Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Spaanse Staat

Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Spaanse Staat

Het Koninkrijk der Nederlanden, en

De Spaanse Staat,

Wensende de bestaande betrekkingen tussen Nederland en Spanje op het gebied van de sociale zekerheid aan te passen aan de ontwikkelingen welke sedert de ondertekening van het Verdrag inzake sociale zekerheid op 17 december 1962 te Madrid, in hun beider wetgevingen hebben plaatsgevonden;

Besloten hebbende een verdrag te sluiten ter vervanging van dat Verdrag;

Zijn het volgende overeengekomen:

TITEL

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

  • a)

    wordt onder „grondgebied” verstaan:

    van Nederlandse zijde: het grondgebied in Europa;

    van Spaanse zijde: de provincies op het schiereiland, de Balearen, de Kanarische eilanden en de Spaanse provincies in Noord-Afrika;

  • b)

    worden onder „wetgeving” of „wettelijke regeling” verstaan de bestaande en toekomstige wetten, reglementen en statutaire bepalingen met betrekking tot de in het eerste lid van artikel 2 bedoelde regelingen en takken van sociale zekerheid;

  • c)

    wordt onder „bevoegde autoriteiten” verstaan:

    van Nederlandse zijde: de Minister van Sociale Zaken; inzake verstrekkingen van de ziekteverzekering: de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, van Spaanse zijde: de Minister van Arbeid;

  • d)

    wordt onder „woonplaats” verstaan de normale verblijfplaats;

  • e)

    wordt onder „verblijfplaats” verstaan de tijdelijke verblijfplaats;

  • f)

    wordt onder „bevoegd orgaan” verstaan het orgaan, waarbij de verzekerde is aangesloten op het tijdstip, waarop hij om een prestatie verzoekt, of het orgaan, tegenover hetwelk hij recht op prestaties heeft of zou hebben, indien hij woonde op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij, waar dit orgaan zich bevindt;

  • g)

    wordt onder „orgaan van de woonplaats” verstaan het orgaan, dat bevoegd is de betreffende prestaties te verlenen ter plaatse waar de belanghebbende woont, volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij welke door dat orgaan wordt uitgevoerd of, indien een dergelijk orgaan niet bestaat, het door de de autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;

  • h)

    wordt onder „orgaan van de verblijfplaats” verstaan het orgaan, dat bevoegd is de betreffende prestaties te verlenen ter plaatse waar de belanghebbende verblijft, volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij welke door dat orgaan wordt uitgevoerd of, indien een dergelijk orgaan niet bestaat, het orgaan, dat door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij is aangewezen;

  • i)

    worden onder „gezinsleden” verstaan de personen, die als zodanig worden aangemerkt of erkend door de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen; indien echter deze wetgeving uitsluitend als gezinsleden beschouwt personen, die bij de belanghebbende inwonen, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan, wanneer deze personen in hoofdzaak ten laste van de belanghebbende komen;

  • j)

    worden onder „nagelaten betrekkingen” verstaan de personen, die in de wettelijke regeling krachtens welke de prestaties worden verleend als zodanig worden aangemerkt of erkend;

  • k)

    worden onder „tijdvakken van verzekering” verstaan de tijdvakken van premiebetaling, van arbeid als loontrekkende of zelfstandige of van wonen, welke als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt in de wettelijke regeling, waaronder zij zijn vervuld of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij door die wettelijke regeling als waardig met tijdvakken van verzekering worden erkend;

  • l)

    worden onder „uitkeringen”, „pensioenen” of „renten” verstaan alle uitkeringen, pensioenen, renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, de verhogingen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau, of de aanvullende uitkeringen, alsmede de als afkoopsom uitgekeerde bedragen, welke in de plaats kunnen treden van de pensioenen of renten;

  • m)

    wordt onder „werknemer” verstaan een loontrekkende of een zelfstandige, alsmede iedere persoon, die volgens de van toepassing zijnde wetgeving met een loontrekkende gelijkgesteld is;

  • n)

    wordt onder „uitkering bij overlijden” verstaan elk bedrag dat geval van overlijden ineens wordt uitgekeerd.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

De onderdanen van één der Verdragsluitende Partijen, op wie de bepalingen van dit Verdrag van toepassing zijn, zijn onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de andere Partij onderworpen aan de verplichtingen en gerechtigd tot de voordelen, voortvloeiende uit de in artikel 2 genoemde wettelijke regelingen.

Artikel

5

Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, kunnen uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom en uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, renten ter zake van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, kinderbijslagen en uitkeringen bij overlijden, verkregen krachtens de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij, niet worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende niet op het grondgebied van deze Partij woont.

Artikel

6

TITEL

II

Bepalingen ter vaststelling van de van toepassing zijnde wetgeving

Artikel

7

Onverminderd de bepalingen van deze titel is op werknemers die werkzaam zijn op het grondgebied van één der Verdragsluitende Partijen de wetgeving van deze Partij van toepassing, zelfs indien zij op het grondgebied van de andere Partij wonen of indien hun werkgever of de zetel van de onderneming, waarbij zij werkzaam zijn, zich op het grondgebied van de andere Partij bevindt.

Artikel

8

Op het beginsel, neergelegd in artikel 7, gelden de volgende uitzonderingen:

  • a)

    Op de werknemers die, in dienst zijnde van een onderneming, welke op het grondgebied van één der Verdragsluitende Partijen een bedrijf heeft, waaraan zij gewoonlijk verbonden zijn, door deze onderneming worden uitgezonden naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij om aldaar een werk uit te voeren voor rekening van deze onderneming, blijft, gedurende de eerste 24 maanden, waarin zij op het grondgebied van de andere Partij werkzaam zijn, de wetgeving van eerstgenoemde Partij van toepassing, alsof zij op zijn grondgebied werkzaam bleven; indien deze arbeid langer dan maanden duurt, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij voor een nieuw tijdvak van hoogstens 12 maanden van toepassing, mits de bevoegde autoriteit van de andere Partij vóór het einde van het eerste tijdvak van 24 maanden hieraan zijn goedkeuring heeft gehecht.

