Preambule
De hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Geleid door de wens een eenvormige en zelfstandige werking te geven aan de Europese octrooien die voor hun grondgebieden zijn verleend krachtens het Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien van 5 oktober 1973,
Wensende een Gemeenschapsregeling voor octrooien tot stand te brengen, die bijdraagt tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en in het bijzonder tot het binnen de Gemeenschap opheffen van de concurrentievervalsingen die kunnen voortvloeien uit het territoriaal karakter van de nationale beschermende rechten,
Overwegende dat een van de fundamentele doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap is de verwijdering van hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen;
Overwegende dat een van de meest geschikte middelen om deze doelstelling te verwezenlijken voor wat betreft het vrije verkeer van door octrooien beschermde goederen, is het tot stand brengen van een Gemeenschapsregeling voor octrooien;
Overwegende dat het tot stand brengen van zulk een Gemeenschapsregeling voor octrooien daarom niet te scheiden is van het verwezenlijken van de doelstellingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, en derhalve verbonden is met de rechtsorde van de Gemeenschap;
Overwegende dat het daartoe voor de Hoge Verdragsluitende Partijen noodzakelijk is een Akkoord te sluiten, dat een bijzondere overeenkomst is in de zin van artikel 142 van het Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien, een verdrag betreffende regionale octrooien in de zin van artikel 45, eerste lid, van het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien van 19 juni 1970 en een bijzondere overeenkomst in de zin van artikel 19 van het Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom, ondertekend te Parijs op 20 maart 1883 en laatstelijk herzien op 14 juli 1967;
Overwegende dat het voor de verwezenlijking van een gemeenschappelijke markt die soortgelijke voorwaarden als een nationale markt biedt, noodzakelijk is de rechtsinstrumenten in het leven te roepen waardoor ondernemingen hun produktie en distributie aan de Europese schaal kunnen aanpassen;
Overwegende dat het vraagstuk van een doelmatige regeling van rechtsvorderingen betreffende Gemeenschapsoctrooien en de vraagstukken voortvloeiende uit de in het op 15 december 1975 te Luxemburg ondertekende Gemeenschapsoctrooiverdrag bepaalde splitsing van bevoegdheid inzake inbreuk op en de geldigheid van Gemeenschapsoctrooien, het beste kunnen worden opgelost door bevoegdheid ter zake van rechtsvorderingen betreffende inbreuk op een Gemeenschapsoctrooi te verlenen aan nationale rechterlijke instanties van eerste aanleg die zijn aangewezen als Gemeenschapsoctrooirechtbanken die tevens de geldigheid van het betwiste octrooi kunnen beoordelen en zo nodig dat octrooi kunnen wijzigen of nietig verklaren ; en dat van vonnissen van deze rechterlijke instanties beroep open moet staan bij nationale rechterlijke instanties van tweede aanleg die zijn aangewezen als Gemeenschapsoctrooirechtbanken;
Overwegende echter dat eenheid in de toepassing van het recht inzake inbreuken op en de geldigheid van Gemeenschapsoctrooien de instelling vereist van een Gemeenschappelijk Hof van Beroep voor het Gemeenschapsoctrooi dat de Verdragsluitende Staten gemeen hebben (Gemeenschappelijk Hof van Beroep) dat in beroep oordeelt over inbreuk- en geldigheidsprocedures die door Gemeenschapsoctrooirechtbanken van tweede aanleg worden verwezen;
Overwegende dat krachtens hetzelfde vereiste van eenheid in de toepassing van het recht het Gemeenschappelijk Hof van Beroep de bevoegdheid krijgt te beslissen over beroepen van de nietigheidsafdelingen en de afdeling voor de administratie van octrooien van het Europees Octrooibureau, waarbij het in de plaats treedt van de nietigheidsafdelingen die zijn ingesteld bij het op 15 december 1975 ondertekende Gemeenschapsoctrooiverdrag;
Overwegende dat het van wezenlijk belang is dat de toepassing van dit Akkoord niet mag indruisen tegen de toepassing van de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in staat moet kunnen zijn de eenheid van de rechtsorde van de Gemeenschap te waarborgen,
Verlangend de voltooiing van de interne markt en het instellen van een Europese technologiegemeenschap te bevorderen door middel van een Gemeenschapsoctrooi,
Overtuigd derhalve dat het sluiten van dit Akkoord noodzakelijk is om de uitvoering van de taken van de Europese Economische Gemeenschap te vergemakkelijken,
Zijn het volgende overeengekomen: