Benelux-Overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming

Benelux-Overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming

De Regering van het Koninkrijk België,

De Regering van het Groothertogdom Luxemburg,

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

Overwegende dat tijdens de Derde Benelux-Regeringsconferentie, gehouden te Brussel, op 20 en 21 oktober 1975, besloten is dat, in het raam van een actief Benelux-beleid op het gebied van het leefmilieu, het natuurbehoud, het behoud van natuurgebieden en de bescherming van waardevolle landschappen als een concrete doelstelling worden gezien,

Gelet op het door de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad op 13 december 1980 uitgebrachte advies,

Hebben besloten te dien einde een Overeenkomst te sluiten en zijn het volgende overeengekomen:

Artikel

1

Artikel

2

Om de in artikel 1 neergelegde doelstellingen te verwezenlijken, verbinden de drie Regeringen zich ertoe om op de navolgende gebieden samen te werken:

  • 1.

    harmonisatie van de beleidsuitgangspunten en -instrumenten terzake voor zover deze noodzakelijk wordt geacht met name op het vlak van de wetten en reglementeringen betreffende het object van deze Overeenkomst;

  • 2.

    onderlinge kennisgeving van en overleg over de nieuwe maatregelen en ontwikkelingen teneinde het in de drie landen gevoerde beleid met betrekking tot de grensoverschrijdende natuurgebieden en waardevolle landschappen op elkaar af te stemmen en te coördineren;

  • 3.

    het organiseren van gecoördineerde voorlichtings- en educatieve campagnes;

  • 4.

    het uitwisselen van wetenschappelijke gegevens en zonodig het gezamenlijk verrichten van onderzoek;

  • 5.

    gecoördineerde uitvoering van in een ruimer internationaal verband gesloten akkoorden.

Artikel

3

Met het oog op een doeltreffende bescherming van hun grensoverschrijdende natuurgebieden en waardevolle landschappen worden door de drie Regeringen de navolgende activiteiten ondernomen of bevorderd:

  • 1.

    het ontwikkelen van een visie op de bescherming en het beheer van grensoverschrijdende natuurgebieden en waardevolle landschappen, met inbegrip van grensoverschrijdende parken alsmede van gebieden die voor migrerende soorten van belang zijn; het formuleren van de criteria waaraan vorenbedoelde gebieden en hun bescherming en beheer zouden moeten voldoen;

  • 2.

    het inventariseren, het begrenzen van en het verlenen van een beschermingsstatuut aan gebieden bedoeld onder 1 die het onderwerp uitmaken van een beschikking conform artikel 4 van de onderhavige Overeenkomst;

  • 3.

    het opstellen van op elkaar afgestemde programma's voor het beheer en de bescherming van de onder punt 1 bedoelde gebieden die het onderwerp uitmaken van een beschikking conform artikel 4 van de onderhavige Overeenkomst;

  • 4.

    regelmatig overleg betreffende de uitvoering van de onder 3 hierboven bedoelde programma's;

  • 5.

    raadpleging over de voornemens en de ontwikkelingen welke bedoelde grensoverschrijdende gebieden kunnen aantasten.

Artikel

4

Voor de verwezenlijking van de in artikel 2 en 3 genoemde doelstellingen worden door het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie beschikkingen genomen overeenkomstig artikel 18 van het Unieverdrag en rekening houdend met de aan ieder land of deel daarvan eigen omstandigheden. Deze beschikkingen verbinden de drie Regeringen en worden in ieder der drie Staten bekend gemaakt in de vorm welke aldaar voor de bekendmaking van verdragen is voorgeschreven.

Artikel

5

De drie Regeringen nemen de nodige maatregelen ter uitvoering van de in artikel 3, punt 3 bedoelde programma's, passen deze toe en passen deze zonodig aan.

Artikel

6

De Overeenkomstsluitende Partijen behouden zich de mogelijkheid voor verdergaande voorzieningen te treffen dan die welke in deze Overeenkomst zijn neergelegd.

Artikel

7

Artikel

9

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt deze Overeenkomst alleen voor het Rijk in Europa.

