Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM)

Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom)

Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van de Italiaanse Republiek, Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Beseffende, dat de kernenergie de voornaamste hulpbron vormt welke de ontwikkeling en de vernieuwing van de produktie zal verzekeren en de vooruitgang van de werken des vredes mogelijk zal maken,

Overtuigd, dat alleen een onverwijlde gemeenschappelijke inspanning de belofte inhoudt van een verwezenlijking die beantwoordt aan het scheppingsvermogen van hun landen,

Vastbesloten, de voorwaarden te scheppen tot ontwikkeling van een krachtige industrie op het gebied van de kernenergie als bron van ruime energievoorraden en van een modernisering der techniek, alsook van talrijke andere toepassingen welke zullen bijdragen tot het welzijn van hun volkeren,

Verlangende, veiligheidsvoorwaarden te scheppen, waardoor de gevaren voor het leven en de gezondheid van de bevolking worden afgewend,

Geleid door de wens, andere landen te betrekken in hun arbeid en samen te werken met de internationale organisaties die zich toeleggen op de vreedzame ontwikkeling van de atoomenergie,

Hebben besloten een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) op te richten, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

de Heer PAUL-HENRI SPAAK, Minister van Buitenlandse Zaken;

J.CH. BARON SNOY ET D’OPPUERS, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken, Voorzitter van de Belgische delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie.

De President van de Bondsrepubliek Duitsland:

Dr. KONRAD ADENAUER, Bondskanselier;

Prof. Dr. WALTER HALLSTEIN, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

De President van de Franse Republiek:

de Heer CHRISTIAN PINEAU, Minister van Buitenlandse Zaken;

de Heer MAURICE FAURE, Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

De President van de Italiaanse Republiek:

de Heer ANTONIO SEGNI, Voorzitter van de Raad van Ministers;

Prof. GAETANO MARTINO, Minister van Buitenlandse Zaken.

Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg:

de Heer JOSEPH BECH, Minister-President, Minister van Buitenlandse Zaken;

de Heer LAMBERT SCHAUS, Ambassadeur, Voorzitter van de Luxemburgse delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie.

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

de Heer JOSEPH LUNS, Minister van Buitenlandse Zaken;

de Heer J. LINTHORST HOMAN, Voorzitter van de Nederlandse delegatie bij de Intergouvernementele Conferentie;

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt:

EERSTE

TITEL

TAKEN VAN DE GEMEENSCHAP

Artikel

1

De Hoge Verdragsluitende Partijen richten bij dit Verdrag tezamen een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) op.

De Gemeenschap heeft tot taak, door het scheppen van de voorwaarden noodzakelijk voor de snelle totstandkoming en groei van de industrie op het gebied van de kernenergie, bij te dragen tot de verhoging van de levensstandaard in de Lid-Staten en de ontwikkeling van de betrekkingen met andere landen.

Artikel

2

Voor de vervulling van haar taak moet de Gemeenschap onder de in dit Verdrag bepaalde voorwaarden:

  • a)

    het onderzoek ontwikkelen en zorgen voor de verspreiding van technische kennis,

  • b)

    uniforme veiligheidsnormen vaststellen voor de gezondheidsbescherming van de bevolking en de werknemers en ervoor waken dat deze worden toegepast,

  • c)

    de investeringen vergemakkelijken en, met name door aanmoediging van het initiatief van de ondernemingen, zorgen voor de verwezenlijking van de fundamentele installaties die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de kernenergie in de Gemeenschap,

  • d)

    waken voor een regelmatige en billijke erts- en splijtstofvoorziening van alle gebruikers in de Gemeenschap,

  • e)

    door passende controle waarborgen, dat de kernmaterialen niet voor andere doeleinden worden aangewend dan waarvoor zij bestemd zijn,

  • f)

    het eigendomsrecht uitoefenen dat haar wordt toegekend op de bijzondere splijtstoffen,

  • g)

    zorgen voor ruime afzetmogelijkheden en voor de beschikking over de beste technische middelen door het instellen van een gemeenschappelijke markt voor speciale goederen en uitrusting, door het vrije kapitaalverkeer voor investeringen op het gebied van de kernenergie en door vrije werkgelegenheid voor specialisten binnen de Gemeenschap,

  • h)

    met andere landen en met internationale organisaties alle betrekkingen tot stand brengen, welke de vooruitgang in het vreedzame gebruik van de kernenergie kunnen bevorderen.

Artikel

3

TWEEDE

TITEL

BEPALINGEN TER BEVORDERING VAN DE VOORUITGANG OP HET GEBIED VAN DE KERNENERGIE

HOOFDSTUK

I

Ontwikkeling van het onderzoek

Artikel

4

Artikel

5

Ten einde de coördinatie van de in de Lid-Staten ondernomen onderzoekingen te bevorderen en om deze te kunnen aanvullen, nodigt de Commissie, hetzij door een aan een bepaalde geadresseerde gericht speciaal verzoek dat ter kennis wordt gebracht van de Lid-Staat waaronder de geadresseerde ressorteert, hetzij door een openbaargemaakt algemeen verzoek, de Lid-Staten, personen of ondernemingen uit, haar hun programma’s met betrekking tot de onderzoekingen die zij in haar verzoek omschrijft, mede te delen.

De Commissie kan, na aan de betrokkenen alle gelegenheid tot het maken van opmerkingen te hebben verleend, een met redenen omkleed advies uitbrengen over elk van de programma’s welke haar worden medegedeeld. Op verzoek van de Staat, van de persoon of van de onderneming die het programma heeft medegedeeld, is de Commissie gehouden een dergelijk advies uit te brengen.

Door deze adviezen raadt de Commissie nutteloos dubbel werk af en richt het onderzoek op de onvoldoende bestudeerde sectoren. De Commissie kan de programma’s niet publiceren zonder toestemming van de Staten, personen of ondernemingen die deze hebben medegedeeld.

De Commissie publiceert op gezette tijden een lijst van de sectoren van het onderzoek op het gebied van de kernenergie, die zij onvoldoende bestudeerd acht.

Ten einde te geraken tot wederzijds overleg en tot uitwisseling van inlichtingen kan de Commissie de vertegenwoordigers van de openbare en particuliere onderzoekcentra bijeenroepen, alsmede alle deskundigen die onderzoek verrichten op dezelfde of aanverwante gebieden.

Artikel

6

Ter bevordering van de uitvoering van de haar medegedeelde onderzoekprogramma’s kan de Commissie:

  • a)

    in het raam van onderzoekcontracten financiële bijstand verlenen met uitsluiting van subsidies;

  • b)

    al of niet tegen vergoeding de voor de uitvoering van deze programma’s nodige grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, waarover zij beschikt, verstrekken;

  • c)

    al of niet tegen vergoeding installaties, uitrustingen of bijstand van deskundigen ter beschikking stellen van de Lid-Staten, personen of ondernemingen;

  • d)

    een gemeenschappelijke financiering door de betrokken Lid-Staten, personen of ondernemingen bewerkstelligen.

Artikel

7

Met eenparigheid van stemmen stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, welke het Wetenschappelijk en Technisch Comité raadpleegt, de onderzoek- en onderwijsprogramma’s van de Gemeenschap vast.

Deze programma’s worden opgesteld voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

De geldmiddelen nodig voor de uitvoering van die programma’s worden ieder jaar op de begroting voor onderzoek en investeringen van de Gemeenschap opgevoerd.

De Commissie zorgt voor de uitvoering van de programma’s en legt daaromtrent ieder jaar een verslag voor aan de Raad.

De Commissie houdt het Economisch en Sociaal Comité op de hoogte van de grote lijnen van de onderzoek- en onderwijsprogramma’s van de Gemeenschap.

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

De Commissie kan bij contract de uitvoering van bepaalde delen van het onderzoekprogramma van de Gemeenschap toevertrouwen aan Lid-Staten, personen of ondernemingen, alsmede aan derde Staten, aan internationale organisaties of aan onderdanen van derde Staten.

Artikel

11

De Commissie publiceert de in de artikelen 7, 8 en 10 bedoelde onderzoekprogramma’s, alsmede periodieke verslagen over de stand van de uitvoering daarvan.

HOOFDSTUK

II

Verspreiding van kennis

Afdeling

I

- Kennis waarover de Gemeenschap beschikt

Artikel

12

De Lid-Staten, personen en ondernemingen hebben op hun tot de Commissie gericht verzoek het recht, niet-uitsluitende licenties op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, die eigendom der Gemeenschap zijn, te verkrijgen, voor zover zij in staat zijn de desbetreffende uitvindingen daadwerkelijk te exploiteren.

De Commissie moet onder dezelfde voorwaarden sub-licenties verlenen op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, wanneer de Gemeenschap krachtens een licentie-overeenkomst daartoe de bevoegdheid heeft.

Op voorwaarden, welke in onderlinge overeenstemming met de gegadigden worden vastgesteld, verleent de Commissie die licenties of sub-licenties en deelt zij alle voor de exploitatie daarvan noodzakelijke kennis mede. Die voorwaarden hebben met name betrekking op een passende vergoeding en eventueel op de bevoegdheid, toe te kennen aan de gegadigde, om aan derden sublicenties te verlenen evenals op de verplichting de medegedeelde kennis als fabrieksgeheim te behandelen.

Bij gebreke van overeenstemming over de vaststelling van de in de derde alinea bedoelde voorwaarden, kunnen de gegadigden zich wenden tot het Hof van Justitie, ten einde passende voorwaarden te doen vaststellen.

Artikel

13

De Commissie moet aan de Lid-Staten, personen en ondernemingen mededeling doen van door de Gemeenschap verkregen kennis, welke niet onder de bepalingen van artikel 12 valt, onverschillig of deze voortvloeit uit de uitvoering van haar onderzoekprogramma dan wel aan haar is medegedeeld met de bevoegdheid er vrijelijk over te beschikken.

De Commissie kan echter aan mededeling van deze kennis de voorwaarden verbinden, dat zij als vertrouwelijk moet worden beschouwd en niet aan derden mag worden doorgegeven.

De Commissie kan kennis welke zij heeft verkregen onder beperkende voorwaarden ten aanzien van het gebruik en de verspreiding daarvan - zoals de zogenaamde geclassificeerde kennis - slechts mededelen indien zij de naleving van die voorwaarden waarborgt.

Afdeling

II

- Andere kennis

a)

Verspreiding langs minnelijke weg

Artikel

14

De Commissie beijvert zich langs minnelijke weg mededeling te verkrijgen of te doen verkrijgen van kennis, die van nut is voor het bereiken der doelstellingen van de Gemeenschap, en verlening van tot exploitatie strekkende licenties op octrooien, voorlopig bescherminggevende rechten, gebruiksmodellen of octrooi-aanvragen, die deze kennis tot onderwerp hebben.

Artikel

15

De Commissie stelt een procedure vast, volgens welke de Lid-Staten, personen en ondernemingen, door haar bemiddeling, de voorlopige of uiteindelijke resultaten van hun onderzoekingen kunnen uitwisselen, voor zover het niet betreft resultaten door de Gemeenschap verkregen krachtens door de Commissie verstrekte opdrachten tot onderzoek.