  • b)

    op het varend of rijdend personeel in dienst van een onderneming welke voor rekening van anderen of voor eigen rekening personen of goederen vervoert per spoor, over de weg, door de lucht of te water, of de zeevisserij uitoefent, en welke op het grondgebied van één der Verdragsluitende Partijen haar zetel heeft, is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan de onderneming gevestigd is, van toepassing; indien bedoelde onderneming echter een filiaal of een duurzame vertegenwoordiging heeft op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, is op de daarbij tewerkgestelde werknemers de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan dit filiaal of deze duurzame vertegenwoordiging zich bevindt van toepassing.

Artikel

9

Artikel

10

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen voor bepaalde werknemers of groepen werknemers met betrekking tot de toepasselijke wetgeving in gemeen overleg uitzonderingen vaststellen op de bepalingen van de artikelen 7 tot en met 9 van dit Verdrag.

TITEL

III

Bijzondere bepalingen omtrent de verschillende soorten uitkeringen

HOOFDSTUK

1

Ziekte en moederschap

Artikel

11

Wanneer een werknemer achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, worden met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties, de tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de wettelijke regeling van elk der Verdragsluitende Partijen, voor zover zij niet samenvallen, samengeteld.

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Indien door toepassing van dit hoofdstuk een werknemer of een lid van zijn gezin krachtens de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen recht op prestaties bij moederschap zou kunnen doen gelden, wordt de wettelijke regeling toegepast, welke van kracht is op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar de geboorte heeft plaatsgevonden, waarbij, voor zover nodig, rekening wordt gehouden met de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de wettelijke regeling van de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel

16

Artikel

17

HOOFDSTUK

2

Invaliditeit

Artikel

18

Wanneer een verzekerde achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, worden, met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties bij invaliditeit, de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de wettelijke regeling van elk der Verdragsluitende Partijen, voor zover zij niet samenvallen, samengeteld.

Artikel

19

De uitkeringen bij invaliditeit worden toegekend overeenkomstig de bepalingen van de wettelijke regeling, die op de belanghebbende van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid, gevolgd door invaliditeit, is ingetreden; ze komen ten laste van het volgens deze wettelijke regeling bevoegde orgaan.

Artikel

20

Indien, rekening houdend met de in artikel 18 bedoelde samentelling van tijdvakken van verzekering, de belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op invaliditeitsuitkering volgens de wettelijke regeling die op het tijdstip van het intreden van de arbeidsongeschiktheid, gevolgd door invaliditeit, op hem van toepassing was, terwijl hij nog recht op uitkeringen heeft krachtens de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan hij onmiddellijk daaraan voorafgaande verzekerd was of daarop nog recht zou hebben, indien hij zich op dat grondgebied bevond, geniet hij deze uitkeringen in het land, waarheen hij zich heeft begeven. Deze uitkeringen komen ten laste van het orgaan van bovenbedoelde Partij overeenkomstig de bepalingen van de wettelijke regeling van deze Partij.

Artikel

21

Artikel

22

Een werknemer, die recht op invaliditeitsuitkering heeft verkregen ten laste van een orgaan van één der Verdragsluitende Partijen en die op het grondgebied van deze Partij woonachtig is, behoudt dat recht wanneer hij zijn woonplaats naar het grondgebied van de andere Partij overbrengt. Vóór de overbrenging moet de werknemer echter toestemming van het bevoegde orgaan verkregen hebben. Deze toestemming kan alleen worden geweigerd indien vaststaat dat verplaatsing van belanghebbende nadelig is voor zijn gezondheid of voor het ondergaan van een medische behandeling.

HOOFDSTUK

3

Ouderdom en overlijden

AFDELING

1

Bijzondere bepalingen betreffende de toepassing van de Spaanse wettelijke regeling

Artikel

23

Artikel

24

AFDELING

2

Bijzondere bepalingen betreffende de toepassing van de Nederlandse wettelijke regelingen

Artikel

25

De Nederlandse organen berekenen de pensioenen van de ouderdomsverzekering rechtstreeks en uitsluitend op basis van de krachtens de Nederlandse wettelijke regeling vervulde verzekeringstijdvakken.

Artikel

26

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

De voordelen, welke ter zake van een overlijden dat vóór 1 oktober 1959 heeft plaatsgevonden uit de overgangsbepalingen van de Nederlandse wettelijke regeling inzake de algemene weduwen- en wezenverzekering voortvloeien, worden aan Spaanse onderdanen toegekend onder dezelfde voorwaarden als voor Nederlandse onderdanen gelden.

AFDELING

3

Begrafenisuitkering

Artikel

30

HOOFDSTUK

4

Arbeidsongevallen en beroepsziekten

Artikel

31

Artikel

32

Indien de werknemer, die recht op prestaties heeft verkregen, zijn woonplaats overbrengt, als bedoeld in het eerste lid van het vorige artikel, moet hij vóór de overbrenging toestemming hebben van het orgaan dat de prestaties verschuldigd is. Dit orgaan mag toestemming alleen weigeren wanneer zijn geneeskundige vaststelt, dat de gezondheidstoestand van de werknemer een beletsel vormt voor het overbrengen van de woonplaats naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel

33

HOOFDSTUK

5

Werkloosheid

Artikel

34

Wanneer een werknemer achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, worden met het oog op het verkrijgen van het recht op uitkeringen, de tijdvakken van verzekering of van arbeid, vervuld krachtens de wettelijke regeling van elk der Verdragsluitende Partijen, voor zover zij niet samenvallen, samengeteld.

Artikel

35

De werknemer van één der Verdragsluitende Partijen, die zich naar het grondgebied van de andere Partij begeeft, heeft, zolang hij zich op dit grondgebied bevindt, recht op werkloosheidsuitkeringen ingevolge de wettelijke regeling van laatstbedoelde Partij, mits hij

  • a)

    tewerkgesteld is overeenkomstig de bepalingen van de wettelijke regelingen inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;

  • b)

    voldoet aan de door de wettelijke regeling van laatstbedoelde Partij gestelde voorwaarden, waarbij rekening wordt gehouden met de in het vorige artikel bedoelde samentelling van tijdvakken.

HOOFDSTUK

6

Gezinsbijslagen

Artikel

36

Indien de Spaanse wettelijke regeling het recht op gezinsbijslagen afhankelijk stelt van het vervullen van tijdvakken van verzekering, houdt het bevoegde Spaanse orgaan, voor zover zulks nodig is, rekening met ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling vervulde tijdvakken van verzekering.

