Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, zoals gewijzigd door Protocol 1 en Protocol 2 van 4-11-1993

European Convention for the prevention of torture and inhuman or degrading treatment or punishment

The member States of the Council of Europe, signatory hereto,

Having regard to the provisions of the Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms;

Recalling that, under Article 3 of the same Convention, "no one shall be subjected to torture or to inhuman or degrading treatment or punishment";

Noting that the machinery provided for in that Convention operates in relation to persons who allege that they are victims of violations of Article 3;

Convinced that the protection of persons deprived of their liberty against torture and inhuman or degrading treatment or punishment could be strengthened by non-judicial means of a preventive character based on visits,

Have agreed as follows:

CHAPTER

I

Article

1

There shall be established a European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hereinafter referred to as "the Committee"). The Committee shall, by means of visits, examine the treatment of persons deprived of their liberty with a view to strengthening, if necessary, the protection of such persons from torture and inhuman or degrading treatment or punishment.

Article

2

Each Party shall permit visits, in accordance with this Convention, to any place within its jurisdiction where persons are deprived of their liberty by a public authority.

Article

3

In the application of this Convention, the Committee and the competent national authorities of the Party concerned shall co-operate with each other.

CHAPTER

II

Article

4

Article

5

Article

6

CHAPTER

III

Article

7

Article

8

Article

9

Article

10

Article

11

Article

12

Subject to the rules of confidentiality in Article 11, the Committee shall every year submit to the Committee of Ministers a general report on its activities which shall be transmitted to the Consultative Assembly and to any non-member State of the Council of Europe which is a party to the Convention, and made public.

Article

13

The members of the Committee, experts and other persons assisting the Committee are required, during and after their terms of office, to maintain the confidentiality of the facts or information of which they have become aware during the discharge of their functions.

Article

14

CHAPTER

IV

Article

15

Each Party shall inform the Committee of the name and address of the authority competent to receive notifications to its Government, and of any liaison officer it may appoint.

Article

16

The Committee, its members and experts referred to in Article 7, paragraph 2, shall enjoy the privileges and immunities set out in the annex to this Convention.

Article

17

CHAPTER

V

Article

18

Article

19

Article

20

Article

21

No reservation may be made in respect of the provisions of this Convention.

Article

22

Article

23

The Secretary General of the Council of Europe shall notify the member States and any non-member State of the Council of Europe party to the Convention of

  • a.

    any signature;

  • b.

    the deposit of any instrument of ratification, acceptance approval or accession;

  • c.

    any date of entry into force of this Convention in accordance with Articles 19 and 20;

  • d.

    any other act, notification or communication relating to this Convention, except for action taken in pursuance of Articles 8 and 10.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Convention.

DONE at Strasbourg, this 26th day of November 1987 in English and French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe.

Annex

Privileges and immunities

(Article 16)

1

For the purpose of this annex, references to members of the Committee shall be deemed to include references to experts mentioned in Article 7, paragraph 2.

2

The members of the Committee shall, while exercising their functions and during journeys made in the exercise of their functions, enjoy the following privileges and immunities:

  • a.

    immunity from personal arrest or detention and from seizure of their personal baggage and, in respect of words spoken or written and all acts done by them in their official capacity, immunity from legal process of every kind;

  • b.

    exemption from any restrictions on their freedom of movement: on exit from and return to their country of residence, and entry into and exit from the country in which they exercise their functions, and from alien registration in the country which they are visiting or through which they are passing in the exercise of their functions.

3

In the course of journeys undertaken in the exercise of their functions, the members of the Committee shall, in the matter of customs and exchange control, be accorded:

  • a.

    by their own government, the same facilities as those accorded to senior officials travelling abroad on temporary official duty;

  • b.

    by the governments of other Parties, the same facilities as those accorded to representatives of foreign governments on temporary official duty.

4

Documents and papers of the Committee, insofar as they relate to the business of the Committee, shall be inviolable.

The official correspondence and other official communications of the Committee may not be held up or subjected to censorship.

5

In order to secure for the members of the Committee complete freedom of speech and complete independence in the discharge of their duties, the immunity from legal process in respect of words spoken or written and all acts done by them in discharging their duties shall continue to be accorded, notwithstanding that the persons concerned are no longer engaged in the discharge of such duties.

6

Privileges and immunities are accorded to the members of the Committee, not for the personal benefit of the individuals themselves but in order to safeguard the independent exercise of their functions. The Committee alone shall be competent to waive the immunity of its members; it has not only the right, but is under a duty, to waive the immunity of one of its members in any case where, in its opinion, the immunity would impede the course of justice, and where it can be waived without prejudice to the purpose for which the immunity is accorded.

Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing

De Lidstaten van de Raad van Europa die dit Verdrag ondertekenen.

Gelet op de bepalingen van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;

In herinnering roepend dat krachtens het bepaalde in artikel 3 van hetzelfde Verdrag „niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen”;

Opmerkend dat het in dat Verdrag voorziene mechanisme werkt in relatie tot personen die aanvoeren het slachtoffer te zijn van schendingen van artikel 3;

Ervan overtuigd dat de bescherming van personen die van hun vrijheid zijn beroofd, tegen foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing kan worden versterkt door niet-juridische middelen van preventieve aard gebaseerd op bezoeken;

Zijn als volgt overeengekomen:

HOOFDSTUK

I

Artikel

1

Er wordt een Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen (hierna te noemen: „het Comité”) ingesteld. Het Comité onderzoekt, door middel van bezoeken, de behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd, ten einde de bescherming van deze personen tegen foltering en onmenselijke of vernederende behandeling, indien noodzakelijk, te versterken.