Artikel

10

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Brussel, op 8 juni 1982, in drievoud, in de Nederlandse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk België,

(w.g.) L. C. TINDEMANS

Voor de Regering van het Groothertogdom Luxemburg,

(w.g.) P. WURTH

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) C. A. VAN DER KLAAUW

Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie inzake wederzijdse bijstand ter vaststelling van schade veroorzaakt door grensoverschrijdende gevolgen van grondwateronttrekking M(83)26

Het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie,

Gelet op de artikelen 2 en 3 van de Benelux-overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming, M(81)4 ondertekend te Brussel, op 8 juni 1982 en op 1 oktober 1983 in werking getreden, en artikel 8 van het Unieverdrag,

Overwegende dat tijdens de Derde Benelux-Regeringsconferentie, gehouden te Brussel op 20 en 21 oktober 1975 besloten is dat het overleg en de samenwerking inzake grondwaterwinning in de grensgebieden als een concrete doelstelling moet worden gezien voor een actief Benelux-beleid,

Overwegende dat de Raadgevende Interparlementaire Benelux-Raad op 14 juni 1974 de drie Regeringen een aanbeveling heeft doen toekomen betreffende eventuele schade voor de landbouw, welke door de drinkwaterwinning is veroorzaakt,

Overwegende, dat het in het raam van die doelstelling van belang is de belemmeringen weg te nemen die zich kunnen voordoen ten aanzien van de mogelijkheid tot vaststelling van schade bij grensoverschrijdende gevolgen van grondwateronttrekking in de grensgebieden,

Overwegende, dat daarmede in het bijzonder de belangen zijn gebaat van degenen die voor de vaststelling van hun aanspraken op vergoeding van zodanige schade de op grond van het van toepassing zijnde nationale recht voorgeschreven administratief-rechtelijke of burgerrechtelijke procedures moeten volgen,

Heeft het volgende beslist:

Artikel

1

Ten behoeve van het onderzoek van aanspraken op vergoeding van schade, aan ene zijde van de Belgisch-Nederlandse grens veroorzaakt door grondwaterwinning aan de andere zijde van die grens, wordt een permanente Gemengde Schadecommissie ingesteld, verder te noemen de Commissie.

Artikel

2

Artikel

3

Degene die meent schade te ondervinden die wordt veroorzaakt door een grondwateronttrekking aan de andere zijde van de grens, kan zich tot de Commissie wenden met een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek om daarnaar een onderzoek in te stellen.

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Iedere betrokken Regering verleent de Commissie de bevoegdheid tot het zelf verrichten van onderzoek ter plaatse van de grondwateronttrekking en in het gebied waarover de gevolgen van de grondwaterwinning zich kunnen uitstrekken.

Artikel

9

Iedere betrokken Regering bevordert dat de voor de vergunningverlening bevoegde autoriteit aan vergunningen voor grondwaterwinning, waarvan redelijkerwijs grensoverschrijdende gevolgen zijn te verwachten, het voorschrift verbindt dat de vergunninghouder de nodige waarnemingen van de grondwaterstand op zijn kosten doet verrichten, op dezelfde voet als wanneer de gevolgen zich alleen over het nationale grondgebied zouden uitstrekken.

Artikel

10

GEDAAN te Brussel, op 17 oktober 1983.

De Voorzitter van het Comité van Ministers,

(w.g.) C. FLESCH

Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie inzake de introductie in de natuur van niet-inheemse diersoorten M(83)27

Het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie,

Gelet op de artikelen 2 en 4 van de Benelux Overeenkomst inzake natuurbehoud en landschapsbescherming, M(81) 4 ondertekend te Brussel op 8 juni 1982 en op 1 oktober 1983 in werking getreden,

Gelet op artikel 8 van het Unieverdrag,

Overwegende dat de regeringen tijdens de Derde Benelux Regeringsconferentie van 20 en 21 oktober 1975 besloten hebben het beleid ten aanzien van het leefmilieu te coördineren,

Heeft het volgende beslist,

Artikel

1

De regeringen van de Beneluxlanden dragen, met het oog op het tegengaan van fauna-vervalsing en de oncontroleerbare ontwikkeling van niet-inheemse diersoorten, er zorg voor dat in ieder partnerland de introductie in de natuur van deze diersoorten wordt verboden, behoudens vergunning van de Ministers, verantwoordelijk voor de bescherming en het beheer van fauna en flora.

