Overeenkomst inzake de bescherming van de Rijn tegen verontreiniging door chloriden

Overeenkomst inzake de bescherming van de Rijn tegen verontreiniging door chloriden

De Regering van de Bondsrepubliek Duitsland;

de Regering van de Franse Republiek;

de Regering van het Groothertogdom Luxemburg;

de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en

de Regering van de Zwitserse Bondsstaat;

verwijzend naar de Overeenkomst van 29 april 1963 nopens de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn tegen verontreiniging,

in aanmerking nemende de huidige belasting van de Rijn met chloride-ionen,

zich bewust van de schade die daaruit zou kunnen voortvloeien,

verwijzend naar de bevindingen tijdens, en de resultaten van de op 25 en 26 oktober 1972 te ’s-Gravenhage gehouden ministersconferentie over de verontreiniging van de Rijn, bij gelegenheid waarvan de wens is geuit de kwaliteit van het Rijnwater trapsgewijs zodanig te verbeteren dat aan de Nederlands-Duitse grens het gehalte van 200 mg/l chloride-ionen niet wordt overschreden,

zijn overeengekomen als volgt:

Artikel

1

Artikel

2

Artikel

3

Vervallen

Artikel

4

Artikel

5

Indien de injectie of de inhouding van chloride-ionen schade veroorzaakt waarvan de vergoeding niet geheel of gedeeltelijk op de stichters van het werk of op derden kan worden verhaald, plegen de Overeenkomstsluitende Partijen op verzoek van één van hen overleg over een eventuele bijdrage die aan de Franse Regering zou kunnen worden verleend.

Artikel

6

Vervallen

Artikel

7

Artikel

8

De betalingen bedoeld in artikel 7, tweede lid, worden verricht in Franse franken, op rekeningnummer 440-09/ligne 1 bij het Agence Comptable Centrale du Trésor français.

Artikel

9

Wanneer de Commissie na inwerkingtreding van deze Overeenkomst vaststelt dat op één van haar meetpunten de chloride-ionenvracht en -concentratie een stijgende lijn blijft vertonen, verzoekt zij de Overeenkomstsluitende Partij op wier grondgebied zich de oorzaak van deze ontwikkeling bevindt, de nodige maatregelen te treffen om aan deze toestand een einde te maken.

Artikel

10

Artikel

11

Wanneer één der Overeenkomstsluitende Partijen een plotselinge en aanzienlijke toeneming van chloride-ionen in het water van de Rijn vaststelt, of wanneer zij kennis draagt van een ongeval, waarvan de gevolgen de kwaliteit van dit water ernstig kunnen bedreigen, stelt zij hiervan de Internationale Commissie en de Overeenkomstsluitende Partijen die hierdoor kunnen worden getroffen, onverwijld in kennis volgens een door de Internationale Commissie vast te stellen procedure.

Artikel

12

Artikel

13

Ieder geschil tussen de Overeenkomstsluitende Partijen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst dat niet door onderhandelingen kan worden beslecht, wordt, tenzij de partijen bij het geschil anders beslissen, op verzoek van één van hen, voorgelegd aan een scheidsgerecht overeenkomstig de bepalingen vervat in Bijlage B. Deze Bijlage evenals Bijlagen A, I en II vormen een integrerend bestanddeel van deze Overeenkomst.

Artikel

14

Elk der ondertekenende Partijen deelt de Regering van de Zwitserse Bondsstaat mede wanneer aan de vereiste procedures voor de inwerkingtreding van deze Overeenkomst is voldaan. Deze treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de ontvangst van de laatste kennisgeving.

Artikel

15

Na het verstrijken van een tijdvak van drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, kan zij te allen tijde door elk van de Overeenkomstsluitende Partijen worden opgezegd, door middel van een kennisgeving aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat. De opzegging wordt voor de opzeggende Partij van kracht zes maanden na ontvangst van de kennisgeving door de Regering van de Zwitserse Bondsstaat. Geen enkele opzegging kan tot gevolg hebben dat de continuïteit van de taken, waarvoor een internationale financiering heeft plaatsgevonden, in gevaar wordt gebracht.