Deze procedure moet de vertrouwelijke aard van de uitwisseling waarborgen. De medegedeelde resultaten kunnen echter door de Commissie worden doorgegeven aan het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie voor documentatiedoeleinden, zonder dat dit doorgeven een gebruiksrecht tot gevolg heeft, waartoe hij, die de mededeling deed, geen toestemming heeft gegeven.

b)

Ambtshalve mededeling aan de Commissie

Artikel

16

c)

Licentieverlening bij wege van arbitrage of ambtshalve

Artikel

17

Artikel

18

Voor de in deze afdeling gestelde doeleinden wordt een Arbitrage-Commissie ingesteld, waarvan de leden worden benoemd en waarvan het reglement wordt vastgesteld door de Raad, op voorstel van het Hof van Justitie.

Binnen een maand na de kennisgeving staat tegen de beslissingen van de Arbitrage-Commissie voor partijen beroep met schorsende werking open bij het Hof van Justitie. Het onderzoek van het Hof van Justitie kan slechts betrekking hebben op de formele regelmatigheid van de beslissing en op de door de Arbitrage-Commissie aan de bepalingen van dit Verdrag gegeven uitlegging.

De eindbeslissingen van de Arbitrage-Commissie hebben voor de betrokken partijen kracht van gewijsde. Zij zijn uitvoerbaar onder de in artikel 164 gestelde voorwaarden.

Artikel

19

Wanneer, bij gebreke van een minnelijke schikking, de Commissie in een geval als bedoeld in artikel 17 verlening van licenties wenst te verkrijgen, geeft zij daarvan bericht aan de houder van het octrooi, het voorlopig bescherminggevende recht, het gebruiksmodel of de octrooi-aanvrage onder gelijktijdige vermelding van de gegadigde en de omvang van de licentie.

Artikel

20

De houder kan binnen een maand na ontvangst van het in artikel 19 genoemde bericht, aan de Commissie en in voorkomende gevallen aan de gegadigde derde, voorstellen een compromis te sluiten met het doel, zich tot de Arbitrage-Commissie te wenden.

Indien de Commissie of de gegadigde derde weigert een compromis te sluiten, kan de Commissie de Lid-Staat of zijn bevoegde instanties niet verzoeken de licentie te verlenen of te doen verlenen.

Indien de Arbitrage-Commissie, waaraan het geschil krachtens het compromis is voorgelegd, erkent dat het verzoek van de Commissie in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 17, doet zij een met redenen omklede uitspraak, die verlening van de licentie aan de gegadigde medebrengt en waarbij de voorwaarden en vergoeding voor deze licentie worden vastgesteld, voor zover partijen daaromtrent niet tot overeenstemming zijn gekomen.

Artikel

21

Wanneer de houder niet voorstelt het geschil aan de Arbitrage-Commissie voor te leggen, kan de Commissie de betrokken Lid-Staat of zijn bevoegde instanties verzoeken de licentie te verlenen of te doen verlenen.

Indien de Lid-Staat of zijn bevoegde instanties, de houder gehoord, van mening zijn dat niet is voldaan aan de in artikel 17 gestelde voorwaarden, geeft de Lid-Staat aan de Commissie kennis van zijn weigering de licentie te verlenen of te doen verlenen.

Indien hij weigert de licentie te verlenen of te doen verlenen of binnen vier maanden na het verzoek geen toelichting verstrekt ten aanzien van het verlenen van de licentie, kan de Commissie zich binnen twee maanden tot het Hof van Justitie wenden.

De houder moet worden gehoord in het geding voor het Hof van Justitie.

Indien het arrest van het Hof van Justitie vaststelt, dat aan de in artikel 17 gestelde voorwaarden is voldaan, zijn de betrokken Lid-Staat of zijn bevoegde instanties gehouden de nodige maatregelen te nemen om dit arrest ten uitvoer te leggen.

Artikel

22

Artikel

23

De beslissingen van de Arbitrage-Commissie of van de bevoegde nationale instanties kunnen, wat de licentievoorwaarden betreft, na één jaar worden herzien, voor zover nieuwe feiten dit rechtvaardigen.

De herziening dient te geschieden door de instantie waarvan de beslissing uitgaat.

Afdeling

III

- Bepalingen betreffende de geheimhouding

Artikel

24

De kennis, welke de Gemeenschap dank zij de uitvoering van haar onderzoekprogramma heeft verkregen en waarvan de openbaarmaking de defensiebelangen van een of meer Lid-Staten zou kunnen schaden, wordt onderworpen aan een stelsel van geheimhouding volgens de volgende bepalingen:

  • 1.

    Een beveiligingsverordening, die wordt aangenomen door de Raad op voorstel van de Commissie, stelt, met inachtneming van de bepalingen van dit artikel, de verschillende toepasselijke stelsels van geheimhouding en de voor elk daarvan te nemen beveiligingsmaatregelen vast.

  • 2.

    De Commissie moet de kennis, waarvan de openbaarmaking naar haar oordeel de defensiebelangen van een of meer Lid-Staten zou kunnen schaden, voorlopig onderwerpen aan het daarvoor in de beveiligingsverordening voorgeschreven stelsel van geheimhouding.

    Zij deelt deze kennis onmiddellijk mede aan de Lid-Staten, die verplicht zijn voorlopig de geheimhouding daarvan te waarborgen onder dezelfde voorwaarden.

    Binnen drie maanden doen de Lid-Staten aan de Commissie weten of zij het voorlopig toegepaste stelsel wensen te handhaven, het door een ander stelsel wensen te vervangen of de geheimhouding wensen op te heffen.

    Na het verstrijken van deze termijn wordt het strengste van de aldus gevraagde stelsels toegepast. De Commissie geeft hiervan kennis aan de Lid-Staten.

    Op verzoek van de Commissie of van een Lid-Staat kan de Raad met eenparigheid van stemmen te allen tijde een ander stelsel toepassen of de geheimhouding opheffen. De Raad wint het advies van de Commissie in alvorens zich uit te spreken over het verzoek van een Lid-Staat.

  • 3.

    De bepalingen van de artikelen 12 en 13 zijn niet van toepassing op de kennis die aan een stelsel van geheimhouding is onderworpen.

    Echter, onder voorbehoud dat de toepasselijke beveiligingsmaatregelen in acht genomen worden,

    • a)

      kan de in de artikelen 12 en 13 bedoelde kennis door de Commissie worden medegedeeld:

      • i)

        aan een Gemeenschappelijke Onderneming,

      • ii)

        aan een persoon of een andere dan een Gemeenschappelijke Onderneming door bemiddeling van de Lid-Staat op welks grondgebied zij werkzaam zijn;

    • b)

      kan de in artikel 13 bedoelde kennis door een Lid-Staat worden medegedeeld aan een persoon of aan een andere dan een Gemeenschappelijke Onderneming, die werkzaam is op het grondgebied van die Staat, onder voorbehoud dat van deze mededeling aan de Commissie kennis wordt gegeven;

    • c)

      heeft elke Lid-Staat bovendien het recht, van de Commissie de verlening van een licentie overeenkomstig artikel 12 te eisen, voor zijn eigen behoeften of voor die van een persoon of onderneming, welke werkzaam zijn op het grondgebied van deze Staat.

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

De vergoeding van de schade welke de aanvrager heeft geleden uit hoofde van de geheimverklaring om defensieredenen, is onderworpen aan de bepalingen van de nationale wetten der Lid-Staten en komt ten laste van de Staat die de geheimverklaring gevraagd heeft, of die hetzij de verzwaring of de verlenging van de geheimhouding, hetzij het verbod van indiening van aanvragen buiten de Gemeenschap uitgelokt heeft.

Wanneer meer Staten hetzij de verzwaring of de verlenging van de geheimhouding, hetzij het verbod tot indiening van aanvragen buiten de Gemeenschap hebben uitgelokt, zijn zij voor de uit hun verzoek voortvloeiende schade hoofdelijk aansprakelijk.

De Gemeenschap kan uit hoofde van dit artikel geen aanspraak maken op enige vergoeding.

Afdeling

IV

- Bijzondere bepalingen

Artikel

28

Indien nog niet gepubliceerde aanvragen om octrooi of gebruiksmodel, of octrooien of gebruiksmodellen welke geheim gehouden worden om defensieredenen ten gevolge van een mededeling aan de Commissie onrechtmatig worden toegepast of ter kennis van een niet bevoegde derde komen, is de Gemeenschap gehouden de door de betrokkene geleden schade te vergoeden.

Onverminderd haar eigen rechten tegen de veroorzaker van de schade, treedt de Gemeenschap in de rechten op verhaal van belanghebbenden tegenover derden, voor zover zij de schade heeft vergoed. Het recht van de Gemeenschap om, overeenkomstig de van kracht zijnde algemene bepalingen, op te treden tegen de veroorzaker, blijft onverlet.

Artikel

29

Elk akkoord of contract, dat uitwisseling van wetenschappelijke of industriële kennis op het gebied van de kernenergie ten doel heeft tussen een Lid-Staat, een persoon of een onderneming enerzijds en een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat anderzijds, waarvoor van één van beide zijden de ondertekening door een Staat, handelende in de uitoefening van zijn soevereiniteit, vereist is, moet door de Commissie worden gesloten.

De Commissie kan echter een Lid-Staat, een persoon of een onderneming machtigen, onder door haar passend geachte voorwaarden, dergelijke akkoorden te sluiten onder voorbehoud, dat de bepalingen van de artikelen 103 en 104 worden toegepast.

HOOFDSTUK

III

Bescherming van de gezondheid

Artikel

30

Voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren worden binnen de Gemeenschap basisnormen vastgesteld.

Onder basisnormen wordt verstaan:

  • a)

    de met voldoende veiligheid maximaal toelaatbare doses,

  • b)

    de maximaal toelaatbare bestraling en besmetting,

  • c)

    de grondbeginselen van het medisch toezicht op de werknemers.

Artikel

31

De basisnormen worden voorbereid door de Commissie, na advies van een groep personen, aangewezen door het Wetenschappelijk en Technisch Comité uit wetenschappelijke deskundigen van de Lid-Staten, met name uit de deskundigen op het gebied van de volksgezondheid. De Commissie vraagt over de aldus voorbereide basisnormen het advies van het Economisch en Sociaal Comité.

Na raadpleging van het Europees Parlement stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de basisnormen vast op voorstel van de Commissie, die hem de adviezen doorgeeft welke zij bij de Comités heeft ingewonnen.

Artikel

32

Op verzoek van de Commissie of van een Lid-Staat kunnen de basisnormen worden herzien of aangevuld volgens de in artikel 31 bepaalde procedure.

De Commissie moet ieder door een Lid-Staat ingediend verzoek in behandeling nemen.