Artikel

2

De regeringen van de Beneluxlanden dragen er zorg voor dat de in artikel 1 bedoelde vergunning enkel wordt verleend, nadat een grondig onderzoek heeft plaatsgehad van de weerslag van de introductie in de natuur van bedoelde diersoorten op de inheemse fauna en levensgemeenschappen en een inzicht is verworven in hun verspreidingskansen in aangrenzende gebieden.

Zij dragen er zorg voor dat de introductie in de natuur van niet-inheemse diersoorten geen nadelige invloed heeft op de plaatselijke fauna en flora.

Artikel

3

De regeringen van de Beneluxlanden plegen voorafgaandelijk overleg met betrekking tot het vergunningenbeleid en wisselen de in artikel 2 bedoelde onderzoeksresultaten uit.

Het overleg en de informatie-uitwisseling zoals bedoeld in dit artikel vindt plaats in het kader van de Bijzondere Commissie voor het Leefmilieu, Sectie ‘Natuurbehoud en Landschapsbescherming’.

Artikel

4

GEDAAN te Brussel, op 17 oktober 1983.

De Voorzitter van het Comité van Ministers,

(w.g.) C. FLESCH

Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie inzake overleg en samenwerking bij de voorbereiding van beslissingen omtrent vergunningen voor grondwateronttrekkingen waarvan grensoverschrijdende gevolgen mogelijk zijn M(84)16

Het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie,

Gelet op de artikelen 2 en 3 van de Benelux-Overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming, M(81)4 ondertekend te Brussel, op 8 juni 1982 en op 1 oktober 1983 in werking getreden en gelet op artikel 8 van het Verdrag,

Gelet op de Beschikking van het Comité van Ministers van 17 oktober 1983 inzake wederzijdse bijstand ter vaststelling van schade veroorzaakt door grensoverschrijdende gevolgen van grondwateronttrekking, M(83)26,

Overwegende dat de Raadgevende Interparlementaire Benelux-Raad op 14 juni 1974 de drie Regeringen heeft aanbevolen mogelijke aan de landbouw toegebrachte schade ten gevolge van drinkwatervoorziening te voorkomen,

Overwegende dat tijdens de Derde Benelux-Regeringsconferentie, gehouden te Brussel op 20 en 21 oktober 1975, besloten is dat het overleg en de samenwerking inzake grondwaterwinning in de grensgebieden als een concrete doelstelling moet worden gezien voor een actief Benelux-beleid,

Overwegende dat het in het raam van die doelstelling nodig is dat afspraken worden gemaakt omtrent de wijze waarop wordt gehandeld indien het de voorbereiding betreft van beslissingen over vergunningen voor grondwateronttrekkingen waarvan grensoverschrijdende gevolgen mogelijk zijn,

Heeft het volgende beslist,

Artikel

1

Indien een aanvraag is ingediend terzake van een vergunning voor een grondwateronttrekking die groter is dan 1.000 m3 per dag of 200.000 m3 per jaar en vanwege de omvang en de plaats van die winning kan worden verwacht dat deze de grondwaterreserves in een aan de andere zijde van de Belgisch-Nederlandse grens gelegen gebied kan beïnvloeden, zal de autoriteit die met het onderzoek is belast zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag in overleg treden met de voor het waterbeleid in dat gebied bevoegde autoriteit, teneinde deze in de gelegenheid te stellen op zijn gebied een onderzoek in te stellen.

Artikel

2

Aan de in artikel 1 bedoelde autoriteit die bevoegd is voor het aan de andere zijde van de Belgisch-Nederlandse grens gelegen gebied, zal tevens worden gevraagd om binnen een door de autoriteit die met het onderzoek is belast te stellen termijn over de in de vergunning op te nemen voorwaarden ter bescherming van de landbouw en de natuur en van de bovengrondse eigendommen advies uit te brengen.

De autoriteit die met het onderzoek is belast betrekt het haar tijdig uitgebracht advies in haar overwegingen ten aanzien van de aanvraag.

Artikel

3

Indien op grond van de vigerende wetgeving en/of reglementering terzake bij de aanvraag een technisch rapport over de gevolgen van de grondwaterwinning moet worden overgelegd, dan wel naar aanleiding daarvan moet worden uitgebracht, verlenen de bevoegde autoriteiten aan elkander de noodzakelijke medewerking onder meer door het verschaffen van de voor het opstellen van het rapport vereiste gegevens.

