Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst

Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst

Preambule

De Hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Geleid door de wens om op het gebied van het internationaal privaatrecht verder te gaan met de in de Gemeenschap reeds begonnen eenmaking van het recht, met name ter zake van de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen,

Verlangende eenvormige regels op te stellen voor het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

TITEL

I

TOEPASSINGSGEBIED

Artikel

1

Toepassingsgebied

Artikel

2

Toepassing van het recht van niet-verdragsluitende Staten

Het door dit Verdrag aangewezen recht is toepasselijk, ongeacht de vraag of het het recht is van een verdragsluitende Staat.

TITEL

II

EENVORMIGE REGELS

Artikel

3

Rechtskeuze door partijen

Artikel

4

Het recht, dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen toepasselijk is

Artikel

5

Door consumenten gesloten overeenkomsten

Artikel

6

Individuele arbeidsovereenkomsten

Artikel

7

Bepalingen van bijzonder dwingend recht

Artikel

8

Bestaan en materiële geldigheid

Artikel

9

Vorm

Artikel

10

De onderwerpen die het toepasselijke recht beheerst

Artikel

11

Handelingsonbekwaamheid

Bij een overeenkomst die is gesloten tussen personen die zich in eenzelfde land bevinden, kan een natuurlijke persoon die volgens het recht van dat land handelingsbekwaam is, zich slechts beroepen op het feit dat hij volgens een ander recht handelingsonbekwaam is, indien de wederpartij ten tijde van de sluiting van de overeenkomst deze onbekwaamheid kende of door nalatigheid niet kende.

Artikel

12

Cessie

Artikel

13

Subrogatie

Artikel

14

Bewijs

Artikel

15

Uitsluiting van herverwijzing

Wanneer dit Verdrag de toepassing van het recht van een land voorschrijft, worden daaronder verstaan de rechtsregels die in dat land gelden met uitsluiting van het internationaal privaatrecht.

Artikel

16

Openbare orde

De toepassing van een bepaling van het door dit Verdrag aangewezen recht kan slechts terzijde worden gesteld indien deze toepassing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van het land van de rechter.

Artikel

17

Overgangsbepaling

Dit Verdrag is in een verdragsluitende Staat van toepassing op overeenkomsten die zijn gesloten nadat het voor deze Staat in werking is getreden.

Artikel

18

Eenvormige uitlegging

Bij de uitlegging en de toepassing van de voorgaande eenvormige regels moet rekening worden gehouden met het internationale karakter ervan en de wenselijkheid om eenheid te bereiken in de wijze waarop zij worden uitgelegd en toegepast.

Artikel

19

Staten met meer dan een rechtssysteem

Artikel

20

Voorrang van het gemeenschapsrecht

Dit Verdrag laat onverlet de toepassing van bepalingen die voor bijzondere gebieden regels van internationaal privaatrecht met betrekking tot verbintenissen uit overeenkomst bevatten en die zijn of zullen worden neergelegd in besluiten van de instellingen van de Europese Gemeenschappen of in ter uitvoering van deze besluiten geharmoniseerde nationale wetgevingen.

Artikel

21

Verhouding tot andere verdragen

Dit verdrag laat onverlet de toepassing van internationale verdragen waarbij een verdragsluitende Staat partij is of zal worden.

Artikel

22

Voorbehouden

TITEL

III

SLOTBEPALINGEN

Artikel

23

Artikel

24

Artikel

25

Wanneer een verdragsluitende Staat van oordeel is dat de door dit Verdrag tot stand gekomen eenmaking van het recht in gevaar wordt gebracht door het sluiten van andere dan de in artikel 24, eerste lid, bedoelde verdragen, kan deze Staat aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen verzoeken te bevorderen dat de Staten die het Verdrag hebben ondertekend, met elkaar in overleg treden.

Artikel

26

Iedere verdragsluitende Staat kan verzoeken om herziening van dit Verdrag. In dat geval roept de Voorzitter van de Raad der Europese Gemeenschappen een herzieningsconferentie bijeen.

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

De Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen stelt de Staten die Partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap in kennis van:

  • a)

    de ondertekeningen:

  • b)

    het nederleggen van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring;

  • c)

    het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag;

  • d)

    de kennisgevingen, gedaan ingevolge de artikelen 23, 24, 25, 26, 27 en 30;

  • e)

    de voorbehouden en de intrekking van de voorbehouden bedoeld in artikel 22.