Artikel

37

TITEL

IV

Diverse bepalingen

Artikel

38

De bevoegde autoriteiten

  • a)

    treffen de administratieve regelingen, welke voor de uitvoering van dit Verdrag nodig zijn;

  • b)

    verstrekken elkaar inlichtingen omtrent de ter uitvoering van dit Verdrag genomen maatregelen;

  • c)

    verstrekken elkaar inlichtingen omtrent wijzigingen in hun wetgeving;

  • d)

    regelen in gemeen overleg de wijze waarop de medische en administratieve controle zal plaatsvinden.

Artikel

39

Bij de toepassing van dit Verdrag zijn de autoriteiten en de met de uitvoering van dit Verdrag belaste organen elkaar behulpzaam en handelen alsof het de toepassing van hun eigen wetgeving betrof.

Artikel

40

Artikel

41

Artikel

42

Aanvragen, verklaringen of beroepschriften, welke ter uitvoering van de wetgeving van één der Verdragsluitende Partijen binnen een bepaalde termijn bij een autoriteit, orgaan of ander lichaam van deze Partij moeten worden ingediend, zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn bij een overeenkomstige autoriteit, orgaan of ander lichaam van de andere Verdragsluitende Partij zijn ingediend. In dit geval doet een aldus ingeschakelde autoriteit, orgaan of lichaam bedoelde aanvragen, verklaringen of beroepschriften onverwijld toekomen aan de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of het bevoegde lichaam van eerstbedoelde Partij, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van de verbindingsorganen van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel

43

Artikel

44

Wanneer iemand prestaties geniet krachtens een wettelijke regeling van de ene Verdragsluitende Partij ter zake van een op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij veroorzaakte of ontstane schade, worden de rechten van het orgaan dat deze prestaties verschuldigd is tegenover een derde, die gehouden is de schade te vergoeden, als volgt geregeld:

  • a)

    wanneer krachtens de wettelijke regeling, welke het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, toepast, dit orgaan gesubrogeerd is in de rechten, welke de rechthebbende tegenover een derde heeft, erkent de andere Verdragsluitende Partij die subrogatie;

  • b)

    wanneer het orgaan, dat de prestaties verschuldigd is, een onmiddellijk recht heeft tegenover een derde, erkent de andere Verdragsluitende Partij dat recht.

Artikel

45

Artikel

46

TITEL

V

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

47

Artikel

48

Elk van de Hoge Verdragsluitende Partijen zal de andere Partij ervan in kennis stellen dat de constitutionele vereisten voorgeschreven om het onderhavige Verdrag van toepassing te kunnen doen worden, aan zijn kant zijn vervuld. Het Verdrag zal van kracht worden op de eerste dag van de tweede maand volgend op die waarin de laatste kennisgeving is ontvangen.

Artikel

49

Met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag worden de bepalingen van het Verdrag tussen Spanje en Nederland, dat op 17 december 1962 te Madrid is ondertekend, ingetrokken.

Artikel

50

Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten. Het kan door elk der Verdragsluitende Partijen worden opgezegd. Opzegging dient te geschieden uiterlijk zes maanden vóór het einde van het lopende kalenderjaar; het Verdrag houdt dan op van kracht te zijn aan het einde van dat jaar.

Artikel

51

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN in viervoud, te Madrid, de vijfde februari 1974, twee exemplaren in de Nederlandse en twee exemplaren in de Spaanse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

De Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) E. J. LEWE VAN ADUARD

E. J. Baron Lewe van Aduard

Voor de Spaanse Staat,

De Minister van Buitenlandse Zaken,

(w.g.) PEDRO CORTINA MAURI

Pedro Cortina Mauri

SLOTPROTOCOL

Bij de ondertekening, heden, van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Spaanse Staat hebben ondergetekende gevolmachtigden van de beide Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de volgende punten overeenstemming vastgesteld:

  • 1.

    Voor het genot van verstrekkingen ten laste van de Nederlandse organen met toepassing van de artikelen 13 en 14 van het Verdrag, wordt als werknemer beschouwd degene die als verplicht of als vrijwillig verzekerde bij een ziekenfonds is ingeschreven.

  • 2.

    Voor het genot van verstrekkingen ten laste van de Nederlandse organen, met toepassing van artikel 16, derde lid, van het Verdrag, wordt als rechthebbende op een pensioen of een rente die op verstrekkingen recht heeft, tevens beschouwd degene die bij een ziekenfonds is ingeschreven hetzij in de vrijwillige verzekering, hetzij in de vrijwillige verzekering voor bejaarden (bejaardenverzekering).

GEDAAN in viervoud te Madrid, de vijfde februari 1974, twee exemplaren in de Nederlandse en twee exemplaren in de Spaanse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden,

De Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) E. J. LEWE VAN ADUARD

E. J. Baron Lewe van Aduard

Voor de Spaanse Staat,

De Minister van Buitenlandse Zaken,

(w.g.) PEDRO CORTINA MAURI

Pedro Cortina Mauri

Administratief Akkoord voor de toepassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Spaanse Staat

Voor de toepassing van artikel 38 van het op 5 februari 1974 ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Spaanse Staat inzake sociale zekerheid (hierna aangeduid met de term „Verdrag”) hebben de bevoegde Nederlandse en Spaanse autoriteiten in gemeen overleg de volgende regelen vastgesteld:

TITEL

I

Algemene bepalingen

Artikel

1

Voor de toepassing van dit administratief Akkoord hebben de in artikel 1 van het Verdrag omschreven termen de hun in genoemd artikel toegekende betekenis.

Artikel

2

Artikel

3

Bevoegde organen in de zin van artikel 1, sub f, van het Verdrag zijn:

  • A.

    in Spanje:

    • a)

      het „Instituto Nacional de Previsión” voor prestaties van de volgende algemene stelsels: gezondheidszorg bij ziekte, moederschap en niet-arbeidsongevallen; uitkeringen bij tijdelijke en voorlopige arbeidsongeschiktheid, veroorzaakt door ziekte of een niet-arbeidsongeval; gezinsbijslagen en uitkeringen bij werkloosheid. Dit orgaan is eveneens bevoegd ter zake van uitkeringen van sociale bijstand en sociale diensten welke de genoemde basisuitkeringen aanvullen;

    • b)

      de „Mutualidades Laborales” voor de volgende prestaties van het algemeen stelsel: prestaties bij ouderdom, blijvende invaliditeit en overlijden, ongeacht de oorzaak; tijdelijke en voorlopige arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door een arbeidsongeval of een beroepsziekte. Deze organen zijn eveneens bevoegd ter zake van uitkeringen van sociale bijstand en sociale diensten welke de genoemde basisuitkeringen aanvullen;