Artikel

4

Artikel

5

GEDAAN te Brussel, op 12 december 1984.

De Voorzitter van het Comité van Ministers,

(w.g.) L. TINDEMANS

Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie met betrekking tot een Belgisch-Nederlands grenspark „Kalmthoutse Heide”

M (87)10

Het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie,

Gelet op de Benelux-Overeenkomst inzake natuurbehoud en landschapsbescherming, M (81) 4, ondertekend te Brussel op 8 juni 1982 en met name de artikelen 2, 3 en 4,

Overwegende dat de totstandkoming van grensoverschrijdende parken een belangrijke doelstelling is van de bovengenoemde Overeenkomst,

Heeft het volgende beslist:

Artikel

1

Artikel

2

De bevoegde autoriteiten verbinden zich ten behoeve van de in artikel 1, tweede lid, bedoelde beslissing:

  • 1.

    de nodige procedures in gang te zetten en

  • 2.

    bijzondere aandacht te besteden aan de mogelijkheden om middels op elkaar afgestemde maatregelen in het in artikel 1 bedoelde gebied:

    • a.

      de instandhouding van de aard en van de waarde van het landschap en natuurgebieden en de bescherming van het water te waarborgen;

    • b.

      de afstemming van de economische activiteiten, in het bijzonder op het gebied van bos- en landbouw, op de kwaliteit van het landschap en het natuurlijk milieu, te bewerkstelligen,

een en ander met in achtneming van de sociale en culturele belangen van de betrokken bewoners.

Artikel

3

Artikel

4

Deze beschikking treedt in werking op de dag van haar ondertekening.

GEDAAN te Brussel, op 24 november 1987.

Voor de Voorzitter van het Comité van Ministers,

(w.g.) M. EYSKENS

Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie inzake overleg en samenwerking bij de voorbereiding van beslissingen die van belang zijn voor de bescherming van het grondwater in de grensgebieden

M (88) 8

Het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie,

Gelet op de Benelux-Overeenkomst op het gebied van natuurbehoud en landschapsbescherming, M (81) 4, met name de artikelen 2, 3 en 4,

Overwegende dat het van belang is dat gelijke voorwaarden worden geschapen voor de bescherming van het grondwater aan beide zijden van de intra-grenzen,

Overwegende dat het nodig is dat afspraken worden gemaakt omtrent de wijze waarop wordt gehandeld ingeval beslissingen moeten worden genomen die van belang zijn voor de bescherming van grensoverschrijdende waterlagen,

Heeft het volgende beslist,

Artikel

1

Artikel

2

Indien een autoriteit die belast is met het onderzoek voor de afbakening van de zonering (grondwaterbeschermingsgebieden) van oordeel is dat, vanwege de aanwezigheid van grensoverschrijdende waterlagen, in dat onderzoek ook het gebied aan de andere zijde van de Belgisch-Nederlandse grens moet worden betrokken, verleent de daar met betrekking tot vaststelling van beschermingszones bevoegde autoriteit haar medewerking door het verschaffen van gegevens over de bodemgesteldheid en over de aanwezigheid van factoren die op de kwaliteit van het grondwater in de grensoverschrijdende waterlaag van invloed kunnen zijn en zo mogelijk door het uitbrengen van advies.

Artikel

3

De autoriteiten die belast zijn met de voorbereiding van de besluiten tot afbakening van zonering (aanwijzing grondwaterbeschermingsgebieden), en tot vaststelling van gebruiksvoorschriften met betrekking tot het waterwingebied respectievelijk het grondwaterbeschermingsgebied, betrekken daarbij tijdig de autoriteiten die aan de andere zijde van de Belgisch-Nederlandse grens bevoegd zijn tot het nemen van soortgelijke besluiten.

Artikel

4

Artikel

5

De vaststelling van zonering (aanwijzing grondwaterbeschermingsgebieden) en in verband daarmee van gebruiksvoorschriften aan de ene zijde van de Belgisch-Nederlandse grens, uitsluitend of in hoofdzaak met het oog op een grondwaterbeschermingsgebied aan de andere zijde van die grens, geschiedt onder het voorbehoud dat, voorzover de uit die vaststelling voortvloeiende beperking krachtens de aan de ene zijde van die grens toepasselijke wetgeving grond kan zijn voor het toekennen van schadevergoeding aan derden, de kosten daarvan in rekening kunnen worden gebracht door de bevoegde autoriteit of bij de begunstigde vergunninghouder aan de andere zijde van die grens.