Artikel

33

Elke Lid-Staat vaardigt passende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen uit om de vastgestelde basisnormen te doen naleven en neemt de nodige maatregelen met betrekking tot het onderwijs, de opvoeding en de beroepsopleiding.

De Commissie doet alle aanbevelingen om de te dien aanzien in de Lid-Staten toepasselijke bepalingen met elkander in overeenstemming te brengen.

Hiertoe moeten de Lid-Staten deze bepalingen, zoals zij van toepassing zijn bij de inwerkingtreding van dit Verdrag, alsmede de latere ontwerp-bepalingen van gelijke aard aan de Commissie mededelen.

De eventuele aanbevelingen van de Commissie, die betrekking hebben op de ontwerp-bepalingen, moeten worden gedaan binnen drie maanden na de mededeling van deze ontwerpen.

Artikel

34

Elke Lid-Staat op wiens grondgebied bijzonder gevaarlijke proefnemingen moeten plaatsvinden, is verplicht aanvullende maatregelen te treffen voor de bescherming van de gezondheid, omtrent welke hij vooraf het advies van de Commissie inwint.

De instemming van de Commissie is noodzakelijk, indien de gevolgen van deze proefnemingen zich kunnen doen gevoelen op het grondgebied van de andere Lid-Staten.

Artikel

35

Elke Lid-Staat richt de nodige installaties op, om een voortdurende controle uit te oefenen op de radioactiviteit van de lucht, het water en de bodem, evenals om controle uit te oefenen op de inachtneming van de basisnormen.

De Commissie heeft toegang tot deze controle-installaties; zij kan de werking en de doeltreffendheid van deze installaties nagaan.

Artikel

36

De inlichtingen betreffende de in artikel 35 bedoelde controle worden door de bevoegde autoriteiten regelmatig aan de Commissie medegedeeld, ten einde deze op de hoogte te houden van de mate van radioactiviteit, die van invloed kan zijn op de bevolking.

Artikel

37

Iedere Lid-Staat is gehouden, aan de Commissie de algemene gegevens te verstrekken van elk plan voor de lozing van radioactieve afvalstoffen, in welke vorm ook, om vast te kunnen stellen of de uitvoering van dat plan een radioactieve besmetting van het water, de bodem of het luchtruim van een andere Lid-Staat tengevolge zou kunnen hebben.

De Commissie brengt, na raadpleging van de in artikel 31 bedoelde groep van deskundigen, binnen zes maanden haar advies uit.

Artikel

38

De Commissie richt tot de Lid-Staten alle aanbevelingen over de mate van radioactiviteit van de lucht, het water en de bodem.

In spoedeisende gevallen stelt de Commissie een richtlijn vast, waarbij zij de betrokken Lid-Staat gelast, binnen een door haar gestelde termijn alle nodige maatregelen te treffen, om een overschrijding van de basisnormen te voorkomen en de naleving van de voorschriften te verzekeren.

Indien die Staat binnen de gestelde termijn de richtlijn van de Commissie niet volgt, kan deze of elke betrokken Lid-Staat, in afwijking van de artikelen 141 en 192, de zaak onmiddellijk bij het Hof van Justitie aanhangig maken.

Artikel

39

In het kader van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie richt de Commissie, zodra dit Centrum is gesticht, een afdeling op voor documentatie en studie van vraagstukken betreffende de bescherming van de volksgezondheid.

Deze afdeling heeft in het bijzonder de opdracht de in de artikelen 33, 36 en 37 bedoelde gegevens en inlichtingen te verzamelen en de Commissie bij de uitvoering van de haar in dit hoofdstuk opgedragen taak bij te staan.

HOOFDSTUK

IV

Investeringen

Artikel

40

Ten einde het initiatief van personen en ondernemingen aan te wakkeren en een gecoördineerde ontwikkeling van hun investeringen op het gebied van de kernenergie te vergemakkelijken, publiceert de Commissie op gezette tijden programma’s van indicatieve aard, die met name betrekking hebben op doeleinden van de produktie van kernenergie en op de voor hun verwezenlijking nodige investeringen van welke aard ook.

Alvorens deze programma’s te publiceren, wint de Commissie het advies in van het Economisch en Sociaal Comité.

Artikel

41

De personen en ondernemingen, die behoren tot de takken van industrie genoemd in bijlage II van dit Verdrag, zijn gehouden aan de Commissie mededeling te doen van de investeringsprojecten voor nieuwe installaties alsmede voor vervanging of verbouwing, welke naar aard en omvang beantwoorden aan de criteria door de Raad op voorstel van de Commissie vastgesteld.

De lijst der bovenbedoelde takken van industrie kan door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen worden gewijzigd op voorstel van de Commissie, die vooraf het advies van het Economisch en Sociaal Comité inwint.

Artikel

42

Van de in artikel 41 bedoelde projecten moet mededeling worden gedaan aan de Commissie en, ter informatie, aan de betrokken Lid-Staat en wel uiterlijk drie maanden vóór het afsluiten van de eerste contracten met de leveranciers of drie maanden vóór de aanvang der werkzaamheden, indien deze met eigen middelen van de onderneming moeten worden verricht.

De Raad kan op voorstel van de Commissie deze termijn wijzigen.

Artikel

43

De Commissie bespreekt met de personen of ondernemingen alle aspecten van de investeringsprojecten, welke in verband staan met de doelstellingen van dit Verdrag.

De Commissie deelt haar standpunt mede aan de betrokken Lid-Staat.

Artikel

44

De Commissie kan, met goedvinden van de betrokken Lid-Staten, personen en ondernemingen, de investeringsprojecten, die haar zijn medegedeeld, bekendmaken.

HOOFDSTUK

V

Gemeenschappelijke Ondernemingen

Artikel

45

Ondernemingen welke van fundamenteel belang zijn voor de ontwikkeling van de industrie op het gebied van de kernenergie binnen de Gemeenschap, kunnen worden opgericht als Gemeenschappelijke Ondernemingen in de zin van dit Verdrag, overeenkomstig de bepalingen van de hiernavolgende artikelen.

Artikel

46

Artikel

47

Wanneer de Commissie zich tot de Raad heeft gewend, kan deze haar verzoeken om de nadere inlichtingen en het aanvullend onderzoek, die hij noodzakelijk acht.

Indien de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de mening uitspreekt dat een door de Commissie met een ongunstig advies doorgegeven project toch moet worden uitgevoerd, is de Commissie gehouden de voorstellen en het uitvoerig rapport, bedoeld in artikel 46, aan de Raad voor te leggen.

Bij gunstig advies van.de Commissie of in het in de voorgaande alinea bedoelde geval, beslist de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen over ieder voorstel van de Commissie.

De Raad beslist echter met eenparigheid van stemmen over:

  • a)

    de deelneming van de Gemeenschap aan de financiering van de Gemeenschappelijke Onderneming,

  • b)

    de deelneming van een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat aan de financiering of aan het beheer van de Gemeenschappelijke Onderneming.

Artikel

48

De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie alle of een gedeelte van de in bijlage III van dit Verdrag genoemde gunsten van toepassing verklaren op iedere Gemeenschappelijke Onderneming; de Lid -Staten zijn, ieder wat hem betreft, gehouden de toepassing daarvan te verzekeren.

De Raad kan op dezelfde wijze de voorwaarden vaststellen, waaraan de toekenning van deze gunsten wordt verbonden.

Artikel

49

De oprichting van een Gemeenschappelijke Onderneming geschiedt ingevolge beschikking van de Raad.

Iedere Gemeenschappelijke Onderneming bezit rechtspersoonlijkheid.

In elke Lid-Staat heeft de Gemeenschappelijke Onderneming de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de onderscheidene nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen en vervreemden en in rechte optreden.

Voor zover in dit Verdrag of in haar statuten niet anders is bepaald, valt elke Gemeenschappelijke Onderneming onder de voorschriften, welke van toepassing zijn op handels- en industriële ondernemingen; de statuten kunnen subsidiair verwijzen naar de nationale wetgevingen der Lid-Staten.

Onder voorbehoud van de krachtens dit Verdrag aan het Hof van Justitie verleende bevoegdheden worden de geschillen, waarbij de Gemeenschappelijke Ondernemingen betrokken zijn, door de bevoegde nationale rechterlijke instanties beslecht.

Artikel

50

De statuten van de Gemeenschappelijke Ondernemingen worden in voorkomende gevallen gewijzigd overeenkomstig de bijzondere bepalingen, welke daarin voor dat doel zijn opgenomen.

Deze wijzigingen kunnen echter eerst van kracht worden, nadat zij op voorstel van de Commissie door de Raad, die beslist overeenkomstig de bepalingen van artikel 47, zijn goedgekeurd.

Artikel

51

De Commissie zorgt voor de uitvoering van alle beschikkingen van de Raad betreffende de oprichting van Gemeenschappelijke Ondernemingen, totdat de organen belast met de werking van deze Ondernemingen tot stand zijn gebracht.

HOOFDSTUK

VI

Voorziening

Artikel

52

Afdeling

I

- Het Agentschap

Artikel

53

Het Agentschap staat onder toezicht van de Commissie; deze geeft richtlijnen aan het Agentschap, heeft het recht van veto over zijn beslissingen en benoemt zijn directeur-generaal, alsmede zijn adjunct-directeur-generaal.

Iedere stilzwijgende of uitdrukkelijke handeling door het Agentschap verricht in de uitoefening van zijn optierecht of van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten, kan door belanghebbenden aan de Commissie worden voorgelegd; de Commissie neemt binnen een maand een beschikking.

Artikel

54

Het Agentschap bezit rechtspersoonlijkheid en financiële zelfstandigheid.

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie de statuten van het Agentschap vast.

De statuten kunnen op dezelfde wijze worden herzien.

De statuten bepalen het kapitaal van het Agentschap en de wijze waarop het ingebracht wordt. Het grootste deel van het kapitaal moet in ieder geval aan de Gemeenschap en de Lid-Staten toebehoren. De verdeling van het kapitaal wordt in onderlinge overeenstemming door de Lid-Staten vastgesteld.

De statuten regelen de wijze waarop het commerciële beheer van het Agentschap wordt gevoerd. Zij kunnen ter bestrijding van de bedrijfskosten van het Agentschap in een heffing van de transacties voorzien.

Artikel

55

De Lid-Staten moeten aan het Agentschap alle inlichtingen verstrekken of doen verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn optierecht en zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten.

Artikel

56

De Lid-Staten waarborgen de vrije uitoefening van de functies van het Agentschap op hun grondgebied.

Zij kunnen een orgaan of organen oprichten, die bevoegd zijn, om de producenten en de gebruikers in de niet-Europese gebieden, welke onder hun rechtsmacht vallen, te vertegenwoordigen in de betrekkingen met het Agentschap.

Afdeling

II

Ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen herkomstig uit de Gemeenschap

Artikel

57

Artikel

58

Wanneer een producent verscheidene bewerkingen verricht vanaf de ertswinning tot en met de produktie van metaal, is hij slechts gehouden het produkt aan het Agentschap aan te bieden in het produktiestadium dat hij zelf kiest.