    • c)

      de „Mutualidad Nacional Agraria” voor prestaties van het bijzondere stelsel voor de landbouw;

    • d)

      het „Instituto Social de la Marina” voor prestaties van het bijzondere stelsel voor zeelieden;

    • e)

      de „Multualidad Nacional de Empleados del Hogar” voor prestaties van het bijzondere stelsel voor huispersoneel;

    • f)

      de „Mutualidades Laborales del Carbón” voor prestaties van het bijzondere stelsel voor de kolenmijnen;

    • g)

      de „Mutualidades Laborales de Trabajadores Autónomos” voor prestaties van het bijzondere stelsel voor zelfstandigen;

    • h)

      de „Mutualidad Nacional de Trabajadores Ferroviarios” voor prestaties van het bijzondere stelsel voor de werknemers bij de spoorwegen;

    • i)

      de „Mutualidad Nacional de Artistas” voor prestaties van het bijzondere stelsel voor beroepskunstenaars;

    • j)

      de „Multualidad Nacional de Representantes de Comercio” voor het bijzondere stelsel voor handelsvertegenwoordigers;

    • k)

      de „Mutualidad Nacional de Escritores de Libros” voor prestaties van het bijzondere stelsel voor schrijvers van boeken;

    • l)

      de „Mutualidad del Seguro Escolar” voor prestaties van het bijzondere stelsel voor studerenden;

    • m)

      de „Montepio de la Asociación Benefica de Toreros” voor prestaties van het bijzondere stelsel voor stierenvechters;

    • n)

      het „Fondo Compensador” voor de betaalbaarstelling van de door de bevoegde organen ter zake van arbeidsongevallen en beroepsziekten vastgestelde pensioenen of renten.

  • B.

    in Nederland:

    • a)

      de ziekenfondsen voor verstrekkingen;

    • b)

      de bedrijfsverenigingen voor uitkeringen bij ziekte, moederschap, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid;

    • c)

      (i) de Sociale Verzekeringsbank, (ii) de Raden van Arbeid voor uitkeringen bij ouderdom en uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, alsmede kinderbijslag.

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

De werknemer die overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van het Verdrag zijn keuzerecht uitoefent, deelt dit, door tussenkomst van zijn werkgever, mede aan het in artikel 5, tweede lid, genoemde orgaan van het land voor de wetgeving waarvan hij heeft gekozen. Dit orgaan stelt het orgaan van het andere land hiervan in kennis.

TITEL

II

Bijzondere bepalingen

HOOFDSTUK

1

Prestaties bij ziekte en moederschap

Artikel

7

Voor de toepassing van dit Hoofdstuk worden onder „orgaan van de woonplaats” en „orgaan van de verblijfplaats” verstaan:

  • A.

    in Spanje:

    het provinciale kantoor van het „Instituto Nacional de Previsión” dat voor de woon-of verblijfplaats bevoegd is;

  • B.

    in Nederland:

    • -

      wat de verstrekkingen betreft: het ziekenfonds dat bevoegd is voor de woonplaats en het Algemeen Nederlands Onderling Ziekenfonds te Utrecht bij tijdelijk verblijf;

    • -

      wat de uitkeringen betreft: de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging te Amsterdam.

Artikel

8

Artikel

9

Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen richt de in artikel 12, tweede lid, van het Verdrag bedoelde werknemer een verzoek tot het orgaan van zijn woonplaats. Dit orgaan vraagt het bevoegde orgaan om toezending van een bewijsstuk waarin het behoud van het recht op verstrekkingen wordt erkend en waarin wordt verklaard, dat de hiermede verband houdende kosten voor zijn rekening komen; tevens wordt daarin de maximum duur vermeld waarover deze verstrekkingen mogen worden verleend. Indien de werknemer dit bewijsstuk niet overlegt, verzoekt het orgaan van de woonplaats aan het andere orgaan om toezending.

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

In het geval, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Verdrag verzoekt het bevoegde orgaan het orgaan van de laatste woonplaats van elk gezinslid dat zijn woonplaats naar het bevoegde land heeft overgebracht, zonodig om inlichtingen omtrent het tijdvak, waarover onmiddellijk vóór deze overbrenging verstrekkingen zijn verleend.

Artikel

15

Artikel

16

De artikelen 10 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing voor het verlenen van verstrekkingen aan rechthebbenden op een pensioen of een rente en hun gezinsleden bij een tijdelijk verblijf als bedoeld in artikel 16, derde lid, van het Verdrag.

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

De werknemer is onderworpen aan de controlevoorschriften van het orgaan van de verblijfplaats.

Artikel

21

Wanneer het orgaan van de verblijfplaats vaststelt, dat de werknemer de controlevoorschriften overtreedt, stelt het onmiddellijk het bevoegde orgaan daarvan in kennis, waarbij het de aard van de overtreding mededeelt en waarbij het tevens vermeldt welke gevolgen door het orgaan van de verblijfplaats gewoonlijk worden verbonden aan een dergelijke overtreding, wanneer het een eigen verzekerde zou betreffen.

Artikel

22

Wanneer de werknemer naar het bevoegde land terugkeert, stelt het orgaan van de verblijfplaats het bevoegde orgaan hiervan in kennis en doet hierbij tevens mededeling van het oordeel van de controlerende geneesheer of de reis al dan niet schadelijk is voor de gezondheidstoestand van de werknemer.

Artikel

23

Het bevoegde orgaan stelt de uitkeringen met behulp van alle daartoe aangewezen middelen betaalbaar, met name per internationale postwissel. Zij kunnen echter door het orgaan van de verblijfplaats voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend, indien laatstgenoemd orgaan hiermede instemt. In dit geval stelt het bevoegde orgaan het orgaan van de verblijfplaats op de hoogte van het bedrag van de uitkeringen en van de datum of data, waarop deze dienen te worden betaald, alsmede van de maximum duur van de uitkeringen.

