Overeenkomst inzake economische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Maleisië

Overeenkomst inzake economische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Maleisië

Preambule

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van Maleisië, verlangende hun vriendschapsbanden nauwer aan te halen en inniger economische betrekkingen aan te moedigen en te bevorderen, alsmede investeringen op de grondslag van wederzijds voordeel te bevorderen, zijn als volgt overeengekomen:

Artikel

I

Voor de toepassing van deze Overeenkomst:

  • (1)

    betekent de term „onderdanen”:

    • (a)

      wat betreft Maleisië, hij die overeenkomstig zijn Grondwet een inwoner is; en

    • (b)

      wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, hij die overeenkomstig de Nederlandse wet een onderdaan van het Koninkrijk der Nederlanden is.

  • (2)

    betekent de term „vennootschappen”:

    • (a)

      wat betreft Maleisië, elke vennootschap met beperkte aansprakelijkheid welke op het grondgebied van Maleisië is opgericht, of elke rechtspersoon of elke vereniging welke wettig overeenkomstig zijn wetgeving is opgericht, en omvat mede de maatschap; en

    • (b)

      wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, elke rechtspersoon welke overeenkomstig de Nederlandse wet is opgericht, alsmede elke vennootschap als omschreven in letter (a) van dit lid, waarin een onderdaan van het Koninkrijk der Nederlanden of een overeenkomstig de Nederlandse wet opgerichte rechtspersoon, direct of indirect, een overwegend belang heeft.

  • (3)

    De term „investering” omvat alle vermogensbestanddelen en in het bijzonder doch niet uitsluitend:

    • (a)

      roerende en onroerende goederen, alsmede alle andere zakelijke rechten zoals hypotheek, voorrechten, pand, vruchtgebruik en soortgelijke rechten;

    • (b)

      aandelen of andere belangen in vennootschappen;

    • (c)

      recht op geld of op iedere verrichting die economische waarde heeft;

    • (d)

      auteursrecht, rechten op het gebied van de industriële eigendom, technische werkwijzen, handelsnaam en goodwill; en

    • (e)

      zodanige publiekrechtelijke commerciële concessies, waaronder concessies betreffende het zoeken naar, of de extractie of winning van, natuurlijke rijkdommen, die de houder daarvan gedurende enige tijd een rechtspositie verlenen;

    mits zodanige geïnvesteerde vermogensbestanddelen:

    • (i)

      in Maleisië, zijn geïnvesteerd in een project dat door het daartoe geëigende Ministerie in Maleisië als een „goedgekeurd project” onder deze Overeenkomst is aangemerkt, hetgeen, op aanvraag, ook kan geschieden met betrekking tot een project waarin vóór de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst vermogensbestanddelen zijn geïnvesteerd; en

    • (ii)

      in het Koninkrijk der Nederlanden, zijn geïnvesteerd met inachtneming van de desbetreffende wetten en regelingen vóór of na de inwerkingtreding van de Overeenkomst.

    Een wijziging in de vorm waarin de vermogensbestanddelen zijn geïnvesteerd is niet van invloed op het feit dat zij als investering zijn aangemerkt, mits zodanige wijziging niet strijdig is met de goedkeuring welke ten aanzien van de oorspronkelijk geïnvesteerde vermogensbestanddelen is verleend.

Artikel

II

Artikel

III

Artikel

IV

Artikel

V

Artikel

VI

Onderdanen en vennootschappen van een der Overeenkomstsluitende Partijen genieten, wat betreft de bescherming van de industriële eigendom, op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij een bescherming welke niet minder gunstig is dan die welke onderdanen en vennootschappen van de andere Overeenkomstsluitende Partij genieten.

Artikel

VII

Met inachtneming van haar wetten en regelingen verbindt elke Overeenkomstsluitende Partij zich tot het vergemakkelijken:

  • (a)

    van het organiseren op haar grondgebied door de andere Overkomstsluitende Partij en haar onderdanen en vennootschappen, van economische en commerciële tentoonstellingen en soortgelijke manifestaties;

  • (b)

    van de invoer, zonder betaling van douanerechten, van goederen, materialen en uitrusting bestemd voor de in letter (a) hierboven bedoelde tentoonstellingen en soortgelijke manifestaties, mits zodanige goederen, materialen en uitrusting binnen het voorgeschreven tijdvak aanvangende op de datum van hun invoer worden wederuitgevoerd;

  • (c)

    de verkoop van de in letter (b) hierboven bedoelde goederen, materialen en uitrusting, mits alle daarop drukkende douanerechten worden betaald aan de Douane-Autoriteiten op het grondgebied waarop zij worden verkocht.