Hetzelfde geldt voor verschillende ondernemingen, waartussen bindingen bestaan, welke tijdig aan de Commissie zijn medegedeeld en met deze besproken zijn volgens de in de artikelen 43 en 44 bepaalde procedure.

Artikel

59

Wanneer het Agentschap zijn optierecht niet uitoefent ten aanzien van de gehele produktie of een gedeelte daarvan:

  • a)

    kan de producent hetzij met eigen middelen, hetzij door middel van contracten voor loonveredeling, de ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen verwerken, onder voorbehoud dat hij het Agentschap het produkt van deze verwerking aanbiedt,

  • b)

    wordt de producent bij beschikking van de Commissie toestemming verleend om de beschikbare produktie buiten de Gemeenschap te verkopen onder voorbehoud dat geen gunstiger voorwaarden worden bedongen dan bij het eerder gedane aanbod aan het Agentschap. De uitvoer van bijzondere splijtstoffen kan echter slechts door het Agentschap geschieden overeenkomstig de bepalingen van artikel 62.

De Commissie mag haar toestemming niet verlenen, indien de ontvangers van deze leveranties niet alle waarborgen bieden dat de algemene belangen van de Gemeenschap zullen worden geëerbiedigd of indien de bepalingen en voorwaarden van deze contracten in strijd zijn met de doelstellingen van dit Verdrag.

Artikel

60

De eventuele gebruikers delen aan het Agentschap op gezette tijden hun behoeften aan materialen mede, onder opgave van de hoeveelheden, de natuurkundige en scheikundige aard, de plaatsen van herkomst, het gebruik, de leveringstermijnen en de prijzen, welke de bepalingen en voorwaarden zouden uitmaken van een leveringscontract, waarvan zij de afsluiting wensen.

Eveneens delen de producenten aan het Agentschap de aanbiedingen mede, welke zij kunnen doen, met alle specificaties die nodig zijn om hun produktieprogramma’s te kunnen opstellen en met name de duur der contracten. Deze duur mag, zonder toestemming van de Commissie, niet langer zijn dan tien jaar.

Het Agentschap brengt alle eventuele gebruikers op de hoogte van de aanbiedingen en van de omvang der ontvangen aanvragen en nodigt hen uit binnen een bepaalde termijn hun bestellingen in te dienen.

Wanneer het Agentschap al deze bestellingen ontvangen heeft, deelt het mede, onder welke voorwaarden het aan deze kan voldoen.

Indien het Agentschap niet in staat is aan alle ontvangen bestellingen volledig te voldoen, verdeelt het de leveringen naar evenredigheid van de bij elk der aanbiedingen passende bestellingen, behoudens de bepalingen van de artikelen 68 en 69.

Een reglement van het Agentschap, dat de goedkeuring van de Commissie behoeft, bepaalt de wijze waarop vraag en aanbod tegen elkaar worden afgewogen.

Artikel

61

Het Agentschap is verplicht aan alle bestellingen te voldoen, tenzij juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten.

Het Agentschap kan, met inachtneming van de voorschriften van artikel 52, bij het sluiten van een contract de gebruikers verzoeken een passend voorschot te storten, hetzij als waarborg, hetzij ter verlichting van de eigen verplichtingen op lange termijn die het Agentschap voor het voldoen aan deze bestelling ten opzichte van de producenten op zich heeft genomen.

Artikel

62

Artikel

63

De ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, voortgebracht door de Gemeenschappelijke Ondernemingen, worden aan de gebruikers toegewezen volgens de regels, vastgesteld in de statuten of overeenkomsten welke voor deze Ondernemingen gelden.

Afdeling

III

Ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen niet uit de Gemeenschap herkomstig

Artikel

64

Het Agentschap heeft, eventueel optredend in het kader van de tussen de Gemeenschap en een derde Staat of een internationale organisatie gesloten akkoorden, het uitsluitend recht, behoudens de in dit Verdrag bepaalde uitzonderingen, akkoorden of overeenkomsten te sluiten, welke leveringen van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig van buiten de Gemeenschap, als hoofddoel hebben.

Artikel

65

Artikel 60 is van toepassing op de aanvragen van de gebruikers en op de contracten tussen de gebruikers en het Agentschap, betreffende de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig van buiten de Gemeenschap.

Het Agentschap kan echter bepalen, welke de geografische oorsprong van de te leveren goederen zal zijn, voor zover het daardoor aan de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als die welke in de bestelling zijn neergelegd.

Artikel

66

Indien de Commissie op verzoek van de betrokken gebruikers vaststelt, dat het Agentschap niet in staat is binnen een redelijke termijn het bestelde materiaal geheel of gedeeltelijk te leveren, of dit slechts kan doen tegen onredelijke prijzen, hebben de gebruikers het recht rechtstreeks contracten te sluiten voor leveringen van buiten de Gemeenschap, voor zover deze contracten wezenlijk beantwoorden aan de in hun bestelling tot uiting gebrachte behoeften.

Dit recht wordt verleend voor de duur van één jaar, welke kan worden verlengd ingeval de toestand die de verlening heeft gerechtvaardigd, blijft voortduren.

De gebruikers die van het in dit artikel bedoelde recht gebruik maken, zijn gehouden de voorgenomen rechtstreekse contracten aan de Commissie mede te delen. Deze kan zich binnen een maand tegen het afsluiten daarvan verzetten, indien zij in strijd zijn met de doelstellingen van dit Verdrag.

Afdeling

IV

- Prijzen

Artikel

67

Behoudens de in dit Verdrag bepaalde uitzonderingen, komen de prijzen tot stand door afweging tegen elkaar van vraag en aanbod, volgens de bepalingen van artikel 60; hierop mogen de Lid-Staten geen inbreuk maken door middel van hun nationale regelingen.

Artikel

68

Prijsmanipulaties die ten doel hebben, in strijd met het beginsel van gelijke toegang dat uit dit hoofdstuk voortvloeit, aan bepaalde verbruikers een bevoorrechte positie te verschaffen, zijn verboden.

Indien het Agentschap dergelijke manipulaties vaststelt, meldt het deze aan de Commissie.

Indien de Commissie de vaststelling gegrond acht, kan zij voor de betwiste aanbiedingen de prijzen wederom op een peil brengen, dat met het beginsel van gelijke toegang strookt.

Artikel

69

De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie prijzen vaststellen.

Wanneer het Agentschap met toepassing van artikel 60 de voorwaarden vaststelt, waaronder aan de bestellingen kan worden voldaan, kan het aan de gebruikers, die een bestelling hebben gedaan, een prijsverevening voorstellen.

Afdeling

V

- Bepalingen betreffende het voorzieningsbeleid

Artikel

70

De Commissie kan, binnen de in de begroting van de Gemeenschap bepaalde grenzen en onder door haar vast te stellen voorwaarden, financieel bijdragen tot de opsporing van delfstoffen op het grondgebied van de Lid-Staten.

De Commissie kan aan de Lid-Staten aanbevelingen doen met het oog op de ontwikkeling van de opsporing van delfstoffen en van de mijnbouw.

De Lid-Staten zijn gehouden jaarlijks aan de Commissie een rapport toe te zenden over de ontwikkeling van de opsporing en winning van delfstoffen, over de vermoedelijke reserves en over de op hun grondgebied verrichte of voorgenomen investeringen in de mijnbouw. Deze rapporten worden aan de Raad voorgelegd met het advies van de Commissie, met name betreffende het gevolg, dat de Lid-Staten hebben gegeven aan de krachtens de voorgaande alinea gedane aanbevelingen.

Indien de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op verzoek van de Commissie vaststelt, dat ondanks op lange termijn economisch verantwoord schijnende delvingsmogelijkheden, de opsporingsmaatregelen en de toeneming van de mijnontginning aanmerkelijk onvoldoende blijven, wordt de betrokken Lid-Staat, zolang hij geen verbetering in deze toestand brengt, geacht af te zien van het recht van gelijke toegang tot de andere hulpbronnen binnen de Gemeenschap zowel voor hemzelf als voor zijn onderdanen.

Artikel

71

De Commissie doet aan de Lid-Staten alle dienstige aanbevelingen over de belasting- of mijnbouwregelingen.

Artikel

72

Het Agentschap kan uit de binnen en buiten de Gemeenschap beschikbare hoeveelheden de nodige handelsvoorraden aanleggen om de voorziening of de lopende leveringen van de Gemeenschap te vergemakkelijken.

De Commissie kan eventueel tot het aanleggen van veiligheidsvoorraden besluiten. De wijze van financiering van deze voorraden wordt op voorstel van de Commissie door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen goedgekeurd.

Afdeling

VI

- Bijzondere bepalingen

Artikel

73

Indien een akkoord of overeenkomst tussen een Lid-Staat, een persoon of een onderneming enerzijds, en een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat anderzijds, tevens levering inhoudt van produkten, welke onder de bevoegdheid van het Agentschap vallen is wat de levering van deze produkten betreft, voorafgaande instemming van de Commissie nodig voor het sluiten of het verlengen van dat akkoord of die overeenkomst.

Artikel

74

De Commissie kan de overdracht, de invoer- of de uitvoer van kleine hoeveelheden ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, zoals die gewoonlijk worden gebruikt voor het onderzoek, vrijstellen van de toepassing der bepalingen van dit hoofdstuk.

Van iedere overdracht, invoer of uitvoer, welke geschiedt krachtens deze bepaling, moet aan het Agentschap kennis worden gegeven.

Artikel

75

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de verbintenissen tot het behandelen, bewerken of verwerken van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen

  • a)

    aangegaan tussen verschillende personen of ondernemingen, indien de behandelde, bewerkte of verwerkte materialen moeten terugkeren naar de oorspronkelijke persoon of onderneming,

  • b)

    aangegaan tussen een persoon of onderneming en een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, indien de materialen worden behandeld, bewerkt of verwerkt buiten de Gemeenschap en terugkeren naar de oorspronkelijke persoon of onderneming,

  • c)

    aangegaan tussen een persoon of onderneming en een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, wanneer de materialen worden behandeld, bewerkt of verwerkt binnen de Gemeenschap en terugkeren, hetzij naar de oorspronkelijke organisatie of onderdaan, hetzij naar een andere door deze organisatie of onderdaan aangewezen geadresseerde eveneens buiten de Gemeenschap.

De betrokken personen of ondernemingen moeten echter aan het Agentschap kennis geven van het bestaan van dergelijke verbintenissen en, zodra de contracten zijn ondertekend, van de hoeveelheden materiaal welke daarmede gemoeid zijn. De Commissie kan zich verzetten tegen de onder b) vermelde verbintenissen, indien zij meent dat de bewerking of verwerking niet doeltreffend, veilig en zonder verlies aan materialen ten nadele van de Gemeenschap kan geschieden.

