Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart

Convention for the Suppression of Unlawful Acts against the Safety of Maritime Navigation

The States Parties to this Convention,

Having in mind the purposes and principles of the Charter of the United Nations concerning the maintenance of international peace and security and the promotion of friendly relations and co-operation among States,

Recognizing in particular that everyone has the right to life, liberty and security of person, as set out in the Universal Declaration of Human Rights and the International Covenant on Civil and Political Rights,

Deeply concerned about the world-wide escalation of acts of terrorism in all its forms, which endanger or take innocent human lives, jeopardize fundamental freedoms and seriously impair the dignity of human beings,

Considering that unlawful acts against the safety of maritime navigation jeopardize the safety of persons and property, seriously affect the operation of maritime services, and undermine the confidence of the peoples of the world in the safety of maritime navigation,

Considering that the occurrence of such acts is a matter of grave concern to the international community as a whole,

Being convinced of the urgent need to develop international co-operation between States in devising and adopting effective and practical measures for the prevention of all unlawful acts against the safety of maritime navigation, and the prosecution and punishment of their perpetrators,

Recalling resolution 40/61 of the General Assembly of the United Nations of 9 December 1985 which, inter alia, "urges all States unilaterally and in co-operation with other States, as well as relevant United Nations organs, to contribute to the progressive elimination of causes underlying international terrorism and to pay special attention to all situations, including colonialism, racism and situations involving mass and flagrant violations of human rights and fundamental freedoms and those involving alien occcupation, that may give rise to international terrorism and may endanger international peace and security",

Recalling further that resolution 40/61 "unequivocally condemns, as criminal, all acts, methods and practices of terrorism wherever and by whomever committed, including those which jeopardize friendly relations among States and their security",

Recalling also that by resolution 40/61, the International Maritime Organization was invited to "study the problem of terrorism aboard or against ships with a view to making recommendations on appropriate measures",

Having in mind resolution A.584(14) of 20 November 1985, of the Assembly of the International Maritime Organization, which called for development of measures to prevent unlawful acts which threaten the safety of ships and the security of their passengers and crews,

Noting that acts of the crew which are subject to normal shipboard discipline are outside the purview of this Convention,

Affirming the desirability of monitoring rules and standards relating to the prevention and control of unlawful acts against ships and persons on board ships, with a view to updating them as necessary, and, to this effect, taking note with satisfaction of the Measures to Prevent Unlawful Acts against Passengers and Crews on Board Ships, recommended by the Maritime Safety Committee of the International Maritime Organization,

Affirming further that matters not regulated by this Convention continue to be governed by the rules and principles of general international law,

Recognizing the need for all States, in combating unlawful acts against the safety of maritime navigation, strictly to comply with rules and principles of general international law,

Have agreed as follows:

Article

1

For the purposes of this Convention, "ship" means a vessel of any type whatsoever not permanently attached to the sea-bed, including dynamically supported craft, submersibles, or any other floating craft.

Article

2

Article

3

Article

4

Article

5

Each State Party shall make the offences set forth in article 3 punishable by appropriate penalties which take into account the grave nature of those offences.

Article

6

Article

7

Article

8

Article

9

Nothing in this Convention shall affect in any way the rules of international law pertaining to the competence of States to exercise investigative or enforcement jurisdiction on board ships not flying their flag.

Article

10

Article

11

Article

12

Article

13

Article

14

Any State Party having reason to believe that an offence set forth in article 3 will be committed shall, in accordance with its national law, furnish as promptly as possible any relevant information in its possession to those States which it believes would be the States having established jurisdiction in accordance with article 6.

Article

15

Article

16

Article

17

Article

18

Article

19

Article

20

Article

21

Article

22

This Convention is established in a single original in the Arabic, Chinese, English, French, Russian and Spanish languages, each text being equally authentic.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed this Convention.

DONE at Rome this tenth day of March one thousand nine hundred and eighty-eight.

Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart

De Staten-Partijen bij dit Verdrag,

Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten,

Erkennend in het bijzonder dat een ieder recht heeft op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon, zoals uiteengezet in de Universele verklaring van de rechten van de mens en het Internationale Verdrag inzake de burgerrechten en de politieke rechten,

Ernstig bezorgd over de toeneming over de gehele wereld van daden van terrorisme in al zijn vormen, waardoor onschuldigen in gevaar worden gebracht of van het leven worden beroofd, fundamentele vrijheden worden bedreigd en de menselijke waardigheid ernstig wordt aangetast,

Overwegend dat wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart de veiligheid van personen en goederen in gevaar brengen, de exploitatie van zeediensten ernstig aantasten en het vertrouwen dat de volkeren der wereld stellen in de veiligheid der zeevaart ondermijnen,

Overwegend dat dergelijke gedragingen de gehele internationale gemeenschap ernstig verontrusten,

Overtuigd van de dringende behoefte aan de totstandkoming van internationale samenwerking tussen Staten bij de opstelling en het nemen van doeltreffende en praktische maatregelen ter voorkoming van alle wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart, alsmede bij de vervolging en bestraffing van de daders,

In herinnering brengend resolutie 40/61 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 9 december 1985 die, onder andere, „alle Staten dringend verzoekt om hetzij eenzijdig, hetzij in samenwerking met andere Staten, alsook de desbetreffende organen van de Verenigde Naties, een bijdrage te leveren aan de geleidelijke uitbanning van de oorzaken van het internationale terrorisme en bijzondere aandacht te besteden aan alle omstandigheden - met inbegrip van kolonialisme, racisme en omstandigheden waarin sprake is van massale en flagrante schendingen van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede omstandigheden waarin sprake is van een vreemde bezetting - die aanleiding kunnen geven tot internationaal terrorisme en die de internationale vrede en veiligheid in gevaar kunnen brengen”,

Voorts in herinnering brengend dat resolutie 40/61 „alle daden, methoden en praktijken van terrorisme, ongeacht waar en door wie gepleegd of toegepast, met inbegrip van die welke de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en hun veiligheid in gevaar brengen, ondubbelzinnig bestempelt als misdadig”,

Tevens in herinnering brengend dat de Internationale Maritieme Organisatie in resolutie 40/61 was verzocht „het vraagstuk van het terrorisme aan boord van of gericht tegen schepen te bestuderen, teneinde passende maatregelen te kunnen aanbevelen”,

Indachtig resolutie A.584(14) van 20 november 1985 van de Vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie, die opriep tot het treffen van maatregelen ter voorkoming van wederrechtelijke gedragingen die de veiligheid van schepen en die van hun passagiers en bemanningen bedreigen,

Vaststellend dat gedragingen van de bemanning die zijn onderworpen aan de gewone scheepstucht buiten de werkingssfeer van dit Verdrag vallen,

Bevestigend dat het wenselijk is de regels en normen met betrekking tot de voorkoming en bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen schepen en personen aan boord van schepen nauwlettend te volgen, teneinde deze indien nodig te kunnen aanpassen, en in dat kader met voldoening nota nemend van de maatregelen tot voorkoming van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen passagiers en bemanningen aan boord van schepen, aanbevolen door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie,

Voorts bevestigend dat aangelegenheden die niet voor dit Verdrag worden geregeld, beheerst blijven door de regelen en beginselen van algemeen internationaal recht,

Erkennend de noodzaak dat alle Staten bij de bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart de regelen en beginselen van algemeen internationaal recht strikt naleven,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel

1

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „schip”: een vaartuig, ongeacht het type, dat niet permanent met de zeebodem is verbonden, met inbegrip van dynamisch gedragen vaartuigen, onderwatervaartuigen en andere vaartuigen in drijvende toestand.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Elke Staat-Partij stelt op het plegen van de in artikel 3 genoemde strafbare feiten passende straffen die rekening houden met de ernst van de feiten.

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

De regelen van internationaal recht met betrekking tot de bevoegdheid van Staten om rechtsmacht op het gebied van opsporing en tenuitvoerlegging uit te oefenen aan boord van schepen die niet onder hun vlag varen, worden op generlei wijze door dit Verdrag aangetast.

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Een Staat-Partij die reden heeft om aan te nemen dat een strafbaar feit zoals bedoeld in artikel 3 zal worden gepleegd, verstrekt, in overeenstemming met zijn nationale wetgeving, zo spoedig mogelijk alle ter zake dienende inlichtingen waarover hij beschikt aan de Staten waarvan hij meent dat zij de Staten zijn die hun rechtsmacht hebben vastgelegd overeenkomstig artikel 6.

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Dit Verdrag is opgesteld in één oorspronkelijk exemplaar in de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde elke tekst gelijkelijk authentiek.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Rome, de tiende maart negentienhonderdachtentachtig.