Artikel

24

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

HOOFDSTUK

2

Uitkeringen bij invaliditeit

Artikel

28

De aanvragen om uitkeringen bij invaliditeit, in het in artikel 20 van het Verdrag bedoelde geval, moeten door de belanghebbenden worden ingediend bij het orgaan van de woonplaats, dat de aanvragen aan het bevoegde orgaan van het andere land doorzendt, onder bijvoeging van de volgende gegevens en inlichtingen:

  • a)

    medisch rapport inzake de oorzaak en de mate van invaliditeit, alsmede inzake de maatregelen welke met het oog op het herkrijgen van de arbeidsgeschiktheid kunnen worden genomen;

  • b)

    bewijsstuk inzake de tijdvakken van verzekering, welke door de aanvrager krachtens de wettelijke regeling van het land van zijn woonplaats zijn vervuld;

  • c)

    gegevens betreffende het tijdvak waarover aan de belanghebbende uitkeringen en verstrekkingen zijn verleend wegens de ziekte of het ongeval waardoor de invaliditeit is ontstaan;

  • d)

    datum van ontvangst van de aanvraag.

Artikel

29

Indien de belanghebbende met toepassing van artikel 20 van het Verdrag, invaliditeitsuitkering aanvraagt, heeft hij geen recht op deze uitkering zolang hij recht heeft op ziekengeld of, al naar gelang het geval, uitkering bij voorlopige arbeidsongeschiktheid ingevolge de wettelijke regeling die van toepassing was toen de arbeid werd gestaakt.

Artikel

30

Artikel

31

Artikel

32

Wanneer uit de in het voorgaande artikel bedoelde controle blijkt, dat de rechthebbende op invaliditeitsuitkering, terwijl hij in het genot is of was van deze uitkering, werkzaam is of geweest is, of inkomsten geniet of genoot, welke de voorgeschreven grens overschrijden, wordt aan het bevoegde orgaan rapport uitgebracht. In dit rapport dienen te worden vermeld: de aard van de uitgeoefende werkzaamheden, het bedrag van de verdiensten of de inkomsten welke de betrokkene gedurende het laatstelijk verstreken kwartaal genoot, de normale beloning, welke in het zelfde gebied wordt genoten door een werknemer van de beroepsgroep waartoe de betrokkene behoorde in het beroep dat hij uitoefende voor hij invalide werd, alsmede eventueel het oordeel van een medisch-deskundige over de gezondheidstoestand van de betrokkene.

Artikel

33

Het bevoegde orgaan kan binnen de in zijn eigen wettelijke regeling voorgeschreven termijnen levensbewijzen en bewijzen van de burgerlijke stand, alsmede alle andere documenten welke voor het behoud van de uitkering noodzakelijk zijn, rechtstreeks bij de rechthebbende opvragen.

Artikel

34

Voor de toepassing van dit Hoofdstuk wordt met het bevoegde orgaan gelijkgesteld een ander dan het in artikel 1, sub f) van het Verdrag bedoelde orgaan, dat krachtens de van toepassing zijnde wettelijke regeling belast is met het bevorderen van revalidatiemaatregelen en van genees- of heelkundige voorzieningen, alsmede met het beoordelen van het verlies van arbeidsgeschiktheid.

HOOFDSTUK

3

Uitkeringen hij ouderdom en overlijden

Indienen en behandelen van aanvragen

Artikel

35

Artikel

36

Artikel

37

Artikel

38

Artikel

39

Artikel

40

Voor de berekening van het weduwenpensioen ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling, wordt de maximaal mogelijke verzekeringsduur, zoals bedoeld in artikel 28, tweede lid, van het Verdrag, gerekend van de datum waarop de verzekerde de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt.

Betaalbaarstellingen van de uitkeringen

Artikel

41

Artikel

42

De bevoegde organen van beide landen kunnen bewijzen van in leven zijn en bewijzen van de burgerlijke stand, alsmede alle andere documenten welke voor het behoud van de uitkeringen noodzakelijk zijn, rechtstreeks bij de rechthebbenden opvragen.

HOOFDSTUK

4

Prestaties bij arbeidsongeval en beroepsziekte (toepassing van de Spaanse wettelijke regeling)

Artikel

43

HOOFDSTUK

5

Werkloosheid

Artikel

44

HOOFDSTUK

6

Gezinsbijslagen

Artikel

45

Artikel

46

Voor de toepassing van artikel 37, vijfde lid, van het Verdrag is de Spaanse werknemer verplicht in de aanvraag om Nederlandse kinderbijslag de namen, voornamen en het adres op te geven van degene die de kinderbijslag in Spanje moet ontvangen.

Artikel

47

De kinderbijslag wordt rechtstreeks en op de in de toepasselijke wettelijke regeling voorziene vervaldagen uitbetaald. Deze uitbetaling geschiedt zonder aftrek van porti of bankkosten.

TITEL

III

Diverse bepalingen

Artikel

48

Artikel

49

De bevoegde organen van beide landen kunnen elkaar te allen tijde verzoeken over te gaan tot verificatie of controle van feiten en handelingen waardoor volgens hun eigen wettelijke regeling het door hen erkende recht op uitkeringen kan worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken.

Artikel

50

Wanneer de betrokkene na schorsing van een uitkering zijn recht op uitkering herkrijgt, terwijl hij in het andere land woont, wisselen de betrokken organen alle nodig geachte inlichtingen uit met het oog op de hervatting van de betaling van de uitkering.

Artikel

51

De kosten die voortvloeien uit de administratieve controle en uit geneeskundig onderzoek, observaties, reizen en allerlei verificaties, nodig voor de toekenning en verlening van prestaties of voor de herziening daarvan, worden aan het daarmede belaste orgaan, op basis van het door dit orgaan toegepaste tarief, vergoed door het orgaan voor rekening waarvan zij zijn verricht.

Artikel

52

Voor de toepassing van artikel 42 van het Verdrag vermeldt de autoriteit, het orgaan of het andere lichaam, dat een aanvraag, een verklaring of een klaagschrift ontvangen heeft, dat had moeten worden ingediend bij een autoriteit, orgaan of ander lichaam van het andere land, daarop de datum waarop de aanvraag, de verklaring of het klaagschrift is ontvangen.

Artikel

53

Dit Akkoord treedt op dezelfde dag in werking als het Verdrag en heeft dezelfde werkingsduur; met ingang van deze dag wordt ingetrokken het Algemeen Administratief Akkoord van 16 april 1964 met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag van 17 december 1962 tussen de Spaanse Staat en het Koninkrijk der Nederlanden inzake sociale zekerheid.