Artikel

2

Elke Partij laat, in overeenstemming met dit Verdrag, bezoeken toe aan elke plaats binnen haar rechtsmacht waar personen van hun vrijheid zijn beroofd door een overheidsinstantie.

Artikel

3

Bij de toepassing van dit Verdrag werken het Comité en de bevoegde nationale instanties van de betrokken Partij met elkaar samen.

HOOFDSTUK

II

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

HOOFDSTUK

III

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Met inachtneming van de regels inzake de vertrouwelijkheid in artikel 11, brengt het Comité elk jaar aan het Comité van Ministers een algemeen verslag over zijn werkzaamheden uit, dat wordt toegezonden aan de Raadgevende Vergadering en aan elke niet-Lidstaat van de Raad van Europa die Partij is bij het Verdrag, en dat openbaar wordt gemaakt.

Artikel

13

De leden van het Comité, de deskundigen en de andere personen die het Comité bijstaan, zijn verplicht, gedurende en na hun ambtstermijn, tot geheimhouding van de feiten of inlichtingen die tijdens de vervulling van hun functie te hunner kennis zijn gekomen.

Artikel

14

HOOFDSTUK

IV

Artikel

15

Elke Partij stelt het Comité in kennis van de naam en het adres van de autoriteit die bevoegd is kennisgevingen aan haar Regering te ontvangen, alsmede van een eventueel door haar aan te wijzen contactpersoon.

Artikel

16

Het Comité, zijn leden en de in artikel 7, tweede lid, bedoelde deskundigen genieten de voorrechten en immuniteiten die in de Bijlage bij dit Verdrag zijn vastgesteld.

Artikel

17

HOOFDSTUK

V

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Er mag geen voorbehoud worden gemaakt ten aanzien van de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel

22

Artikel

23

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Lidstaten en elke niet-Lidstaat van de Raad van Europa die Partij is bij het Verdrag in kennis van:

  • a.

    elke ondertekening;

  • b.

    de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;

  • c.

    elke datum van inwerkingtreding van dit Verdrag in overeenstemming met de artikelen 19 en 20;

  • d.

    elke andere handeling, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Verdrag, met uitzondering van de actie ondernomen krachtens het bepaalde in de artikelen 8 en 10.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Straatsburg, op 26 november 1987 in de Engelse en de Franse taal, waarbij beide teksten gelijkelijk authentiek zijn, in één exemplaar, dat wordt nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa zendt een gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan elke Lidstaat van de Raad van Europa.

Bijlage

Voorrechten en immuniteiten

(artikel 16)

1

Voor de toepassing van deze Bijlage worden verwijzingen naar leden van het Comité geacht tevens verwijzingen naar de in artikel 7, tweede lid, bedoelde deskundigen te omvatten.

2

De leden van het Comité genieten, tijdens de uitoefening van hun functies en gedurende reizen gemaakt in de uitoefening van hun functies, de volgende voorrechten en immuniteiten:

  • a.

    immuniteit van persoonlijke arrestatie of gevangenhouding en van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage en, met betrekking tot in hun officiële hoedanigheid gesproken of geschreven woorden of verrichte handelingen, vrijstelling van gerechtelijke vervolging van welke aard ook;

  • b.

    vrijstelling van alle beperkingen ten aanzien van hun bewegingsvrijheid bij het verlaten van of de terugkeer naar het land van hun gewone verblijfplaats en bij het binnenkomen en verlaten van het land waarin zij hun functies uitoefenen, alsmede van vreemdelingenregistratie in het land dat zij bezoeken of waar zij doorreizen in de uitoefening van hun functies.

3

Gedurende de reizen die de leden van het Comité in de uitoefening van hun functies maken, ontvangen zij, wat de douane- en deviezencontrole betreft,

  • a.

    van hun eigen Regering dezelfde faciliteiten als die welke worden toegekend aan hoge ambtsdragers die met een tijdelijke, officiële opdracht naar het buitenland reizen;

  • b.

    van de Regeringen van de andere Partijen dezelfde faciliteiten als die welke worden toegekend aan de vertegenwoordigers van buitenlandse Regeringen met een tijdelijke, officiële opdracht.

4

Documenten en papieren van het Comité zijn onschendbaar, voor zover zij betrekking hebben op de aangelegenheden van het Comité.

De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van het Comité mogen niet worden opgehouden of aan censuur worden onderworpen.

5

Ten einde de voor leden van het Comité volledige vrijheid van spreken en onafhankelijkheid bij de uitoefening van hun taak te verzekeren, blijft de immuniteit van rechtsvervolging met betrekking tot door hen gesproken of geschreven woorden en alle door hen in de uitoefening van hun functie verrichte handelingen toegekend, niettegenstaande het feit dat de betrokken persoon niet langer is belast met de uitoefening van dergelijke taken.

6

Voorrechten en immuniteiten worden aan de leden van het Comité toegekend niet voor het persoonlijke voordeel van de individuen zelf, doch ter waarborging van de onafhankelijke uitoefening van hun functie. Het Comité is bevoegd afstand te doen van de immuniteit van zijn leden; het heeft niet alleen het recht, maar ook de plicht afstand te doen van de immuniteit van een van zijn leden, in elk geval waar, naar zijn oordeel, de immuniteit de loop van het recht zou belemmeren en waar er afstand van kan worden gedaan zonder schade te berokkenen aan het doel waarvoor de immuniteit wordt toegekend.