Artikel
1
(1)
Indien een van de Staten ingevolge artikel 10, 11 of 12 van de Overeenkomst het recht tot belastingheffing heeft voor inkomsten van een natuurlijk persoon met woonplaats in de andere Staat, verleent de eerstgenoemde Staat bij de belastingheffing van deze inkomsten aan deze persoon op verzoek voor ten minste 90% de in het tweede lid opgesomde tegemoetkomingen waarop een natuurlijk persoon met woonplaats in die Staat recht heeft; indien de persoon met woonplaats in de andere Staat gehuwd is, worden bij de belastingheffing van deze inkomsten op verzoek voor ten minste 90% de in het tweede lid opgesomde tegemoetkomingen verleend waarop een natuurlijk persoon recht heeft van wie de echtgenoot c.q. echtgenote zijn of haar woonplaats eveneens in de eerstgenoemde Staat heeft. Voorwaarde daarbij is dat de inkomsten waarvoor de eerstgenoemde Staat krachtens de Overeenkomst het recht tot belastingheffing heeft ten minste 90% bedragen van het gehele inkomen van de natuurlijke persoon, en dat deze bij niet duurzaam gescheiden levende echtgenoten ten minste 90% bedragen van het gehele inkomen van beide echtgenoten.
(2)
Met inachtneming van het in het eerste lid bepaalde verlenen de Staten:
-
1.
tegemoetkomingen uit hoofde van een huwelijk, het aantal kinderen en de leeftijd;
-
2.
tegemoetkomingen ter zake van betalingen ter voorziening in het levensonderhoud van de gewezen of duurzaam gescheiden levende echtgenoot c.q. echtgenote;
-
3.
tegemoetkomingen in verband met buitengewone lasten ter zake van bevalling, ziekte, invaliditeit en overlijden;
-
4.
tegemoetkomingen ter zake van een opleiding of studie voor een beroep van de natuurlijke persoon en diens echtgenoot c.q. echtgenote.