GEDAAN in viervoud te Madrid, op vijf februari 1974, twee exemplaren in de Spaanse taal en twee exemplaren in de Nederlandse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de bevoegde Nederlandse autoriteit,

De Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) E. J. LEWE VAN ADUARD

E. J. Baron Lewe van Aduard

Voor de bevoegde Spaanse autoriteit,

De Minister van Buitenlandse Zaken,

(w.g.) PEDRO CORTINA MAURI

Pedro Cortina Mauri

Protocol

na onderzoek van de positie van de Spaanse werknemers en hun gezinsleden, die niet onderworpen zijn aan de wettelijke regelingen, als bedoeld in artikel 2, onder Ba) van het Verdrag, en die op grond van hun rechtspositie als overheidsfunctionaris recht hebben op vergoeding van de kosten van geneeskundige verzorging;
wensende op dit punt tot een bevredigende oplossing te komen;

hun overeenstemming omtrent het onderstaande vastgesteld:

het Spaanse verbindingsorgaan voor de verstrekkingen zal op verzoek van het Nederlandse verbindingsorgaan voor de verstrekkingen de bepalingen van het Administratief Akkoord betreffende de verstrekkingen op overeenkomstige wijze toepassen op de hiervoor bedoelde groepen werknemers en hun gezinsleden, nader aan te geven door het Nederlandse verbindingsorgaan.

In gemeen overleg kunnen de verbindingsorganen nadere regelingen treffen ter uitvoering van de voorgaande alinea.

GEDAAN in viervoud, te Madrid, de vijfde februari 1974, twee exemplaren in de Spaanse en twee exemplaren in de Nederlandse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor de bevoegde Nederlandse autoriteit,

De Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) E. J. LEWE VAN ADUARD

E.J. Baron Lewe van Aduard

Voor de bevoegde Spaanse autoriteit,

De Minister van Buitenlandse Zaken,

(w.g.) PEDRO CORTINA MAURI

Pedro Cortina Mauri

Convenio entre el Reino de los Países Bajos y el Estado Español sobre Seguridad Social

El Gobierno del Reino de los Países Bajos

y

El Gobierno del Estado Español

animados del deseo de adaptar las relaciones existentes entre los Países Bajos y España, en el campo de la Seguridad Social, al desarrollo de la legislación de los dos Estados después de la firma del Convenio sobre Seguridad Social, efectuada en Madrid el 17 de diciembre de 1.962, han resuelto establecer un Convenio destinado a reemplazar aquel Instrumento y al efecto han acordado las siguientes disposiciones.

TÍTULO

I

Disposiciones generales

Artículo

1

A los fines de la aplicación del presente Convenio:

  • a)

    El término „territorio” designa:

    Por parte española: las provincias peninsulares, las Islas Baleares, las Islas Canarias y las provincias españolas del Norte de Africa;

    Por parte neerlandesa: el territorio del Reino en Europa;

  • b)

    El término „legislación” designa las leyes, los reglamentos y las disposiciones estatutarias, existentes y futuras, que conciernen a los regímenes y ramas de la Seguridad Social a que se refiere el párrafo primero del artículo 2;

  • c)

    El término „autoridad competente” designa:

    Por parte española: El Ministro de Trabajo;

    Por parte neerlandesa: El Ministro de Asuntos Sociales; por lo que respecta a prestaciones en especie del seguro de enfermedad, El Ministro de Salud Pública y de la Protección del Medio Ambiente.

  • d)

    El término „residencia” significa la residencia habitual;

  • e)

    El término „estancia” significa la estancia temporal;

  • f)

    El término „institución competente” designa la institución en la cual el asegurado se encuentra afiliado en el momento en que solicite una prestación o respecto de la cual tiene o tendría derecho a prestaciones, si residiera en el territorio de la parte contratante donde se encuentre esta institución;

  • g)

    El término „institución del lugar de residencia” designa la institución habilitada para facilitar las prestaciones de que se trate, en el lugar de residencia del interesado, según la legislación de la Parte Contratante que esta institución aplique o, si tal institución no existiera, la designada por la Autoridad competente de la Parte Contratante de que se trate.

  • h)

    El término „institución del lugar estancia” designa la institución habilitada para facilitar las prestaciones de que se trate en el lugar de estancia del interesado, según la legislación de la Parte Contratante que esta institución aplique o, si tal organismo no existiera, la designada por la Autoridad competente de la Parte Contratante de que se trate;

  • i)

    El término „familiares” designa las personas definidas o admitidas como tales por la legislación de la Parte Contratante en cuyo territorio residan; sin embargo, si esta legislación no considera como familiares mas que a las personas que convivan con el interesado, esta condición se considerará cumplida cuando estas personas estén, principalmente, a cargo del interesado;

  • j)

    El término „supervivientes” designa las personas definidas o admitidas como tales por la legislación en virtud de la cual se concedan las prestaciones;

  • k)

    El término „períodos de seguro” designa los períodos de cotización, de empleo, de actividad profesional o de residencia tal como son definidos o admitidos como períodos de seguro por la legislación bajo la cual hayan sido cumplidos o se consideren cumplidos, así como todos los períodos asimilados en la medida en que son reconocidos por esta legislación como equivalentes a periodos de seguro.

  • l)

    Los términos „prestaciones”, „pensiones”, o „rentas”, designan toda prestación, pensión y renta, comprendidos todos los suplementos a cargo de los fondos públicos, las mejoras de adaptación al nivel de salarios o precios, o subsidios complementarios, así como las prestaciones en forma de capital que puedan sustituir a las pensiones o rentas;

  • m)

    El término „trabajador” designa al trabajador asalariado o autónomo, así como a la persona asimilada a un trabajador asalariado, según la legislación aplicable;

  • n)

    El término „subsidio de defunción” designa la cantidad abonada de una sola vez, en caso de fallecimiento.

Artículo

2

Artículo

3

Artículo

4

Los súbditos de una de las Partes Contratantes a los que sean aplicables las disposiciones del presente Convenio quedarán sujetos a las obligaciones y tendrán derecho a los beneficios de las legislaciones enumeradas en el Artículo 2, en las mismas condiciones que los súbditos de la otra Parte.

Artículo

5

Salvo lo dispuesto en el presente Convenio, las prestaciones por invalidez, vejez y supervivencia, las rentas por accidentes de trabajo o enfermedad profesional, las prestaciones familiares y los subsidios de defunción adquiridos por aplicación de la legislación de una Parte Contratante, no podrán ser objeto de reducción, rnodificación, suspensión, supresión ni retención por el hecho de que el beneficiario no resida en el territorio de esta Parte.