De materialen, waarvoor deze verbintenissen zijn aangegaan, worden op het grondgebied van de Lid-Staten aan de in hoofdstuk VII bepaalde controlemaatregelen onderworpen. De bepalingen van hoofdstuk VIII zijn echter niet van toepassing op de bijzondere splijtstoffen waarvoor de onder c) bedoelde verbintenissen zijn aangegaan.

Artikel

76

De bepalingen van dit hoofdstuk kunnen, met name ingeval door onvoorziene omstandigheden een toestand van algemene schaarste zou ontstaan, door de Raad met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement; het initiatief daartoe kan van een Lid-Staat of van de Commissie uitgaan. De Commissie is gehouden ieder verzoek van een Lid-Staat in behandeling te nemen.

Na verloop van zeven jaar na 1 januari 1958 kan de Raad deze bepalingen in hun geheel bevestigen. Bij gebreke van bevestiging worden nieuwe bepalingen met betrekking tot het onderwerp van dit hoofdstuk vastgesteld overeenkomstig de procedure, omschreven in de voorgaande alinea.

HOOFDSTUK

VII

Veiligheidscontrole

Artikel

77

Overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk moet de Commissie zich ervan vergewissen of op het grondgebied van de Lid-Staten

  • a)

    de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen niet voor andere doeleinden worden aangewend dan waarvoor de gebruikers verklaard hebben ze te bestemmen,

  • b)

    de bepalingen met betrekking tot de voorziening en elke bijzondere verbintenis betreffende controle, die de Gemeenschap heeft aangegaan in een akkoord met een derde Staat of een internationale organisatie, worden nageleefd.

Artikel

78

Ieder die een installatie voor de produktie, de afscheiding of enige aanwending van grondstoffen of bijzondere splijtstoffen of voor de behandeling van bestraalde splijtstoffen opricht of in gebruik heeft, is gehouden aan de Commissie de fundamentele technische kenmerken van die installatie mede te delen, voor zover de kennis daarvan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 77 omschreven doelstellingen.

De Commissie moet de werkwijzen voor de regeneratie der bestraalde stoffen goedkeuren, voor zover dit noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 77 omschreven doelstellingen.

Artikel

79

De Commissie verlangt het bijhouden en overleggen van werkstaten, om de rekening en verantwoording der gebruikte of geproduceerde ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen mogelijk te maken. Hetzelfde geldt voor de vervoerde grondstoffen en bijzondere splijtstoffen.

Degenen die aan de controle onderworpen zijn, geven aan de autoriteiten van de betrokken Lid-Staat kennis van de mededelingen welke zij, krachtens artikel 78 en de eerste alinea van dit artikel, aan de Commissie doen toekomen.

De aard en de strekking van de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde verplichtingen worden omschreven in een door de Commissie op te maken en door de Raad goed te keuren verordening.

Artikel

80

De Commissie kan verlangen, dat elk overschot aan bijzondere splijtstoffen, die als bijprodukt teruggewonnen of verkregen zijn en niet daadwerkelijk gebruikt worden of voor het doel gereed zijn, bij het Agentschap worden opgeslagen dan wel in andere bewaarplaatsen, die door de Commissie worden of kunnen worden gecontroleerd.

De bijzondere splijtstoffen, die aldus zijn opgeslagen, moeten op verzoek van belanghebbenden onverwijld aan deze worden teruggegeven.

Artikel

81

De Commissie kan inspecteurs zenden naar het grondgebied van de Lid-Staten. De Commissie raadpleegt iedere betrokken Lid-Staat, voordat zij de eerste opdracht aan een inspecteur verleent op het grondgebied van die Staat; deze raadpleging geldt voor alle latere opdrachten aan die inspecteur.

De inspecteurs hebben, op vertoon van een document waaruit hun hoedanigheid blijkt, te allen tijde toegang tot alle plaatsen, alle gegevens en alle personen, die zich uit hoofde van hun beroep bezighouden met krachtens dit hoofdstuk aan controle onderworpen materialen, uitrustingen of installaties, voor zover dit noodzakelijk is om de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen te controleren en er zich van te vergewissen, of de bepalingen van artikel 77 worden nageleefd. Indien de betrokken Staat zulks verzoekt, worden de door de Commissie aangewezen inspecteurs vergezeld van vertegenwoordigers van de autoriteiten van deze Staat, op voorwaarde dat de inspecteurs daardoor niet worden opgehouden of op andere wijze in de uitoefening van hun functie worden gehinderd.

Bij verzet tegen de uitoefening van controle dient de Commissie aan de president van het Hof van Justitie een bevelschrift te vragen, ten einde met dwangmiddelen de uitvoering van de controle te verzekeren. De president van het Hof van Justitie beslist hierover binnen drie dagen.

Indien uitstel gevaar oplevert, kan de Commissie zelf een schriftelijk controlebevel afgeven in de vorm van een beschikking. Dit bevel moet onverwijld ter goedkeuring achteraf aan de president van het Hof van Justitie worden voorgelegd.

Na afgifte van het bevelschrift of van de beschikking dragen de instanties van de betrokken Staat er zorg voor dat de inspecteurs toegang krijgen tot de in het bevelschrift of de beschikking bepaalde plaatsen.

Artikel

82

De inspecteurs worden door de Commissie in dienst genomen.

Zij zijn verplicht zich de in artikel 79 bedoelde rekening en verantwoording te doen voorleggen en deze na te zien. Zij brengen aan de Commissie van elke schending verslag uit.

De Commissie kan een richtlijn vaststellen waarbij zij de betrokken Lid-Staat gelast, binnen een door haar te stellen termijn alle maatregelen te nemen, die noodzakelijk zijn om een einde te maken aan de vastgestelde schending; zij stelt de Raad daarvan op de hoogte.

Indien de Lid-Staat zich binnen de gestelde termijn niet aan deze richtlijn van de Commissie onderwerpt, kan de Commissie of elke betrokken Lid-Staat, in afwijking van de artikelen 141 en 142, de zaak onmiddellijk aanhangig maken bij het Hof van Justitie.

Artikel

83

Artikel

84

Bij de uitoefening van de controle wordt niet gediscrimineerd op grond van de bestemming welke is gegeven aan de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen.

Het gebied waarover de controle zich uitstrekt, en de wijze waarop deze wordt uitgeoefend, alsmede de bevoegdheden van de controle-organen, zijn beperkt tot de verwezenlijking van de in dit hoofdstuk omschreven doelstellingen.

De controle mag zich niet uitstrekken tot materialen bestemd voor defensiedoeleinden, welke voor die doeleinden in bijzondere bewerking zijn of welke na die bewerking, krachtens een operatieplan, in een militaire inrichting worden geplaatst of opgeslagen.

Artikel

85

Indien nieuwe omstandigheden zulks noodzakelijk zouden maken, kan de in dit hoofdstuk bepaalde wijze van uitoefening van de controle door de Raad met eenparigheid van stemmen worden aangepast op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement; het initiatief daartoe kan van een Lid-Staat of van de Commissie uitgaan. De Commissie is gehouden elk verzoek van een Lid-Staat in behandeling te nemen.

HOOFDSTUK

VIII

Regeling van het eigendomsrecht

Artikel

86

De bijzondere splijtstoffen zijn eigendom van de Gemeenschap.

Het eigendomsrecht van de Gemeenschap strekt zich uit tot alle bijzondere splijtstoffen die zijn voortgebracht of ingevoerd door een Lid-Staat, een persoon of een onderneming, en die onderworpen zijn aan de veiligheidscontrole bepaald in hoofdstuk VII.

Artikel

87

De Lid-Staten, personen of ondernemingen hebben op de op regelmatige wijze in hun bezit gekomen bijzondere splijtstoffen het meest uitgebreide recht tot gebruik en verbruik, onder voorbehoud van de verplichtingen welke voor hen voortvloeien uit de bepalingen van dit Verdrag, met name wat de veiligheidscontrole, het aan het Agentschap toegekende optierecht en de gezondheidsbescherming betreft.

Artikel

88

Het Agentschap houdt namens de Gemeenschap een bijzondere administratie bij, genaamd „Financiële administratie van de bijzondere splijtstoffen”.

Artikel

89

Artikel

90

Indien nieuwe omstandigheden zulks noodzakelijk zouden maken, kunnen de bepalingen van dit hoofdstuk betreffende het eigendomsrecht van de Gemeenschap door de Raad met eenparigheid van stemmen worden aangepast op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement; het initiatief daartoe kan van een Lid-Staat of van de Commissie uitgaan. De Commissie is gehouden elk verzoek van een Lid-Staat in behandeling te nemen.

Artikel

91

Het eigendomsrecht, dat van toepassing is op alle voorwerpen, materialen en goederen die krachtens dit hoofdstuk niet in eigendom toebehoren aan de Gemeenschap, wordt geregeld door de wetgeving van elke Lid-Staat.

HOOFDSTUK

IX

De gemeenschappelijke markt op het gebied van de kernenergie

Artikel

92

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de goederen en produkten, die voorkomen op de lijsten die als bijlage IV aan dit Verdrag zijn gehecht.

Deze lijsten kunnen op initiatief van de Commissie of van een Lid-Staat door de Raad op voorstel van de Commissie worden gewijzigd.

Artikel

93

De lidstaten verbieden onderling alle douanerechten op de in- en uitvoer, of heffingen van gelijke werking en elke kwantitatieve beperking van de in- en uitvoer:

  • a)

    voor de op de lijsten A1 en A2 voorkomende produkten,

  • b)

    voor de op lijst B voorkomende produkten, voor zover hiervoor een gemeenschappelijk douanetarief geldt en deze produkten worden begeleid door een door de Commissie afgegeven certificaat, waaruit blijkt dat zij bestemd zijn voor doeleinden op het gebied van de kernenergie.

De niet-Europese grondgebieden, welke vallen onder de rechtsmacht van een Lid-Staat, kunnen echter in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking met een uitsluitend fiscaal karakter blijven heffen. De hoogte en de wijze van heffing dezer rechten en heffingen mogen geen discriminatie teweegbrengen tussen deze Staat en de overige Lid-Staten.

Artikel

94

Vervallen

Artikel

95

Vervallen

Artikel

96

De Lid-Staten schaffen elke op de nationaliteit gegronde beperking van de toegang tot gekwalificeerde arbeid op het gebied van de kernenergie af ten aanzien van hen die de nationaliteit van een van de Lid-Staten bezitten, behoudens de beperkingen welke voortvloeien uit de fundamentele eisen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.

Na raadpleging van het Europees Parlement kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie, die vooraf het advies van het Economisch en Sociaal Comité inwint, de richtlijnen betreffende de wijze van toepassing van dit artikel vaststellen.

Artikel

97

Geen enkele op de nationaliteit gegronde beperking kan worden aangevoerd tegen natuurlijke personen of rechtspersonen, naar publiek- of privaatrecht, die onder de rechtsmacht van een Lid-Staat vallen, wanneer zij aan de bouw van installaties van wetenschappelijke of industriële aard op het gebied van de kernenergie binnen de Gemeenschap wensen deel te nemen.

