Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Duitse Bondsrepubliek inzake de begrenzing van het continentaal plat onder de Noordzee

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Duitse Bondsrepubliek inzake de begrenzing van het continentaal plat onder de Noordzee

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland,

Ten einde de grens vast te stellen tussen de aan elk van hen toekomende delen van het continentaal plat onder de Noordzee, voor zover dit niet reeds is geschied bij het Verdrag van 1 december 1964 inzake de zijdelingse begrenzing van het continentaal plat in de nabijheid van de kust,

Verlangende tevens het economische gebruik van het continentaal plat te regelen voor zover hun gemeenschappelijk belang zulk een regeling vordert,

Zich baserende op het arrest van het Internationale Gerechtshof van 20 februari 1969 in de geschillen tussen de Bondsrepubliek Duitsland, enerzijds, en het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden, anderzijds, over de afbakening van het continentaal plat onder de Noordzee,

Met inachtneming van de grenzen op het continentaal plat die door het arrest van het Internationale Gerechtshof niet zijn getroffen,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Onverminderd de volkenrechtelijke regels betreffende het leggen van pijpleidingen op het continentaal plat, zijn pijpleidingen die in verband met de winning van delfstoffen op het continentaal plat worden gelegd, met het oog op het tegengaan van verontreiniging van de zee en het afwenden van andere gevaren onderworpen aan de bepalingen betreffende de aanleg en het gebruik van pijpleidingen van de Verdragsluitende Partij over wier continentaal plat zodanige pijpleidingen worden gelegd.

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

De artikelen 2 en 3, alsmede artikel 5 voor zover dit de beslechting van geschillen over de uitlegging of de toepassing van de artikelen 2 en 3 betreft, worden op overeenkomstige wijze toegepast ten aanzien van het gebied van het continentaal plat in de nabijheid van de kust, dat is begrensd bij het Verdrag van 1 december 1964.

Artikel

7

Dit Verdrag geldt eveneens voor het „Land” Berlijn, tenzij de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden mededeling doet van het tegendeel.

Artikel

8

TEN BLIJKE WAARVAN de daartoe behoorlijk Gevolmachtigden dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN te Kopenhagen, 28 januari 1971, in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk gezaghebbend.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) H. VAN RIJCKEVORSEL

Voor de Bondsrepubliek Duitsland:

(w.g.) GÜNTHER SCHOLL

Bijlage

1

Bijlage

2

(bij artikel 4)

Rechthebbende ondernemingen:

Gebieden 1) waarvoor vergunning kan worden aangevraagd:

1.

Amoco Hanseatic Petroleum Company

B/7, B/10

2.

Exploratie- en Produktiemaatschappij Dyas N.V.

3.

Gelsenberg AG

1.

Gewerkschaft Norddeutschland

B/15, C/16

2.

German Gulf Oil Production Company

Gewerkschaft Brigitta

B/14, B/18, G/10

1.

Entreprise de Recherches et d'Activités Pétrolières

G/4, G/7

2.

Société Nationale des Pétroles d'Aquitaine

3.

Compagnie Française des Pétroles

4.

Eurafrep N.V.

5.

Corexland N.V.

6.

Cofraland N.V.

Placid International Oil Ltd.

G/11,G/14

1.

Deutsche Tenneco Oil Company

A/6, A/9, A/12

2.

Monsanto Oil Company of Germany

3.

Ethyl Germany Inc.

4.

N.V. Laura & Vereeniging

1) Aanduiding van het vergunningsgebied volgens de kaart die als Bijlage 1 is gevoegd bij het Koninklijk Besluit van 27 januari 1967 tot uitvoering van Artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat (Staatsblad 1967, 24).