Artículo

6

TÍTULO

II

Disposiciones que determinan la legislación aplicable

Artículo

7

Sin perjuício de las disposiciones del presente Título, los trabajadores ocupados en el territorio de una de las Partes Contratantes, estarán sometidos a la legislación de esta Parte, aunque residan en el territorio de la otra Parte o aunque su patrono o la sede de la empresa que les ocupe se encuentre en el territorio de la otra Parte.

Artículo

8

El principio establecido en el artículo 7, tendrá las excepciones siguientes:

  • a)

    Los trabajadores al servicio de una empresa que tenga en el territorio de una de las Partes Contratantes un establecimiento en el que trabajen normalmente y sean enviados por cuenta de la empresa al territorio de la otra Parte Contratante para realizar un trabajo, continuarán sometidos a la legislación de la primera Parte como si continuasen trabajando en su territorio, durante los 24 primeros meses de su trabajo en el territorio de la otra Parte. Si la duración del trabajo se prolongase más de 24 meses continuará aplicándose la legislación de la primera Parte por un nuevo período de 12 meses, como máximo, a condición de que la Autoridad competente de la segunda Parte haya dado su conformidad antes de la terminación del primer período de 24 meses;

  • b)

    El personal ambulante, al servicio de una empresa que efectúe bien por sí o por cuenta de otro transportes de pasajeros o de mercancías, ferroviarios por carretera, aéreos o de navegación, o la pesca marítima, con su sede en el territorio de una de las Partes Contratantes, quedará sometido a la legislación de esta Parte; sin embargo, los trabajadores empleados en una sucursal o en una representación permanente que la empresa tenga en el territorio de la otra Parte Contratante, quedarán sometidos a la legislación de la Parte Contratante en cuyo territorio se encuentre la sucursal o la representación permanente.

Artículo

9

Artículo

10

Las Autoridades competentes de las Partes Contratantes, podrán prever, de común acuerdo, excepciones a lo dispuesto en los artículos 7 al 9 del presente Convenio, para determinados trabajadores o grupos de trabajadores.

TÍTULO

III

Disposiciones particulares sobre las diferentes clases de prestaciones

CAPÍTULO

1

Enfermedad y maternidad

Artículo

11

Para la adquisición, conservación o recuperación del derecho a prestaciones, cuando un trabajador haya estado sometido sucesiva o alternativamente a la legislación de las dos Partes Contratantes, los períodos de seguro cumplidos en virtud de la legislación de cada una de las Partes Contratantes, serán totalizados siempre que no se superpongan.

Artículo

12

Artículo

13

Artículo

14

Artículo

15

Cuando por aplicación del presente Capítulo un trabajador o uno de sus familiares tenga derecho a prestaciones de maternidad por aplicación de las legislaciones de las dos Partes Contratantes, será aplicable la legislación en vigor en el territorio de la Parte Contratante donde se produzca el nacimiento, teniendo en cuenta, en la medida necesaria, los períodos de seguro cumplidos según la legislación de la otra Parte Contratante.

Artículo

16

Artículo

17

CAPÍTULO

2

Invalidez

Artículo

18

Para la adquisición, conservación o recuperación del derecho a prestaciones de invalidez, cuando un asegurado haya estado sometido sucesiva o alternativamente a las legislaciones de las dos Partes Contratantes, los períodos de seguro cumplidos por aplicación de la legislación de cada una de las Partes Contratantes, serán totalizados siempre que no se superpongan.

Artículo

19

Las prestaciones económicas de invalidez se concederán de acuerdo con la legislación aplicable al interesado en el momento de producirse la incapacidad para el trabajo, seguida de invalidez, y estarán a cargo de la Institución que sea competente, de acuerdo con dicha legislación.

Artículo

20

Si el interesado, teniendo en cuenta la totalizacíon de períodos de seguro a que se refiere el artículo 18, no satisfaciera las condiciones requeridas para tener derecho a las prestaciones económicas de invalidez de la legislación que le fuera aplicable en el momento de producirse la incapacidad para el trabajo, seguida de invalidez, pero tuviera aún derecho a prestaciones en virtud de la legislación de la Parte Contratante en cuyo territorio estuvo asegurado inmediatamente antes, o lo hubiera tenido de encontrarse en dicho territorio, se beneficiará de dichas prestaciones en el país al que se haya trasladado. Estas prestaciones estarán a cargo de la Institución de la Parte Contratante anteriormente referida, de conformidad con la legislación que ella aplique.

Artículo

21

Artículo

22

Un trabajador con derecho a prestaciones económicas de invalidez a cargo de una Institución de una de las Partes Contratantes que resida en el territorio de dicha Parte, conservará este beneficio cuando traslade su residencia al territorio de la otra Parte. Sin embargo, antes del traslado el trabajador debe obtener autorización de la Institución competente. La autorización no podrá ser denegada mas que en el caso de que el desplazamiento del interesado pueda afectar a su estado de salud o a la aplicación de un tratamiento médico.

CAPÍTULO

3

Vejez, muerte y supervivencia

SECCIÓN

1

Disposiciones particulares relativas a la aplicación de la legislación española

Artículo

23

Artículo

24

SECCIÓN

2

Disposiciones particulares relativas a la aplicación de la legislación neerlandesa

Artículo

25

Las Instituciones neerlandesas calcularán las pensiones del seguro de vejez directa y exclusivamente en función de los períodos de seguro cumplidos por aplicación de la legislación neerlandesa.

Artículo

26

Artículo

27

Artículo

28

Artículo

29

Los beneficios derivados de las disposiciones transitorias de la legislación neerlandesa sobre el seguro general de viudas y huérfanos por los fallecimientos ocurridos antes del 1° de octubre de 1959, se concederán a los súbditos españoles en las mismas condiciones que a los súbditos neerlandeses.

SECCIÓN

3

Subsidio de defunción

Artículo

30

CAPÍTULO

4

Accidentes de trabajo y enfermedades profesionales

Artículo

31

Artículo

32

En los casos de cambio de residencia a que se refiere el párrafo 1, del artículo anterior, el trabajador que tenga derecho a prestaciones, antes del traslado, deberá obtener autorización de la Institución deudora de las prestaciones. Esta Institución no podrá denegar la autorización mas que en el caso en que por informe médico se compruebe que el estado de salud del trabajador impide el traslado de residencia al territorio de la otra Parte Contratante.