Artikel

16

De Regering van de Zwitserse Bondsstaat stelt de Overeenkomstsluitende Partijen in kennis van de datum van ontvangst van elke kennisgeving die is ontvangen krachtens de artikelen 14 en 15.

Artikel

17

Artikel

18

Deze Overeenkomst, die is opgesteld in één exemplaar, in de Duitse, de Franse en de Nederlandse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, die daarvan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift zal doen toekomen aan elk van de Overeenkomstsluitende Partijen.

GEDAAN te Bonn op 3 december 1976

Bijlage

A

Voor de toepassing van deze Overeenkomst begint de Rijn bij de uitstroming uit het Bodenmeer en omvat de rivierarmen door welke hij vrijelijk in de Noordzee uitstroomt, tot aan de zoetwatergrens, met inbegrip van de IJssel tot aan Kampen.

De zoetwatergrens is de plaats in de waterloop waar bij laagwater en ten tijde van geringe toevloed van zoetwater een aanzienlijke toename van het zoutgehalte is waar te nemen als gevolg van de aanwezigheid van zeewater. Deze plaats bevindt zich voor de Nieuwe Maas bij Rijnkilometer 1000 benedenstrooms van de Rijnbrug bij Konstanz. De andere punten van de zoetwatergrens zullen worden vastgesteld door de Internationale Commissie, rekening houdend met de wijze van vaststelling van de hierboven omschreven grens.

Bijlage

B

Scheidsrechtspraak

  • 1.

    Tenzij de Partijen bij het geschil anders besluiten, wordt de scheidsrechterlijke procedure gevoerd met inachtneming van de bepalingen van deze Bijlage.

  • 2.

    Het scheidsgerecht bestaat uit drie leden: ieder der Partijen bij het geschil wijst een scheidsman aan; de beide aldus aangewezen scheidsmannen wijzen in onderlinge overeenstemming de derde scheidsman aan, die het voorzitterschap van het gerecht op zich neemt. Indien binnen twee maanden na de aanwijzing van de tweede scheidsman de voorzitter van het scheidsgerecht niet is aangewezen, gaat de President van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, op verzoek van de meest gerede Partij binnen een volgende periode van twee maanden, over tot de benoeming.

  • 3.

    Indien binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek bedoeld in artikel 13 van de Overeenkomst, één van de Partijen bij het geschil niet is overgegaan tot de door haar te verrichten benoeming van een lid van het gerecht, kan de andere Partij zich wenden tot de President van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, die de Voorzitter van het scheidsgerecht aanwijst binnen een volgende termijn van twee maanden. Zodra de Voorzitter van het scheidsgerecht is aangewezen verzoekt hij de Partij die geen scheidsman heeft benoemd dit te doen binnen een termijn van twee maanden. Na het verstrijken van deze termijn, wendt hij zich tot de President van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, die binnen een volgende termijn van twee maanden overgaat tot de benoeming.

  • 4.

    Indien in de in de voorgaande leden bedoelde gevallen de President van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens verhinderd mocht zijn of indien hij onderdaan is van één van de Partijen bij het geschil, dient de aanwijzing van de Voorzitter van het scheidsgerecht of de bebenoeming van de scheidsman te geschieden door de Vice-President van het Hof of door het in dienstjaren oudste lid van het Hof dat niet verhinderd is en dat geen onderdaan is van één van de Partijen bij het geschil.

  • 5.

    De voorgaande bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing om in vacatures te voorzien.

  • 6.

    Het scheidsgerecht beslist overeenkomstig de regels van het internationale recht en, in het bijzonder, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst.

  • 7.

    Het scheidsgerecht beslist, zowel ten aanzien van de procedure als van de zaak zelf, met meerderheid van stemmen van zijn leden; wanneer één van de door Partijen aangewezen leden van het gerecht niet aanwezig is of zich van stemming onthoudt, verhindert dit het gerecht niet uitspraak te doen.

    Indien de stemmen staken, is de stem van de Voorzitter doorslaggevend. De beslissingen van het gerecht zijn bindend voor de Partijen. Deze dragen de kosten van de scheidsman die zij hebben aangewezen en verdelen de andere kosten gelijkelijk. Ten aanzien van de andere punten stelt het scheidsgerecht zelf zijn procedureregels vast.

