden getroffen ten einde de wederzijdse bijstand door rampenbestrijdingseenheden te vergemakkelijken;

zijn als volgt overeengekomen:

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

1

Elke Overeenkomstsluitende Partij verbindt zich ertoe de andere Overeenkomstsluitende Partij volgens de bepalingen van deze Overeenkomst en in overeenstemming met haar mogelijkheden bijstand te verlenen bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen.

Artikel

2

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

uitrusting: de vervoermiddelen, het materieel, de verbindingsmiddelen en de persoonlijke uitrustingsstukken, die bestemd zijn voor gebruik door bijstandseenheden;

hulpmiddelen: goederen die bestemd zijn voor de getroffen bevolking;

gebruiksgoederen: goederen die bestemd zijn voor het onderhoud en het gebruik van de uitrusting en voor de verzorging van bijstandseenheden.

BEVOEGDE ORGANEN

Artikel

3

DE UITVOERING VAN DE BIJSTANDSVERLENING

Artikel

4

Artikel

5

GRENSFORMALITEITEN

Artikel

6

Artikel

7

HET GEBRUIK VAN LUCHTVAARTUIGEN

Artikel

8

KOSTEN EN SCHADEVERGOEDING

Artikel

9

Artikel

10

AANVULLENDE OVEREENKOMSTEN

Artikel

11

BIJSTANDSVERLENING ANDERS DAN OP GROND VAN VERZOEKEN INGEVOLGE DEZE OVEREENKOMST

Artikel

12

SAMENWERKING

Artikel

13

GESCHILLEN

Artikel

14

Alle geschillen over de toepassing van deze Overeenkomst die niet rechtstreeks door de bevoegde organen, bedoeld in artikel 3, kunnen worden opgelost, worden in beginsel langs diplomatieke weg opgelost.

SLOTBEPALINGEN

Artikel

15

Met uitzondering van de bepalingen van artikel 8 inzake het luchtverkeer geldt de Overeenkomst ook voor het land Berlijn, tenzij de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de Overeenkomst de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden mededeling doet van het tegendeel.

Artikel

16

Deze Overeenkomst is alleen van toepassing voor het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel

17

Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop beide Overeenkomstsluitende Partijen elkaar schriftelijk ervan in kennis hebben gesteld dat aan de in hun onderscheiden landen daarvoor geldende constitutionele vereisten is voldaan.

Artikel

18

Deze Overeenkomst geldt voor een periode van tien jaren en wordt telkens stilzwijgend verlengd met een nieuwe periode van tien jaren, tenzij zij door een van beide Overeenkomstsluitende Partijen tenminste zes maanden voor afloop van het verstrijken van de geldigheidsduur schriftelijk wordt opgezegd.

GEDAAN te Bonn, de 7e juni 1988, in twee exemplaren, in respectievelijk de Nederlandse en Duitse taal, zijnde beide exemplaren gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) D. IJ. W. DE GRAAFF

(w.g.) J. G. VAN DER TAS

Voor de Bondsrepubliek Duitsland,

(w.g.) Frhr VON STEIN

(w.g.) C. D. SPRANGER

Protocol

Bij de ondertekening van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen, hebben ondergetekende gevolmachtigden daarenboven de volgende afspraken gemaakt die onderdeel van de Overeenkomst uitmaken.

1

Bij artikel 9, eerste lid

Voor zover Partijen een afzonderlijke regeling met betrekking tot artikel 9, eerste lid, beogen, wordt deze zo spoedig mogelijk na de ondertekening van de Overeenkomst en op zijn laatst vóór de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst getroffen.

2

Met betrekking tot de verhouding tussen het op 26 september 1986 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen (Trb. 1986, 126 en 165) en de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen, zware ongevallen daaronder begrepen:

In geval de ramp, met inbegrip van het zwaar ongeval, een nucleaire ramp of een ramp met radioactieve stoffen is, vindt in beginsel deze Overeenkomst toepassing. Indien echter reeds op de voet van het op 26 september 1986 tot stand gekomen IAEA-Verdrag inzake de verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen bijstand is verleend of om bijstand is verzocht, blijft op deze bijstandsverlening het IAEA-Verdrag van toepassing; op de overige verzoeken om bijstandsverlening en op de verlening van die bijstand is de Nederlands-Duitse Overeenkomst van toepassing.

Betreft de bijstand de medische behandeling van personen die slachtoffer zijn van een nucleair ongeval of van een storing waarbij radioactieve stoffen betrokken zijn, of de tijdelijke opneming van deze personen in de Bondsrepubliek Duitsland respectievelijk in Nederland, dan vindt het IAEA-Verdrag toepassing.