Artikel

6

Indien tussen de autoriteit aan de ene zijde van de Belgisch-Nederlandse grens en die aan de andere zijde van die grens verschil van inzicht bestaat over de betekenis die moet worden verbonden aan de feiten en omstandigheden in een door laatstgenoemde autoriteit uitgebracht advies in de zin van artikel 1 of artikel 2, een commentaar in de zin van artikel 4 lid 1, dan wel een verzoek tot schadevergoeding in de zin van artikel 5, zal eerstbedoelde autoriteit daarover het advies vragen van de Gemengde Schadecommissie, als voorzien in de Beschikking van het Comité van Ministers van 17 oktober 1983 inzake wederzijdse bijstand ter vaststelling van schade veroorzaakt door grensoverschrijdende gevolgen van grondwateronttrekking, M (83) 26. Het advies zal worden uitgebracht binnen de door de bevoegde autoriteiten te stellen termijn. De autoriteit die met het onderzoek is belast betrekt het haar tijdig uitgebracht advies in haar overwegingen ten aanzien van de aanvraag.

Artikel

7

Indien bij de bevoegde autoriteit aan de ene zijde van de grens het vermoeden bestaat dat de kwaliteit van het grondwater nadelig is of wordt beïnvloed door bepaalde handelingen die aan de andere zijde van de grens plaatsvinden in strijd met de daarvoor gestelde voorschriften, doet zij daarvan mededeling aan de bevoegde autoriteit aan de andere zijde van de grens. Laatstbedoelde autoriteit zal de andere autoriteit binnen redelijke termijn op de hoogte houden.

Artikel

8

De bevoegde autoriteiten, in de zin van artikel 3, maken onderling nadere afspraken over het dadelijk melden van de nodige gegevens met betrekking tot calamiteiten of andere onvoorziene gebeurtenissen die besmetting van de grensoverschrijdende waterlaag ten gevolge hebben.

Artikel

9

GEDAAN te Brussel, op 25 mei 1988.

De voorzitter van het Comité van Ministers,

J. F. POOS

Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie tot instelling van een Bijzondere Commissie van overleg en advies tot opstelling van een beheers- en inrichtingsplan voor het toekomstig grensoverschrijdend park de Zoom-Kalmthoutse Heide

M (92) 3

Het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie, Gelet op de artikelen 30, 31 en 32 van het Unieverdrag,

Gelet op de Benelux-Overeenkomst inzake natuurbehoud en landschapsbescherming, M (81) 4, ondertekend te Brussel op 8 juni 1982 en met name de artikelen 2, 3 en 4,

Gelet op de Benelux-Beschikking, M (87) 10, ondertekend te Brussel op 24 november 1987, met betrekking tot een Belgisch-Nederlands grenspark „Kalmthoutse Heide”,

Overwegende dat de totstandkoming van grensoverschrijdende parken een belangrijke doelstelling is van de bovengenoemde Overeenkomst en kadert in van toepassing zijnde internationale regelingen,

Mede gelet op het terzake uitgebrachte advies van de Nederlandse Voorlopige Commissie Nationale Parken en het Rapport van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap,

Heeft het volgende beslist:

Artikel

1

Voor het gebied „De Zoom-Kalmthoutse Heide” zoals begrensd op de bij deze beschikking horende kaart2) [Red: Niet afgedrukt.]wordt een Bijzondere Commissie van Overleg en Advies tot opstelling van een beheers- en inrichtingsplan ingesteld.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

In afwachting van de goedkeuring van het beheers- en inrichtingsplan nemen de bevoegde autoriteiten de nodige maatregelen voor de instandhouding van de aard en van de waarde van het landschap en de natuurgebieden in het in artikel 1 bedoelde gebied.

Artikel

5

Deze beschikking treedt in werking op de dag van haar ondertekening.

GEDAAN te Luxemburg, op 15 juni 1992.

De Voorzitter van het Comité van Ministers,

(w.g.) W. CLAES