Bijlage

I

Technische elementen voor de in artikel 2, tweede lid bedoelde injectie-inrichting

De injectie van oplossingen van afvalzout in de ondergrond vindt plaats in een laag kalkachtig poreus gesteente genaamd „Grande Oolithe”, op een diepte van 1500 tot 2000 meter, ten zuidwesten van Mulhouse.

Rekening houdend met de reeds uitgevoerde studies en proefnemingen wordt de injectie verricht met behulp van een inrichting die beantwoordt aan de volgende beschrijving:

  • 1.

    Een installatie voor de bereiding van geconcentreerde zoutoplossingen, die zich bevindt op het terrein van het bovengrondse complex van de mijn „Amélie” en die in staat is een hoeveelheid zoutoplossing te leveren overeenkomend met 20 kg chloride-ionen per seconde (jaargemiddelde);

  • 2.

    Waterdichte bekkens voor de berging van de geconcentreerde zout oplossing en het aan het gesteente onttrokken water;

  • 3.

    Een leidingnet voor het transport van de zoutoplossing vanaf het bekken naar de injectieputten, over een afstand van ongeveer 10 km, met het bijbehorende pompstation, dat lager gelegen is dan het opslagbekken voor de zoutoplossing;

  • 4.

    Twee nieuwe injectieputten, die, tezamen met die van Schweighouse, zullen worden toegerust met een dubbel systeem, zodat de zoutoplossing hetzij enkel door zwaartekracht, hetzij met behulp van een pomp kan worden geïnjecteerd;

  • 5.

    Drie onttrekkingsputten, toegerust met dompelpompen om het water aan het poreuse gesteente te onttrekken;

  • 6.

    Een leidingnet met een lengte van ongeveer 22 km voor het aan het gesteente onttrokken water, vanaf de onttrekkingsputten naar het spaarbekken voor dit water;

  • 7.

    Een afstandbedienings- en controlenet, nodig voor de besturing en de bewaking van de bedrijfsvoering.

De bedrijfsvoering van de installatie omvat het injecteren van chloride-ionen volgens de in de Overeenkomst vastgestelde voorwaarden, de levering van energie, de uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden en het toezicht op het onderaardse reservoir.

Bijlage

II

Nationale vrachten voortkomend uit chloride-ionenlozingen van meer dan 1 kg/s in afzonderlijke riviergedeelten

Riviergedeelte

in Zwitserland

in Frankrijk

in Duitsland

in Nederland

Gemidd. waarde1)

Max. waarde2)

Gemidd. waarde1)

Max. waarde2)

Gemidd. waarde1)

Max. waarde2)

Gemidd. waarde1)

Max. waarde2)

Stein a. Rh.-Kembs

10

Kembs- Seltz/Maxau

1303)

4,2

4,2

Seltz/Maxau-Mainz

15,8

17,5

Mainz-Braubach/Koblenz

9,9

10,0

Braubach/Koblenz-Bimmen/ Lobith

384)

105

123,6

Bimmen/Lobith-Monding

Totaal t/m 31-12-1998

10

1683)

134,9

Totaal vanaf 1-1-1999

5

1085)

134,9

1) Onder gemiddelde waarde wordt verstaan het jaarlijks gemiddelde bepaald over lange duur en op grond van metingen bij lozingen.

2) Onder maximumwaarde wordt verstaan de toegestane maximumvracht (die van tijd tot tijd wordt bereikt b.v. bij hogere waterstand).

3) Deze waarde vermindert naargelang van de toepassing van de in artikel 2, lid 2 van de Overeenkomst en artikel 1 van het aanvullend protocol bedoelde maatregelen.

4) De chloride-ionenlozingen worden op zodanige wijze gereguleerd dat de concentraties die ontstaan als gevolg van lozingen met meer dan 1 kg chloride-ionen per seconde, bij het meetstation Hauconcourt aan de Moezel niet meer bevatten dan 400 mg/l chloride-ionen. De aangegeven gemiddelde jaarlijkse vracht mag niet worden overschreden.

5) Op het traject Kembs-Seltz/Maxau dient de waarde van 75 kg/s niet te worden overschreden.