Artikel

98

De Lid-Staten nemen alle nodige maatregelen om het afsluiten van verzekeringscontracten ter dekking van de atoomrisico’s te vergemakkelijken.

De Raad stelt, na raadpleging van het Europees Parlement, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, die vooraf het advies van het Economisch en Sociaal Comité inwint, de richtlijnen vast betreffende de wijze van toepassing van dit artikel.

Artikel

99

De Commissie kan ter vergemakkelijking van het kapitaalverkeer, bestemd voor de financiering van de takken van industrie, vermeld in de lijst die als bijlage II aan dit Verdrag is gehecht, alle nodige aanbevelingen doen.

Artikel

100

Vervallen

HOOFDSTUK

X

Betrekkingen met derden

Artikel

101

Binnen de grenzen van haar bevoegdheid kan de Gemeenschap verplichtingen aangaan door het sluiten van akkoorden of overeenkomsten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat.

Met het oog op deze akkoorden of overeenkomsten worden door de Commissie onderhandelingen gevoerd volgens richtlijnen van de Raad; zij worden gesloten door de Commissie met goedkeuring van de Raad, welke daartoe met een gekwalificeerde meerderheid besluit.

Het onderhandelen over en het sluiten van akkoorden of overeenkomsten welke zonder tussenkomst van de Raad en binnen de grenzen van de betreffende begroting kunnen worden uitgevoerd, geschiedt evenwel door de Commissie, die verplicht is de Raad daarvan op de hoogte te houden.

Artikel

102

De akkoorden of overeenkomsten gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, waarbij behalve de Gemeenschap een of meer Lid-Staten partij zijn, kunnen eerst in werking treden, nadat alle betrokken Lid-Staten aan de Commissie hebben medegedeeld, dat deze akkoorden of overeenkomsten volgens de bepalingen van hun onderscheidene nationale wetgevingen van toepassing zijn geworden.

Artikel

103

De Lid-Staten zijn gehouden aan de Commissie mededeling te doen van hun ontwerp-akkoorden of ontwerp-overeenkomsten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, voor zover deze akkoorden of overeenkomsten verband houden met de werkingssfeer van dit Verdrag.

Wanneer een ontwerp-akkoord of ontwerp-overeenkomst bepalingen bevat welke een beletsel vormen voor de toepassing van dit Verdrag, richt de Commissie haar opmerkingen tot de betrokken Staat binnen een termijn van een maand na de ontvangst van de mededeling welke haar is gedaan.

Deze Staat kan het ontworpen akkoord of de ontworpen overeenkomst niet sluiten dan na de bezwaren van de Commissie te hebben opgeheven of zich te hebben geschikt naar de uitspraak die het Hof van Justitie op zijn verzoek onverwijld heeft gedaan ten aanzien van de verenigbaarheid der ontworpen clausules met de bepalingen van dit Verdrag. Het verzoek kan bij het Hof van Justitie worden ingediend op ieder tijdstip nadat de Staat de opmerkingen van de Commissie heeft ontvangen.

Artikel

104

Geen persoon of onderneming die na 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, na de datum van hun toetreding, akkoorden of overeenkomsten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat sluit of verlengt, kan zich op deze akkoorden of overeenkomsten beroepen ten einde zich te onttrekken aan de hun door dit Verdrag opgelegde verplichtingen.

Iedere Lid-Staat neemt alle maatregelen welke hij noodzakelijk oordeelt om aan de Commissie, op haar verzoek, mededeling te doen van alle inlichtingen betreffende de akkoorden of overeenkomsten die na de in de voorgaande alinea bedoelde data en binnen de werkingssfeer van dit Verdrag door enige persoon of onderneming zijn gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat. De Commissie kan deze mededeling uitsluitend verlangen om na te gaan of deze akkoorden of overeenkomsten geen clausules bevatten welke een beletsel vormen voor de toepassing van dit Verdrag.

Op verzoek van de Commissie spreekt het Hof van Justitie zich uit over de verenigbaarheid van deze akkoorden of overeenkomsten met de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel

105

De bepalingen van dit Verdrag kunnen niet worden ingeroepen tegen de uitvoering van akkoorden of overeenkomsten die een Lid-Staat, een persoon of een onderneming vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding, van dit Verdrag heeft gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, indien van deze akkoorden of overeenkomsten uiterlijk dertig dagen na de genoemde data aan de Commissie mededeling is gedaan.

Nochtans kunnen akkoorden of overeenkomsten die een persoon of een onderneming tussen 25 maart 1957 en 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, tussen de ondertekening van de Toetredingsakte en de datum van hun toetreding, heeft gesloten met een derde Staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde Staat, niet worden ingeroepen tegen dit Verdrag, indien naar het oordeel van het Hof van Justitie, dat op verzoek van de Commissie uitspraak doet, de bedoeling zich aan de bepalingen van dit Verdrag te onttrekken voor een van beide partijen een der doorslaggevende beweegredenen tot het aangaan van het akkoord of de overeenkomst is geweest.

Artikel

106

De Lid-Staten die vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding, met derde Staten akkoorden hebben gesloten betreffende de samenwerking op het gebied van de kernenergie, zijn gehouden tezamen met de Commissie de noodzakelijke onderhandelingen te voeren met deze derde Staten, ten einde de rechten en verplichtingen welke uit deze akkoorden voortvloeien, voor zover zulks mogelijk is te doen overnemen door de Gemeenschap.

Ieder nieuw akkoord dat uit deze onderhandelingen voortvloeit behoeft de toestemming van de Lid-Staat of Lid-Staten welke de bovenbedoelde akkoorden hebben ondertekend, alsook de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

DERDE

TITEL

BEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN

HOOFDSTUK

I

De instellingen van de Gemeenschap

Afdeling

I

- De Vergadering

Artikel

107

De Vergadering, bestaande uit vertegenwoordigers van de volkeren van de Staten die in de Gemeenschap zijn verenigd, oefent de haar door dit Verdrag verleende bevoegdheden om te beraadslagen en te besluiten, alsmede om toezicht uit te oefenen, uit.

Het aantal leden van het Europees Parlement bedraagt niet meer dan zevenhonderdtweeëndertig.

Artikel

107 A

Het Europees Parlement kan met meerderheid van stemmen van zijn leden de Commissie verzoeken passende voorstellen in te dienen inzake aangelegenheden die naar het oordeel van het Parlement communautaire besluiten voor de tenuitvoerlegging van dit Verdrag vergen.

Artikel

107 B

In het kader van de vervulling van zijn taken kan het Europees Parlement, op verzoek van een vierde van zijn leden, een tijdelijke enquêtecommissie instellen om, onverminderd de bij dit Verdrag aan andere Instellingen of organen verleende bevoegdheden, vermeende inbreuken op het Gemeenschapsrecht of gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht te onderzoeken, behalve wanneer de vermeende feiten het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaken en zolang deze procedure nog niet is voltooid.

De tijdelijke enquêtecommissie houdt op te bestaan zodra zij haar verslag heeft ingediend.

De nadere bepalingen betreffende de uitoefening van het enquêterecht worden in onderlinge overeenstemming vastgesteld door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.

Artikel

107 C

Iedere burger van de Unie, alsmede iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een Lid-Staat heeft het recht om individueel of te zamen met andere burgers of personen een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten betreffende een onderwerp dat tot de werkterreinen van de Gemeenschap behoort en dat hem of haar rechtstreeks aangaat.

Artikel

107 D

Artikel

108

Artikel

109

De Vergadering houdt jaarlijks een zitting. Zij komt van rechtswege de tweede dinsdag van maart bijeen.

De Vergadering kan in buitengewone zitting bijeenkomen op verzoek van de meerderheid harer leden, van de Raad of van de Commissie.

Artikel

110

De Vergadering kiest uit haar midden haar voorzitter en haar bureau.

De leden van de Commissie kunnen alle vergaderingen bijwonen en worden op hun verzoek in naam van de Commissie gehoord.

De Commissie antwoordt mondeling of schriftelijk op de haar door de Vergadering of door de leden daarvan gestelde vragen.

De Raad wordt door de Vergadering gehoord volgens de bepalingen, welke hij in zijn reglement van orde vaststelt.

Artikel

111

Voor zover in dit Verdrag niet anders is bepaald, besluit de Vergadering met volstrekte meerderheid der uitgebrachte stemmen.

Het reglement van orde bepaalt het quorum.

Artikel

112

De Vergadering stelt haar reglement van orde vast bij meerderheid van stemmen van haar leden.

De handelingen van de Vergadering worden overeenkomstig de bepalingen van dat reglement bekendgemaakt.

Artikel

113

De Vergadering beraadslaagt in openbare zitting over het algemene jaarverslag, dat haar door de Commissie wordt voorgelegd.

Artikel

114

Wanneer aan de Vergadering een motie van afkeuring betreffende het beleid van de Commissie wordt voorgelegd, kan de Vergadering zich over deze motie niet eerder uitspreken dan ten minste drie dagen nadat de motie is ingediend en slechts bij openbare stemming.

Indien de motie van afkeuring is aangenomen met een meerderheid van twee derden der uitgebrachte stemmen en tevens bij meerderheid van de leden der Vergadering, moeten de leden van de Commissie gezamenlijk aftreden. Zij blijven de lopende zaken behartigen tot in hun vervanging is voorzien overeenkomstig artikel 127. In dat geval verstrijkt de ambtsperiode van de te hunner vervanging benoemde leden van de Commissie op de datum waarop de ambtstermijn van de gezamenlijk tot aftreden gedwongen leden zou zijn verstreken.

Afdeling

II

- De Raad

Artikel

115

De Raad oefent zijn beslissingsbevoegdheid en zijn overige bevoegdheden uit overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag.

Hij neemt alle maatregelen die tot zijn bevoegdheid behoren ten einde het optreden van de Lid-Staten en van de Gemeenschap te coördineren.

Artikel

116

De Raad bestaat uit een vertegenwoordiger van elke Lid-Staat op ministerieel niveau die gemachtigd is om de Regering van de Lid-Staat die hij vertegenwoordigt, te binden.

Het voorzitterschap wordt in de Raad door elke Lid-Staat bij toerbeurt uitgeoefend voor de tijd van zes maanden, in de volgorde die door de Raad met eenparigheid van stemmen wordt vastgesteld.

Artikel

117

De Raad wordt door zijn Voorzitter, op diens initiatief, op initiatief van één van zijn leden of van de Commissie, in vergadering bijeengeroepen.

Artikel

118

Artikel

119

Wanneer op grond van dit Verdrag een besluit van de Raad wordt genomen op voorstel van de Commissie, kan de Raad slechts met eenparigheid van stemmen een besluit nemen dat van dit voorstel afwijkt.

Zolang de Raad geen besluit heeft genomen, kan de Commissie haar oorspronkelijk voorstel wijzigen, met name ingeval de Vergadering omtrent dit voorstel is geraadpleegd.

Artikel

120

Ieder lid van de Raad kan slechts door één ander lid worden gemachtigd om namens hem te stemmen.

