Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing

Convention

against torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment

The States Parties to this Convention,

Considering that, in accordance with the principles proclaimed in the Charter of the United Nations, recognition of the equal and inalienable rights of all members of the human family is the foundation of freedom, justice and peace in the world,

Recognizing that those rights derive from the inherent dignity of the human person,

Considering the obligation of States under the Charter, in particular article 55, to promote universal respect for, and observance of, human rights and fundamental freedoms,

Having regard to article 5 of the Universal Declaration of Human Rights and article 7 of the International Covenant on Civil and Political Rights, both of which provide that no one shall be subjected to torture or to cruel, inhuman or degrading treatment or punishment,

Having regard also to the Declaration on the Protection of All Persons from Being Subjected to Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, adopted by the General Assembly on 9 December 1975,

Desiring to make more effective the struggle against torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment throughout the world,

Have agreed as follows:

PART

I

Article

1

Article

2

Article

3

Article

4

Article

5

Article

6

Article

7

Article

8

Article

9

Article

10

Article

11

Each State Party shall keep under systematic review interrogation rules, instructions, methods and practices as well as arrangements for the custody and treatment of persons subjected to any form of arrest, detention or imprisonment in any territory under its jurisdiction, with a view to preventing any cases of torture.

Article

12

Each State Party shall ensure that its competent authorities proceed to a prompt and impartial investigation, wherever there is reasonable ground to believe that an act of torture has been committed in any territory under its jurisdiction.

Article

13

Each State Party shall ensure that any individual who alleges he has been subjected to torture in any territory under its jurisdiction has the right to complain to, and to have his case promptly and impartially examined by, its competent authorities. Steps shall be taken to ensure that the complainant and witnesses are protected against all ill-treatment or intimidation as a consequence of his complaint or any evidence given.

Article

14

Article

15

Each State Party shall ensure that any statement which is established to have been made as a result of torture shall not be invoked as evidence in any proceedings, except against a person accused of torture as evidence that the statement was made.

Article

16

PART

II

Article

17

Article

18

Article

19

Article

20

Article

21

Article

22

Article

23

The members of the Committee and of the ad hoc conciliation commissions which may be appointed under article 21, paragraph 1 (e), shall be entitled to the facilities, privileges and immunities of experts on mission for the United Nations as laid down in the relevant sections of the Convention on the Privileges and Immunities of the United Nations.

Article

24

The Committee shall submit an annual report on its activities under this Convention to the States Parties and to the General Assembly of the United Nations.

PART

III

Article

25

Article

26

This Convention is open to accession by all States. Accession shall be effected by the deposit of an instrument of accession with the Secretary-General of the United Nations.

Article

27

Article

28

Article

29

Article

30

Article

31

Article

32

The Secretary-General of the United Nations shall inform all States Members of the United Nations and all States which have signed this Convention or acceded to it of the following:

  • (a)

    Signatures, ratifications and accessions under articles 25 and 26;

  • (b)

    The date of entry into force of this Convention under article 27 and the date of the entry into force of any amendments under article 29;

  • (c)

    Denunciations under article 31.

Article

33

Verdrag

tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

Overwegend dat, overeenkomstig de in het Handvest van de Verenigde Naties verkondigde beginselen, de erkenning van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld,

Erkennend dat deze rechten voortvloeien uit de inherente waardigheid van de mens,

Overwegend dat krachtens het Handvest, inzonderheid artikel 55 daarvan, de Staten verplicht zijn de universele eerbied voor en de inachtneming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te bevorderen,

Gelet op artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en op artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, welke beide artikelen bepalen dat niemand mag worden onderworpen aan foltering, noch aan wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

Voorts gelet op de Verklaring inzake de bescherming van alle mensen tegen onderwerping aan foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, door de Algemene Vergadering aanvaard op 9 december 1975,

Geleid door de wens de bestrijding van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in de gehele wereld doeltreffender te doen zijn,

Zijn overeengekomen als volgt:

DEEL

I

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Iedere Staat die Partij is, beziet stelselmatig de voorschriften, instructies, methoden en praktijken voor ondervraging, alsook de regelingen voor de bewaking en behandeling van personen onderworpen aan enige vorm van arrestatie, hechtenis of gevangenhouding in gebieden onder zijn rechtsmacht, met het oog op de voorkoming van gevallen van foltering.

Artikel

12

Iedere Staat die Partij is, draagt ervoor zorg dat zijn bevoegde autoriteiten een onverwijld en onpartijdig onderzoek instellen, wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat in enig gebied onder zijn rechtsmacht foltering heeft plaatsgehad.

Artikel

13

Iedere Staat die Partij is, draagt ervoor zorg dat een persoon die stelt dat hij aan foltering is onderworpen in enig gebied onder de rechtsmacht van deze Staat, het recht heeft tot indiening van een klacht bij de bevoegde autoriteiten van deze Staat en er recht op heeft dat zijn zaak onverwijld en onpartijdig door die autoriteiten wordt onderzocht. Er dienen maatregelen te worden genomen ten einde te verzekeren dat de klager en eventuele getuigen beschermd worden tegen iedere vorm van kwaadwillige behandeling of intimidatie ten gevolge van diens klacht of van afgelegde getuigenverklaringen.

Artikel

14

Artikel

15

Iedere Staat die Partij is, draagt ervoor zorg dat een verklaring waarvan wordt vastgesteld dat deze is afgelegd ten gevolge van foltering, niet wordt aangevoerd als bewijs in een rechtszaak, behalve tegen een van foltering beschuldigde persoon als bewijs dat de verklaring werd afgelegd.

Artikel

16

DEEL

II

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

De leden van het Comité en van de conciliatiecommissies ad hoc die kunnen worden ingesteld krachtens het bepaalde in artikel 21, eerste lid, letter (e), genieten de faciliteiten, voorrechten en immuniteiten van deskundigen die zijn uitgezonden door de Verenigde Naties, zoals die zijn vastgesteld in de desbetreffende delen van het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties.

Artikel

24

Het Comité brengt een jaarverslag van zijn werkzaamheden krachtens het Verdrag uit aan de Staten die Partij zijn, en aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

DEEL

III

Artikel

25

Artikel

26

Dit Verdrag staat open voor toetreding door alle Staten. Toetreding geschiedt door de nederlegging van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

Artikel

32

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet alle Leden van de Verenigde Naties en alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden, mededeling van het volgende:

  • (a)

    Ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen ingevolge de artikelen 25 en 26;

  • (b)

    De datum van inwerkingtreding van dit Verdrag ingevolge artikel 27 en de datum van het van kracht worden van wijzigingen ingevolge artikel 29;

  • (c)

    Opzeggingen ingevolge artikel 31.

Artikel

33