Artículo

33

CAPÍTULO

5

Desempleo

Artículo

34

Para la adquisición del derecho a prestaciones, cuando un trabajador haya estado sometido sucesiva o alternativamente a la legislación de las dos Partes Contratantes, los períodos de seguro o de empleo cumplidos bajo la legislación de cada una de las Partes Contratantes, serán totalizados siempre que no se superpongan.

Artículo

35

El trabajador de una de las Partes Contratantes que se traslade al territorio de la otra Parte tendrá derecho, en tanto permanezca en dicho territorio, a las prestaciones de desempleo previstas por la legislación de la segunda Parte Contratante, siempre que:

  • a)

    Haya sido admitido al trabajo de acuerdo con las disposiciones de la legislación relativa a la colocación de trabajadores extranjeros;

  • b)

    Cumpla con las condiciones requeridas por la legislación de la segunda Parte Contratante, teniendo en cuenta la totalización de períodos a que se refiere el artículo anterior.

CAPÍTULO

6

Prestaciones familiares

Artículo

36

Si la legislación española subordina la adquisición del derecho a prestaciones familiares al cumplimiento de períodos de seguro, la Institución competente española tendrá en cuenta, en la medida necesaria, los períodos de seguro cumplidos bajo la legislación neerlandesa.

Artículo

37

TÍTULO

IV

Disposiciones diversas

Artículo

38

Las Autoridades competentes:

  • a)

    Adoptarán los Acuerdos Administrativos necesarios para la aplicación del presente Convenio.

  • b)

    Se comunicarán las informaciones relativas a las medidas tomadas para la aplicación del presente Convenio.

  • c)

    Se comunicarán las informaciones sobre las modificaciones de su legislación.

  • d)

    Regularán de común acuerdo las modalidades para el control médico y administrativo.

Artículo

39

Para la aplicación del presente Convenio las Autoridades y las Instituciones encargadas de su ejecución, se prestarán sus buenos oficios y actuarán como si se tratase de la aplicación de su propia legislación.

Artículo

40

Artículo

41

Artículo

42

Las solicitudes, declaraciones o recursos que deban ser presentados, por aplicación de la legislación de una de las Partes Contratantes, en un plazo determinado ante una Autoridad, Institución u Organismo de esta Parte, serán admitidos si se presentan en el mismo plazo ante una Autoridad, una Institución u otro Organismo correspondiente de la otra Parte Contratante. En este caso, la Autoridad, la Institución u Organismo que lo haya recibido, tramitará sin retraso dichas solicitudes, declaraciones o recursos a la Autoridad, Institución u Organismo competente de la primera Parte, bien directamente, bien por mediación de los Organismos de enlace de las Partes Contratantes.

Artículo

43

Artículo

44

Si una persona es beneficiaria de prestaciones al amparo de la legislación de una Parte Contratante, por una contingencia causada o sobrevenida en el territorio de la otra Parte Contratante, los derechos de la Institución deudora de las prestaciones frente a tercero responsable de la reparación del daño, se regularán de la forma siguiente:

  • a)

    Cuando la Institución deudora se haya subrogado, en virtud de la legislación aplicable por la misma, en los derechos que el beneficiario ostente frente a terceros, la otra Parte Contratante reconocerá tal subrogación.

  • b)

    Cuando la Institución deudora tenga derecho frente a terceros, la otra Parte Contratante reconocerá este derecho.

Artículo

45

Artículo

46

TÍTULO

V

Disposiciones transitorias y finales

Artículo

47

Artículo

48

Cada una de las Altas Partes Contratantes notificará a la otra el cumplimiento por su parte de los necesarios requisitos constitucionales para que sea aplicable el presente Convenio. Este entrará en vigor el primer día del segundo mes siguiente a aquél en que se haya recibido la última de estas notificaciones.

Artículo

49

A partir de la entrada en vigor del presente Convenio, quedan derogadas las disposiciones del Convenio entre España y los Países Bajos, firmado en Madri el 17 de diciembre de 1.962.

Artículo

50

El presente Convenio se establece con una duración indefinida. Podrá ser denunciado por cada una de las Partes Contratantes. La denuncia deberá ser notificada, lo más tarde, con seis meses de antelación a la terminación del año en curso, en tal caso, el Convenio dejará de estar en vigor a la expiración de dicho año.

Artículo

51

EN FE DE LO CUAL los Plenipotenciarios, debidamente autorizados, firman el presente Convenio.

HECHO en Madrid, el 5 de febrero de 1.974 en cuatro ejemplares, dos en lengua holandesa y dos en lengua española, haciendo fé, igualmente, ambos textos.

Por el Reino de los Países Bajos:

El Embajador del Reino de los Países Bajos

(fdo.) E. J. LEWE VAN ADUARD

Barón Evert Joost, Lewe van Aduard

Por el Estado español:

El Ministro de Asuntos Exteriores

(fdo.) PEDRO CORTINA MAURI

Pedro Cortina Mauri

PROTOCOLO FINAL

Con ocasión de la firma, en el día de hoy, del Convenio de Seguridad Social entre el Reino de los Países Bajos y el Estado español, los Plenipotenciarios de las dos Partes Contratantes abajo firmantes han constatado su acuerdo sobre los puntos siguientes:

  • 1.

    Se considera como trabajador, para la concesión de prestaciones sanitarias a cargo de las Instituciones neerlandesas en aplicación de los artículos 13 y 14 del Convenio, a toda persona inscrita en una Caja de Enfermedad como asegurado obligatorio o voluntario.

  • 2.

    Para la concesión de prestaciones sanitarias a cargo de las Instituciones neerlandesas, en aplicación del artículo 16, párrafo 3° del Convenio, se considera asimismo como titular de una pensión o renta con derecho a prestaciones sanitarias a toda persona inscrita en una Caja de Enfermedad, bien en el seguro voluntario o en el seguro voluntario para ancianos.

HECHO en Madrid, el 5 de febrero de 1.974 en cuatro ejemplares, dos en lengua neerlandesa y dos en lengua española, haciendo fé, igualmente, ambos textos.

Por el Reino de los Países Bajos:

El Embajador del Reino de los Países Bajos

(fdo.) E. J. LEWE VAN ADUARD

Barón Evert Joost, Lewe van Aduard

Por el Estado español:

El Ministro de Asuntos Exteriores

(fdo.) PEDRO CORTINA MAURI

Pedro Cortina Mauri