Artikel

32

Het aan dit Verdrag toegevoegde Protocol maakt een wezenlijk onderdeel van het Verdrag uit.

Artikel

33

Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Ierse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, welke teksten gelijkelijk authentiek zijn, zal worden nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen. De Secretaris-Generaal zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toe aan de Regeringen van de ondertekende Staten.

TEN BLIJKE WAARVAN, de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, hun handtekening onder dit Verdrag hebben geplaatst.

GEDAAN te Rome, de negentiende juni negentienhonderdtachtig.

Protocol

Ongeacht de bepalingen van het Verdrag kunnen Denemarken, Zweden en Finland de nationale bepalingen betreffende het recht dat van toepassing is op kwesties in verband met het goederenvervoer over zee, handhaven en wijzigen zonder de procedure van artikel 23 van het Verdrag van Rome te volgen. Dit betreft de volgende nationale bepalingen:

  • -

    in Denemarken: artikel 252 en artikel 321, leden 3 en 4 van de Sølov (zeewet);

  • -

    in Zweden: hoofdstuk 13, artikel 2, leden 1 en 2, en hoofdstuk 14, artikel 1, lid 3, van sjölagen (zeewet);

  • -

    in Finland: hoofdstuk 13, artikel 2, leden 1 en 2, en hoofdstuk 14, artikel 1, punt 3, van de merilaki/sjölagen (zeewet).

TEN BLIJKE WAARVAN, de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, hun handtekening onder dit Protocol hebben geplaatst.

GEDAAN te Rome, de negentiende juni negentienhonderdtachtig.

Gemeenschappelijke Verklaring

Op het tijdstip van de ondertekening van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, hebben de Regeringen van het Koninkrijk België, van het Koninkrijk Denemarken, van de Bondsrepubliek Duitsland, van de Franse republiek, van Ierland, van de Italiaanse republiek, van het Groothertogdom Luxemburg, van het Koninkrijk der Nederlanden en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

  • I.

    geleid door het verlangen zoveel mogelijk te voorkomen dat verwijzingsregels worden verspreid over verschillende instrumenten en dat deze regels onderling afwijken,

    de wens uitgesproken dat de instellingen der Europese Gemeenschappen bij de uitoefening van hun bevoegdheden op de grondslag der Verdragen waarbij zij zijn opgericht, zich inspannen om, indien daartoe aanleiding bestaat, verwijzingsregels vast te stellen die zoveel mogelijk overeenkomen met die van dit Verdrag;

  • II.

    uiting gegeven aan hun voornemen onmiddellijk na de ondertekening van het Verdrag en in afwachting van het tijdstip waarop ingevolge artikel 24 van het Verdrag gebondenheid daartoe bestaat, onderling overleg te plegen ingeval een van de ondertekenende Staten partij zou willen worden bij een Verdrag waarop de in dat artikel bedoelde procedure van toepassing zou zijn;

  • III.

    als hun mening tot uitdrukking gebracht dat, gezien de bijdrage van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst tot de eenmaking van de verwijzingsregels in de Europese Gemeenschappen, iedere toekomstige Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen tot dit Verdrag dient toe te treden.

TEN BLIJKE WAARVAN, de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, hun handtekening onder deze Verklaring hebben geplaatst.

GEDAAN te Rome, de negentiende juni negentienhonderdtachtig.

Gemeenschappelijke Verklaring

De Regeringen van het Koninkrijk België, van het Koninkrijk Denemarken, van de Bondsrepubliek Duitsland, van de Franse Republiek, van Ierland, van de Italiaanse Republiek, van het Groothertogdom Luxemburg, van het Koninkrijk der Nederlanden en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

op het ogenblik van de ondertekening van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst,

geleid door de wens een zo doeltreffend mogelijke toepassing van de bepalingen van dit Verdrag te verzekeren,

verlangende te voorkomen dat verschillen in uitlegging van het Verdrag afbreuk doen aan de eenheid van dit Verdrag;

verklaren zich bereid:

  • 1.

    de mogelijkheid te onderzoeken om bepaalde bevoegdheden toe te kennen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en, voor zover nodig, over een daartoe strekkende overeenkomst te onderhandelen;

  • 2.

    periodiek overleg tussen hun vertegenwoordigers te doen plaatsvinden.

TEN BLIJKE WAARVAN, de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, hun handtekening onder deze Verklaring hebben geplaatst.

GEDAAN te Rome, de negentiende juni negentienhonderdtachtig.