|
1.
|
Hout van de iep (Ulmus L.)
|
Het hout moet van de bast zijn ontdaan.
|
|
2.
|
Kastanjeplanten (Castanea Mill.)
|
De planten moeten zijn gegroeid op een terrein waarop bij inspectie door een officiële instantie tijdens het voorafgaande groeiseizoen geen verschijnselen veroorzaakt door Endothia parasitica zijn waargenomen.
|
|
3.
|
Eikeplanten (Quercus L.)
|
De planten moeten zijn gegroeid op een terrein waarop bij inspectie door een officiële instantie tijdens het voorafgaande groeiseizoen geen verschijnselen veroorzaakt door Endothia parasitica of Cronartium quercuum zijn waargenomen.
|
|
4.
|
Populiereplanten (Populus L.), met uitzondering van vruchten en zaden
|
De planten moeten zijn gegroeid op een terrein waarop bij inspectie door een officiële instantie tijdens het voorafgaande groeiseizoen geen verschijnselen veroorzaakt door Septoria musiva zijn waargenomen.
De planten moeten tijdens de voorafgaande vegetatieperiode te velde gekeurd zijn door een officiële instantie en daarbij vrij zijn van door virusziekten veroorzaakte verschijnselen.
|
|
5.
|
Planten van het geslacht Pinus L., met uitzondering van vruchten en zaden
|
De planten moeten zijn gegroeid op een terrein waarop bij inspectie door een officiële instantie tijdens het voorafgaande groeiseizoen geen verschijnselen veroorzaakt door Cronartium quercuum zijn waargenomen.
|
|
6.
|
Aardappelen, met uitzondering van pootaardappelen
|
De aardappelen moeten zijn gegroeid op een terrein waarop bij inspectie door een officiële instantie geen Synchrytrium endobioticum of Corynebacterium sepedonicum is waargenomen.
|
|
7.
|
Pootaardappelen
|
De aardappelen moeten zijn gegroeid op een terrein waarop bij inspectie door een officiële instantie geen Synchytrium endobioticum of Corynebacterium sepedonicum is waargenomen en dat vrij is bevonden van Heterodera rostochiensis. De aardappelen moeten afkomstig zijn van een gewas dat tijdens de voorafgaande vegetatieperiode door een officiële instantie te velde is gekeurd en daarbij vrij is bevonden van de virusziekten van de aardappel, genoemd in bijlage I, deel A.
|
|
8.
|
Bewortelde planten die zijn opgepot of bestemd voor uitplanten en die gekweekt zijn in de volle grond
|
De planten moeten zijn gegroeid op een terrein waarop bij inspectie door een officiële instantie geen Synchytrium endobioticum of Corynebacterium sepedonicum is waargenomen en dat vrij is bevonden van Heterodera rostochiensis.
|
|
9.
|
Crataegus L., Cotoneaster B. Ehrh., Cydonia Mill., Malus Mill., Pyracantha Roem., Pyrus L., Sorbus L., Stranvaesia Ldl, met uitzondering van siertakken, vruchten en zaden
|
De planten moeten zijn gegroeid op een terrein waarop, evenals in de naaste omgeving, bij inspectie door een officiële instantie tijdens het voorafgaande groeiseizoen geen verschijnselen veroorzaakt door Erwinia amylovora zijn waargenomen.
|
|
10.
|
Cydonia Mill., Ligustrum L., Malus Mill., Prunus L., Pyrus L., Ribes L., Rosa L., Rubus L., Syringa L., met uitzondering van afgesneden bloemen, siertakken, vruchten en zaden
|
De planten moeten tijdens de voorafgaande vegetatieperiode te velde gekeurd zijn door een officiële instantie en daarbij vrij zijn bevonden van door virusziekten veroorzaakte verschijnselen.
|
|
11.
|
De volgende, tot het geslacht Prunus behorende plantesoorten:
Prunus cerasifera, P. domestica, P. insititia, P. salicina, P. armeniaca, P. amygdalus, P. persica, P. brigantina, P. nigracerasifera, P. spinosa, P. tomentosa, P. triloba, met uitzondering van vruchten, zaden en siertakken
|
Onverminderd de in punt 10 gestelde eis moeten a) de planten, uitgezonderd zaailingen, afkomstig zijn van planten die door een officiële instantie zijn gekeurd en vrij van het virus Sharka zijn bevonden, en b) de planten zijn gegroeid op een terrein waarop, evenals in de naaste omgeving, bij inspectie door een officiële instantie tijdens het voorafgaande groeiseizoen geen verschijnselen van het virus Sharka zijn waargenomen.
|
|
12.
|
Planten van het geslacht Vitis L. partim, met uitzondering van vruchten en zaden
|
De planten moeten tijdens de voorafgaande vegetatieperiode te velde gekeurd zijn door een officiële instantie en daarbij vrij zijn bevonden van door virusziekten veroorzaakte verschijnselen.
|
|
13.
|
Aardbeiplanten (Fragaria (Tourn.) L.), met uitzondering van vruchten en zaden
|
De planten moeten zijn gegroeid op een terrein waarop bij inspectie door een officiële instantie tijdens het voorafgaande groeiseizoen geen verschijnselen veroorzaakt door Phytophthora fragariae zijn waargenomen.
De planten moeten tijdens de voorafgaande vegetatieperiode te velde gekeurd zijn door een officiële instantie en daarbij vrij zijn bevonden van door virusziekten veroorzaakte verschijnselen.
|
|
14.
|
Tulpe- en Narcissebollen (Tulipa L. en Narcissus L.)
|
De planten moeten zijn gegroeid op een terrein waarop bij inspectie door een officiële instantie tijdens het voorafgaande groeiseizoen geen verschijnselen veroorzaakt door Ditylenchus dipsaci var. tulipae zijn waargenomen.
|
|
15.
|
Gladiolen (Gladiolus (Tourn.) L.)
|
De planten moeten zijn gegroeid op een terrein waarop bij inspectie door een officiële instantie tijdens het voorafgaande groeiseizoen geen verschijnselen veroorzaakt door Uromyces transversalis var. tulipae zijn waargenomen.
|
|
16.
|
Acer L., Cotoneaster B. Ehrhart, Crataegus L., Cydonia Mill., Euonymus L., Fagus L., Juglans L., Ligustrum L., Malus Mill., Populus L., Prunus L., Pyrus L., Ribes L., Rosa L., Salix L., Sorbus L., Syringa L., Tilia L., Ulmus L., Vitus L.
|
De planten moeten bij invoer doeltreffend worden ontsmet met een middel ter bestrijding van de San José schildluis, met uitzondering van enten, snijbloemen, siertakken, zaaizaden en ondergrondse delen van deze planten.
|