Artikel

121

Artikel

122

De Raad kan de Commissie verzoeken, alle studies die hij wenselijk acht ter verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen te verrichten en hem alle ter zake dienende voorstellen te doen.

Artikel

123

De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de wedden, vergoedingen en pensioenen vast van de voorzitter en de leden van de Commissie, van de president, de rechters en de griffier van, alsmede van de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie. De Raad stelt, met dezelfde meerderheid, eveneens alle vergoedingen vast welke als beloning kunnen gelden.

Afdeling

III

- De Commissie

Artikel

124

Ten einde de ontwikkeling van de kernenergie binnen de Gemeenschap te verzekeren

  • -

    ziet de Commissie toe op de toepassing zowel van de bepalingen van dit Verdrag als van de bepalingen welke de instellingen krachtens dit Verdrag vaststellen,

  • -

    doet de Commissie aanbevelingen of brengt zij adviezen uit op de in dit Verdrag omschreven gebieden, indien het Verdrag dit uitdrukkelijk voorschrijft of indien zij het noodzakelijk acht,

  • -

    heeft de Commissie een eigen beslissingsbevoegdheid en werkt zij mede aan de totstandkoming van de handelingen van de Raad en van de Vergadering overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag,

  • -

    oefent de Commissie de bevoegdheden uit welke de Raad haar verleent ter uitvoering van de regels die hij stelt.

Artikel

125

Jaarlijks, ten minste een maand vóór de opening van de zitting van het Europees Parlement, publiceert de Commissie een algemeen verslag over de werkzaamheden van de Gemeenschap.

Artikel

126

Artikel

127

Artikel

128

Behalve door regelmatige vervanging of door overlijden eindigt de ambtsvervulling van een lid van de Commissie door vrijwillig ontslag of ontslag ambtshalve.

In geval van ontslag of overlijden wordt het lid voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen door een nieuw lid dat door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen wordt benoemd. De Raad kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat er geen reden voor vervanging is.

In geval van vrijwillig ontslag, ontslag ambtshalve of overlijden wordt de voorzitter voor de verdere duur van zijn ambtstermijn vervangen. De procedure van artikel 127, lid 2, is van toepassing voor de vervanging van de voorzitter.

Behoudens in geval van ontslag ambtshalve overeenkomstig artikel 129, blijven de leden van de Commissie in functie totdat in hun vervanging is voorzien of totdat de Raad overeenkomstig de tweede alinea van dit artikel besluit dat er geen reden voor vervanging is.

Artikel

129

Op verzoek van de Raad of van de Commissie kan elk lid van de Commissie dat niet meer aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt voldoet of op ernstige wijze is tekortgeschoten, door het Hof van Justitie van zijn ambt ontheven worden verklaard.

Artikel

130

Artikel

131

De Raad en de Commissie raadplegen elkaar en bepalen in onderlinge overeenstemming de wijze waarop zij samenwerken.

De Commissie stelt haar reglement van orde vast ten einde te verzekeren dat zij en haar diensten overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag werkzaam zijn. Zij zorgt voor de bekendmaking van dat reglement.

Artikel

132

De besluiten van de Commissie worden genomen bij meerderheid van stemmen van het in artikel 126 bepaalde aantal leden.

De Commissie kan slechts geldig zitting houden, indien het in haar reglement van orde bepaalde aantal leden aanwezig is.

Artikel

133

Vervallen

Artikel

134

Artikel

135

De Commissie kan een ieder raadplegen en alle studiecomités instellen noodzakelijk voor de vervulling van haar taak.

Afdeling

IV

- Het Hof van Justitie

Artikel

136

Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg verzekeren, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van dit Verdrag.

Bovendien kunnen, op de wijze die in artikel 140 B is bepaald, aan het Gerecht van eerste aanleg rechterlijke kamers worden toegevoegd om op sommige specifieke gebieden rechterlijke bevoegdheden uit te oefenen waarin dit Verdrag voorziet.

Artikel

137

Het Hof van Justitie bestaat uit een rechter per lidstaat.

Het Hof van Justitie houdt zitting in kamers of als grote kamer, overeenkomstig de regels die daartoe in het statuut van het Hof van Justitie zijn vastgesteld.

Wanneer het statuut daarin voorziet, kan het Hof van Justitie ook in voltallige zitting bijeenkomen.

Artikel

138

Het Hof van Justitie wordt bijgestaan door acht advocaten-generaal. Indien het Hof van Justitie zulks verzoekt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen het aantal advocaten-generaal verhogen.

De advocaat-generaal heeft tot taak, in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie vereist is.

Artikel

139

De rechters en de advocaten-generaal van het Hof van Justitie, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheiden landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar benoemd.

Om de drie jaar vindt, op de wijze die in het statuut van het Hof van Justitie is bepaald, een gedeeltelijke vervanging van de rechters en de advocaten-generaal plaats.

De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van het Hof van Justitie. Hij is herkiesbaar.

De aftredende rechters en advocaten-generaal zijn herbenoembaar.

Het Hof van Justitie benoemt zijn griffier en bepaalt diens positie.

Het Hof van Justitie stelt zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement behoeft de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

Artikel

140

Het Gerecht van eerste aanleg telt ten minste één rechter per lidstaat. Het aantal rechters wordt vastgesteld bij het statuut van het Hof van Justitie. In het statuut kan worden bepaald dat het Gerecht wordt bijgestaan door advocaten-generaal.

De leden van het Gerecht van eerste aanleg worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn hoge rechterlijke ambten te bekleden. Zij worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor zes jaar benoemd. Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging plaats. De aftredende leden zijn herbenoembaar.

De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de president van het Gerecht van eerste aanleg. Hij is herkiesbaar.

Het Gerecht van eerste aanleg benoemt zijn griffier en bepaalt diens positie.

Het Gerecht van eerste aanleg stelt in overeenstemming met het Hof van Justitie zijn reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement behoeft de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

Tenzij in het statuut van het Hof van Justitie anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit Verdrag betreffende het Hof van Justitie op het Gerecht van eerste aanleg van toepassing.

Artikel

140 A

Artikel

140 B

De Raad kan, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Hof van Justitie, dan wel op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie, met eenparigheid van stemmen rechterlijke kamers instellen die in eerste aanleg kennis nemen van bepaalde categorieën van beroepen in specifieke aangelegenheden.

In het besluit tot instelling van een rechterlijke kamer worden de regels voor de samenstelling van die kamer vastgesteld en wordt de reikwijdte van de haar verleende bevoegdheden bepaald.

Tegen de beslissingen van de rechterlijke kamers kan bij het Gerecht van eerste aanleg een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld of, wanneer het besluit tot instelling van de kamer daarin voorziet, een beroep dat ook op feitelijke vragen betrekking heeft.

De leden van de rechterlijke kamers worden gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en bekwaam zijn rechterlijke ambten te bekleden. Zij worden door de Raad met eenparigheid van stemmen benoemd.

De rechterlijke kamers stellen in overeenstemming met het Hof van Justitie hun reglement voor de procesvoering vast. Dit reglement behoeft de goedkeuring van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit.

Tenzij in het besluit tot instelling van een rechterlijke kamer anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit Verdrag betreffende het Hof van Justitie en de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie op de rechterlijke kamers van toepassing.

Artikel

141

Indien de Commissie van oordeel is dat een Lid-Staat een van de krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit, na deze Staat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken.

Indien de betrokken Staat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie.

Artikel

142

Ieder van de Lid-Staten kan zich wenden tot het Hof van Justitie, indien hij van mening is dat een andere Lid-Staat een van de krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Voordat een Lid-Staat tegen een andere Lid-Staat een klacht indient op grond van een beweerde schending van de verplichtingen welke krachtens dit Verdrag op deze laatste rusten, moet hij deze klacht aan de Commissie voorleggen.

De Commissie brengt een met redenen omkleed advies uit nadat aan de betrokken Staten de gelegenheid is gegeven om over en weer schriftelijk en mondeling opmerkingen te maken.

Indien de Commissie binnen drie maanden na indiening van de klacht geen advies heeft uitgebracht, kan desniettemin de klacht bij het Hof van Justitie worden ingediend.

Artikel

143

Artikel

144

Het Hof van Justitie oefent volledige rechtsmacht uit ten aanzien van

  • a)

    het beroep, ingesteld op grond van artikel 12, om passende voorwaarden te doen vaststellen voor de verlening van licenties en sub-licenties door de Commissie;

  • b)

    het beroep, ingesteld door personen of ondernemingen tegen de sancties die hun zijn opgelegd door de Commissie op grond van artikel 83.

Artikel

145

Indien de Commissie meent dat een persoon of een onderneming zich schuldig heeft gemaakt aan een schending van dit Verdrag op welke schending de bepalingen van artikel 83 niet van toepassing zijn, verzoekt zij de Lid-Staat waaronder die persoon of die onderneming ressorteert, ter zake van deze schending maatregelen te nemen op grond van zijn nationale wetgeving.

Indien de betrokken Staat op dit verzoek, binnen de door de Commissie gestelde termijn, geen maatregelen neemt, kan de Commissie zich tot het Hof van Justitie wenden ten einde de aan de betrokken persoon of onderneming verweten schending te doen vaststellen.

Artikel

146

Het Hof van Justitie gaat de wettigheid na van de handelingen van de Raad en van de Commissie, voor zover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben.

Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen inzake elk door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van dit Verdrag of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.

Het Hof van Justitie is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door de Rekenkamer ingesteld beroep dat op de vrijwaring van haar prerogatieven is gericht.

Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder dezelfde voorwaarden beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.

Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling heeft kennis heeft gekregen.

Artikel

147

Indien het beroep gegrond is, wordt de betwiste handeling door het Hof van Justitie nietig verklaard.

Wat echter de verordeningen betreft, wijst het Hof van Justitie, zo het dit nodig oordeelt, die gevolgen van de vernietigde verordening aan, welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd.

Artikel

148

Ingeval de Raad of de Commissie, in strijd met dit Verdrag, nalaat een besluit te nemen, kunnen de Lid-Staten en de overige instellingen van de Gemeenschap zich wenden tot het Hof van Justitie om deze schending te doen vaststellen.

Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de betrokken instelling vooraf tot handelen is uitgenodigd. Indien deze instelling na twee maanden, te rekenen van de uitnodiging, haar standpunt nog niet heeft bepaald, kan het beroep worden ingesteld binnen een nieuwe termijn van twee maanden.

Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de voorgaande alinea's vastgestelde voorwaarden bij het Hof van Justitie zijn bezwaren indienen tegen het feit dat een der instellingen van de Gemeenschap heeft nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies.

Artikel

149

De instelling welke de vernietigde handeling heeft verricht of wier nalatigheid strijdig met dit Verdrag is verklaard, is gehouden de maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie.

Deze verplichting geldt onverminderd die, welke kan voortvloeien uit de toepassing van de tweede alinea van artikel 188.

