Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Belgie inzake het wederzijds meerekenen van voorraden ruwe aardolie, halffabrikaten van aardolie en aardolieprodukten

Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België inzake het wederzijds meerekenen van voorraden ruwe aardolie, halffabrikaten van aardolie en aardolieprodukten

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België,

Overwegende dat:

  • -

    de richtlijn 68/414/EEG van 20 december 1968 van de Raad van de Europese Gemeenschappen de Lid-Staten van de EG ertoe verplicht een minimumvoorraad van 65 dagen ruwe aardolie en/of aardolieprodukten in opslag te houden en dat, meer inzonderheid, artikel 6 - lid 2 - van deze richtlijn voorziet in het meerekenen van de voorraden gelegen op het grondgebied van een andere Lid-Staat in het kader van bijzondere intergouvernementele overeenkomsten;

  • -

    de richtlijn 72/425/EEG van 19 december 1972 van de Raad van de Europese Gemeenschappen de referentieperiode om minimumvoorraden ruwe aardolie en/of aardolieprodukten in opslag te houden, van 1 januari 1975 af, op 90 dagen brengt;

  • -

    de aardoliemarkten van beide landen op grond van hun geografische ligging en door het hoog ontwikkelde distributienet nauw met elkaar vervlochten zijn;

Gelet op de nationale wetgeving op het gebied van de opslag van aardolieprodukten;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel

1

Voor toepassing van het bij of krachtens deze Overeenkomst bepaalde wordt verstaan onder:

„Voorraden”: voorraden ruwe aardolie, halffabrikaten van aardolie en aardolieprodukten;

„Voorraadplicht”:

  • -

    in het Koninkrijk der Nederlanden: de verplichting tot het aanhouden van voorraden, zoals deze voortvloeit uit de Wet voorraadvorming aardolieprodukten van 21 oktober 1976 (Stbl. 1976, 569), en

  • -

    in het Koninkrijk België: de verplichting tot het aanhouden van voorraden zoals deze voortvloeit uit het Koninklijk Besluit van 11 oktober 1971 (B.S. 31.12.1971) en het Koninklijk Besluit van 1 juni 1976 (B.S. 9.6.1976);

„Nederlandse, onderscheidenlijk Belgische voorraadplichtige”: hij, die onderworpen is aan de Nederlandse, onderscheidenlijk Belgische voorraadplicht.

Artikel

2

In Nederland opgeslagen voorraden kunnen in het raam der navolgende bepalingen worden meegerekend door Belgische voorraadplichtigen.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

De voorraden, welke mogen worden meegerekend voor de Belgische voorraadplicht kunnen onder alle omstandigheden vrij naar België worden afgevoerd. In geval van een voorzieningscrisis kunnen de voorraden die gedurende het kwartaal waarin de voorzieningscrisis is uitgebroken mogen worden meegerekend, ook na dat kwartaal onbeperkt vrij naar België worden afgevoerd. De afvoer van de voorraden dient tijdens een voorzieningscrisis zo spoedig mogelijk te worden gemeld aan de Nederlandse Minister van Economische Zaken, die bevoegd is ter identificatie van de betrokken voorraden nadere regelen te stellen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de vrije afvoer.

Artikel

8

De bepalingen 1 tot en met 7 zijn van overeenkomstige toepassing voor in België opgeslagen voorraden die Nederlandse voorraadplichtigen wensen mee te rekenen voor de op hen rustende voorraadplicht.

Artikel

9

Op voorstel van een der Contracterende Partijen kan nopens al wat de interpretatie en de toepassing van dit Akkoord betreft, overleg worden gepleegd. In geval van voorzieningscrisis vindt dergelijk overleg zo spoedig mogelijk plaats.

Artikel

10

Indien een van de Overeenkomstsluitende Partijen het wenselijk acht een bepaling van deze Overeenkomst te wijzigen, kan zij de andere Overeenkomstsluitende Partij om overleg verzoeken. Dit overleg vangt aan binnen zestig (60) dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van het verzoek.

De Overeenkomstsluitende Partijen stemmen schriftelijk in met elke wijziging van de Overeenkomst en die wijziging wordt van kracht zodra de beide Overeenkomstsluitende Partijen elkander hebben medegedeeld dat de voor de inwerkingtreding vereiste grondwettelijke procedures zijn voltooid.

Artikel

11

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is deze Overeenkomst alleen van toepassing op het Rijk in Europa.

Artikel

12

Deze Overeenkomst treedt in werking een maand nadat de Regeringen van de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar hebben medegedeeld, dat in hun onderscheiden landen de grondwettelijke procedures voor de inwerkingtreding der Overeenkomst hebben plaatsgevonden.

Artikel

13

Deze Overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Elk der beide Overeenkomstsluitende Partijen kan haar uiterlijk drie maanden voor het einde van enig kalenderjaar opzeggen, in welk geval de Overeenkomst met ingang van het eerstvolgende kalenderjaar ophoudt van kracht te zijn. Van de mogelijkheid tot opzegging mag geen gebruik worden gemaakt in geval van een crisis in de voorziening. De Commissie der Europese Gemeenschappen dient, in ieder geval, vooraf van de opzegging op de hoogte te worden gesteld.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Brussel, op 14 februari 1983, in tweevoud, in de Nederlandseen inde Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninklijk der

Nederlanden,

(w.g.) C. A. VAN DER KLAAUW

Voor het Koninkrijk

België,

(w.g.) L. TINDEMANS