Artikel

VIII

Artikel

IX

Artikel

X

De investeringen van onderdanen of vennootschappen van een der Overeenkomstsluitende Partijen op het grondgebied van de andere worden niet onteigend dan voor een openbaar doel en met inachtneming van een behoorlijke rechtsgang; zij worden evenmin op discriminatoire wijze onteigend. In ieder geval van onteigening wordt prompte, passende en daadwerkelijke schadeloosstelling gegeven, welke de eerlijke en billijke waarde van de investering vertegenwoordigt. De schadeloosstelling kan vrij worden overgemaakt in een convertibele valuta of in de valuta van het land waarvan de gerechtigden onderdanen zijn.

Artikel

XI

Indien een Overeenkomstsluitende Partij of een instelling harerzijds aan een van haar onderdanen of vennootschappen een betaling doet uit hoofde van een garantie (verzekering of anderszins) welke zij ter zake van een investering heeft verleend, erkent de andere Overeenkomstsluitende Partij, zonder dat zulks inbreuk maakt op de rechten van de eerste Overeenkomstsluitende Partij ingevolge artikel XV, de overdracht van alle rechten of aanspraken van een zodanige onderdaan of vennootschap aan de eerste Overeenkomstsluitende Partij of aan een instelling harerzijds, alsmede de subrogatie van de eerste Overeenkomstsluitende Partij of van een instelling harerzijds in zodanige rechten of aanspraken.

Artikel

XII

In geval van een geschil tussen een onderdaan of een vennootschap van de ene Overeenkomstsluitende Partij en de andere Overeenkomstsluitende Partij in verband met een investering op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partij, stemt de andere Overeenkomstsluitende Partij er mede in dat zodanig geschil, na de uitputting van alle nationale administratieve en gerechtelijke middelen, ter bemiddeling of arbitrage wordt voorgelegd aan het Internationaal Centrum voor Beslechting van Investeringsgeschillen, opgericht bij het Verdrag van Washington van 18 maart 1965 inzake de beslechting van geschillen niet betrekking tot investeringen.

Artikel

XIII

Artikel

XIV

Indien de wetgeving van een der Overeenkomstsluitende Partijen of internationale verplichtingen welke thans bestaan of welke hierna tussen de Overeenkomstsluitende Partijen ter aanvulling op deze Overeenkomst in het leven zullen worden geroepen, tot gevolg heeft of hebben dat ter zake van investeringen van onderdanen of vennootschappen van de andere Overeenkomstsluitende Partij aanspraak kan worden gemaakt op een gunstiger behandeling dan die welke in deze Overeenkomst is voorzien, wordt zulks niet door deze Overeenkomst aangetast. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen komt iedere andere verplichting na, welke zij ter zake van investeringen op haar grondgebied van onderdanen of vennootschappen van de andere Overeenkomstsluitende Partij op zich mocht hebben genomen.

Artikel

XV

Artikel

XVI

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is de onderhavige Overeenkomst van toepassing op het in Europa gelegen grondgebied van het Koninkrijk, op Suriname en op de Nederlandse Antillen, tenzij in de akte van bekrachtiging van het Koninkrijk der Nederlanden anders wordt bepaald.

Artikel

XVII

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk door hun onderscheiden Regeringen gemachtigd, de onderhavige Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te 's-Gravenhage, de 15e juni 1971, in zes oorspronkelijke exemplaren, waarvan twee in het Nederlands, twee in de Maleisische taal en twee in het Engels, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) H. J. DE KOSTER

Voor de Regering van Maleisië,

(w.g.) KHIR JOHARI

Nr.

I

(Officiële vertaling)

's-Gravenhage, 15 juni 1971.

Excellentie,

Met verwijzing naar de Overeenkomst inzake economische samenwerking tussen Maleisië en het Koninkrijk der Nederlanden heb ik de eer de overeenstemming te bevestigen dat met betrekking tot elke vennootschap als omschreven in artikel I, lid (2), letter (a), van de Overeenkomst, waarin een onderdaan van het Koninkrijk der Nederlanden of een overeenkomstig de Nederlandse wet opgerichte rechtspersoon, direct of indirect, een overwegend belang heeft, zodanige vennootschap, wil zij onder letter (b) van lid (2) van genoemd artikel vallen, het bewijs van het bestaan van zodanig belang ten tijde van de aanvraag voor de toelating van haar investering dient te leveren. Het is verder wel verstaan dat een zodanige vennootschap niet langer onder genoemd artikel valt zodra zodanig belang niet meer aanwezig is.

Ik zou het zeer op prijs stellen Uw bevestiging van bovenstaande overeenstemming te hebben.

Gelieve, Excellentie, de hernieuwde verzekering mijner zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) H. J. DE KOSTER

Zijner Excellentie

de Heer Khir Johari,

Minister van Handel en Industrie

van Maleisië

Nr.

II

(Officiële vertaling)

's-Gravenhage, 15 juni 1971.

Excellentie,

Ik heb de eer de ontvangst van Uw brief van heden te bevestigen, welke als volgt luidt:

(zoals in Nr. I)

Ik heb voorts de eer de overeenstemming vervat in Uw brief te bevestigen.

Gelieve, Excellentie, de hernieuwde verzekering mijner zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) KHIR JOHARI

Zijner Excellentie

de Heer H. J. de Koster,

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

van het Koninkrijk der Nederlanden

Nr.

III

(Officiële vertaling)

's-Gravenhage, 15 juni 1971.

Excellentie,

Met verwijzing naar de Overeenkomst inzake economische samenwerking tussen Maleisië en het Koninkrijk der Nederlanden heb ik de eer te bevestigen, dat, tenzij anders wordt medegedeeld, het in artikel I, lid (3) (i), van deze Overeenkomst bedoelde daartoe geëigende Ministerie van Maleisië het Ministerie van Handel en Industrie is, en dat elk vermogensbestanddeel dat in een door genoemd Ministerie goedgekeurd project is geïnvesteerd als een „goedgekeurd project” onder deze Overeenkomst wordt aangemerkt.

Ik zou het zeer op prijs stellen Uw bevestiging van bovenstaande overeenstemming te hebben.

Gelieve, Excellentie, de hernieuwde verzekering mijner zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) H. J. DE KOSTER

Zijner Excellentie

de Heer Khir Johari,

Minister van Handel en Industrie

van Maleisië

Nr.

IV

(Officiële vertaling)

's-Gravenhage, 15 juni 1971.

Excellentie,

Ik heb de eer de ontvangst van Uw brief van heden te bevestigen, welke als volgt luidt:

(zoals in Nr. III)

Ik heb voorts de eer de overeenstemming vervat in Uw brief te bevestigen.

Gelieve, Excellentie, de hernieuwde verzekering mijner zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) KHIR JOHARI

Zijner Excellentie

de Heer H. J. de Koster,

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

van het Koninkrijk der Nederlanden

Nr.

V

(Officiële vertaling)

's-Gravenhage, 15 juni 1971.

Excellentie,

Gelet op het feit dat de Overeenkomst inzake economische samenwerking tussen Maleisië en het Koninkrijk der Nederlanden gesloten is in drie talen welke alle gelijkelijk authentiek zijn, bevestig ik dat het onze overeenstemming is dat in geval van een geschil betreffende de uitlegging van deze Overeenkomst de Engelse tekst doorslaggevend is.

Ik zou het zeer op prijs stellen Uw bevestiging van deze overeenstemming te hebben.

Gelieve, Excellentie, de hernieuwde verzekering mijner zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) H. J. DE KOSTER

Zijner Excellentie

de Heer Khir Johari,

Minister van Handel en Industrie

van Maleisië

Nr.

VI

(Officiële vertaling)

's-Gravenhage, 15 juni 1971.

Excellentie,

Ik heb de eer de ontvangst van Uw brief van heden te bevestigen, welke als volgt luidt:

(zoals in Nr. V)

Ik heb voorts de eer de overeenkomst vervat in Uw brief te bevestigen.

Gelieve, Excellentie, de hernieuwde verzekering mijner zeer bijzondere hoogachting wel te willen aanvaarden.

(w.g.) KHIR JOHARI

Zijner Excellentie

de Heer H. J. de Koster,

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken

van het Koninkrijk der Nederlanden