Artikel

150

Het Hof van Justitie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen

  • a)

    over de uitlegging van dit Verdrag,

  • b)

    over de geldigheid en de uitlegging van de door de instellingen van de Gemeenschap verrichte handelingen,

  • c)

    over de uitlegging van de statuten van bij besluit van de Raad ingestelde organen voor zover in die statuten niet anders is bepaald.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof van Justitie te wenden.

Artikel

151

Het Hof van Justitie is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van de in de tweede alinea van artikel 188 bedoelde schade.

Artikel

152

Het Hof van Justitie is bevoegd, uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut of voortvloeiende uit de regeling welke voor hen toepasselijk is.

Artikel

153

Het Hof van Justitie is bevoegd, uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Gemeenschap gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst.

Artikel

154

Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen Lid-Staten dat met de materie van dit Verdrag verband houdt, indien dit geschil hem krachtens een compromis wordt voorgelegd.

Artikel

155

Behoudens de bevoegdheid die bij dit Verdrag aan het Hof van Justitie wordt verleend, zijn de geschillen waarin de Gemeenschap partij is, niet uit dien hoofde onttrokken aan de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

Artikel

156

Iedere partij kan, ook al is de in de vijfde alinea van artikel 146 bedoelde termijn verstreken, naar aanleiding van een geschil waarbij een verordening van de Raad of van de Commissie in het geding is, de in de tweede alinea van artikel 146 bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie de niet-toepasselijkheid van deze verordening in te roepen.

Artikel

157

Voor zover in dit Verdrag niet anders wordt bepaald, heeft een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep geen schorsende werking. Het Hof van Justitie kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten.

Artikel

158

Het Hof van Justitie kan in zaken welke bij dit college aanhangig zijn gemaakt, de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.

Artikel

159

De arresten van het Hof van Justitie zijn uitvoerbaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 164.

Artikel

160

Het statuut van het Hof van Justitie wordt vastgesteld bij een afzonderlijk protocol.

De Raad kan, op verzoek van het Hof van Justitie en na raadpleging van het Europees Parlement en de Commissie, dan wel op verzoek van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement en het Hof van Justitie, de bepalingen van het statuut, met uitzondering van titel I, met eenparigheid van stemmen wijzigen.

Afdeling

V

DE REKENKAMER

Artikel

160 A

De Rekenkamer verricht de controle van de rekeningen.

Artikel

160 B

Artikel

160 C

HOOFDSTUK

II

Bepalingen welke verscheidene instellingen gemeen hebben

Artikel

161

Voor de vervulling van hun taak stellen de Raad en de Commissie verordeningen en richtlijnen vast, geven beschikkingen en brengen aanbevelingen of adviezen uit, onder de in dit Verdrag vervatte voorwaarden.

Een verordening heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke Lid-Staat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.

Een beschikking is verbindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht.

Aanbevelingen en adviezen zijn niet verbindend.

Artikel

162

De verordeningen, richtlijnen en beschikkingen van de Raad en van de Commissie worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen of adviezen welke krachtens dit Verdrag moeten worden gevraagd.

Artikel

163

De verordeningen worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij treden in werking op de in de verordeningen bepaalde datum of, bij gebreke daarvan, op de twintigste dag volgende op die van hun bekendmaking.

Van de richtlijnen en de beschikkingen wordt kennis gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht; zij worden door deze kennisgeving van kracht.

Artikel

164

De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de bepalingen van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de Staat op wiens grondgebied zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de titel, aangebracht door de nationale autoriteit die door de regering van elke Lid-Staat daartoe wordt aangewezen. Van die aanwijzing geeft zij kennis aan de Commissie, het Hof van Justitie en de Arbitrage-Commissie ingesteld krachtens artikel 18.

Nadat de bedoelde formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze de tenuitvoerlegging volgens de nationale wetgeving voortzetten door zich rechtstreeks te wenden tot de bevoegde instantie.

De tenuitvoerlegging kan niet worden geschorst dan krachtens een beschikking van het Hof van Justitie. Evenwel behoort het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.

HOOFDSTUK

III

Het Economisch en Sociaal Comité

Artikel

165

Er wordt een Economisch en Sociaal Comité met een adviestaak ingesteld.

Het Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende economische en sociale geledingen van de georganiseerde civiele samenleving, met name van producenten, landbouwers, vervoerders, werknemers, handelaren en ambachtslieden, vrije beroepen, consumenten en het algemeen belang.

Artikel

166

Het aantal leden van het Economisch en Sociaal Comité bedraagt niet meer dan driehonderdvijftig.

Het aantal leden van het Comité is als volgt vastgesteld:

België

12

Tsjechië

12

Denemarken

9

Duitsland

24

Estland

7

Griekenland

12

Spanje

21

Frankrijk

24

Ierland

9

Italië

24

Cyprus

6

Letland

7

Litouwen

9

Luxemburg

6

Hongarije

12

Malta

5

Nederland

12

Oostenrijk

12

Polen

21

Portugal

12

Slovenië

7

Slowakije

9

Finland

9

Zweden

12

Verenigd Koninkrijk

24

De leden van het Comité mogen niet gebonden zijn door enig imperatief mandaat. Zij oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap.

De Raad stelt met gekwalificeerde stemmen de vergoedingen van de leden van het Comité vast.

Artikel

167

Artikel

168

Het Comité kiest, voor een periode van twee jaar, uit zijn midden zijn voorzitter en zijn bureau.

Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Het Comité wordt door zijn voorzitter bijeengeroepen op verzoek van de Raad of van de Commissie. Het kan eveneens op eigen initiatief bijeenkomen.

Artikel

169

Het Comité kan in gespecialiseerde afdelingen worden ingedeeld.

De gespecialiseerde afdelingen verrichten hun werkzaamheden binnen het raam van de algemene bevoegdheden van het Comité. De gespecialiseerde afdelingen kunnen niet buiten het Comité om worden geraadpleegd.

Binnen het Comité kunnen voorts sub-comités worden ingesteld om over bepaalde onderwerpen of op bepaalde gebieden ontwerpadviezen op te stellen, welke ter bespreking aan het Comité moeten worden voorgelegd.

Het reglement van orde stelt de wijze van samenstelling en de bevoegdheden van de gespecialiseerde afdelingen en van de sub-comités vast.

Artikel

170

Het Comité moet door de Raad of door de Commissie worden geraadpleegd in de gevallen voorzien in dit Verdrag. Het kan door deze Instellingen worden geraadpleegd in alle gevallen waarin zij het wenselijk oordelen. Het Comité kan, in de gevallen waarin het dit wenselijk acht, het initiatief nemen om advies uit te brengen.

Indien de Raad of de Commissie zulks noodzakelijk achten, stellen zij aan het Comité een termijn voor het uitbrengen van advies; deze termijn mag niet korter zijn dan een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende mededeling aan de voorzitter wordt gericht. Na afloop van de gestelde termijn kan worden gehandeld zonder het advies af te wachten.

Het advies van het Comité en het advies van de gespecialiseerde afdeling, alsmede een verslag van de besprekingen, worden aan de Raad en aan de Commissie gezonden.

Het Economisch en Sociaal Comité kan door het Europees Parlement worden geraadpleegd.

VIERDE

TITEL

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel

171

Artikel

172

Artikel

173

De begroting wordt, onverminderd andere ontvangsten, volledig uit eigen middelen gefinancierd.

De Raad stelt met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de bepalingen inzake het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschap vast, waarvan hij de aanneming door de Lid-Staten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen aanbeveelt.

Artikel

173 A

Ten einde de begrotingsdiscipline te verzekeren, doet de Commissie geen voorstellen voor communautaire handelingen, brengt zij geen wijzigingen in haar voorstellen aan en neemt zij geen uitvoeringsmaatregelen aan die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de begroting, zonder de verzekering te geven dat die voorstellen of maatregelen gefinancierd kunnen worden binnen de grenzen van de eigen middelen van de Gemeenschap die voortvloeien uit de door de Raad krachtens artikel 173 vastgestelde bepalingen.

Artikel

174

Artikel

175

De uitgaven opgevoerd op de huishoudelijke begroting worden toegestaan voor de duur van een begrotingsjaar, voor zover niet anders wordt bepaald in het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement.

Onder de voorwaarden die worden vastgesteld met toepassing van artikel 183, kunnen de kredieten welke aan het einde van het begrotingsjaar ongebruikt zijn gebleven, worden overgedragen uitsluitend naar het eerstvolgende begrotingsjaar, voor zover deze kredieten niet betrekking hebben op personeelsuitgaven.

De kredieten ter dekking van de huishoudelijke uitgaven worden ingedeeld in hoofdstukken, waarin de uitgaven worden gegroepeerd naar hun aard en bestemming en voor zover nodig onderverdeeld overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement.

De uitgaven van de Vergadering, van de Raad, van de Commissie en van het Hof van Justitie worden als afzonderlijke afdelingen in de begroting opgenomen, onverminderd een speciale regeling voor bepaalde gemeenschappelijke uitgaven.

Artikel

176

Artikel

177

Artikel

177 bis

In afwijking van artikel 177 gelden de volgende bepalingen ten aanzien van de begrotingen voor de begrotingsjaren voorafgaande aan het begrotingsjaar 1975:

  • 1.

    Het begrotingsjaar begint op 1 januari en sluit op 31 december.

    De begroting in de zin van dit artikel omvat de huishoudelijke begroting en de begroting voor onderzoek en investeringen.

  • 2.

    Elke Instelling van de Gemeenschap maakt vóór 1 juli een raming op van haar uitgaven. De Commissie voegt die ramingen in een voorontwerp van begroting samen. Zij voegt daaraan een advies toe, dat afwijkende ramingen mag inhouden.

    Dit voorontwerp omvat een raming van de ontvangsten en een raming van de uitgaven.

  • 3.

    De Commissie legt het voorontwerp van begroting uiterlijk op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar aan de Raad voor.

    De Raad raadpleegt de Commissie en, in voorkomend geval, de andere betrokken Instellingen telkens wanneer hij van dit voorontwerp wenst af te wijken.

    De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de ontwerp-begroting op en zendt deze aan de Vergadering.

  • 4.

    De ontwerp-begroting moet uiterlijk op 5 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het betrokken begrotingsjaar, aan de Vergadering worden voorgelegd.

    De Vergadering heeft het recht aan de Raad wijzigingen in de ontwerpbegroting voor te stellen.

    Indien de Vergadering binnen een termijn van vijfenveertig dagen na voorlegging van de ontwerp-begroting haar goedkeuring heeft verleend of geen wijzigingen in het ontwerp heeft voorgesteld, wordt de begroting geacht definitief te zijn vastgesteld.

    Indien de Vergadering binnen die termijn wijzigingen heeft voorgesteld, wordt de aldus van wijzigingsvoorstellen voorziene ontwerpbegroting aan de Raad gezonden.

  • 5.

    Na over deze ontwerp-begroting te hebben beraadslaagd met de Commissie en, in voorkomend geval, met de andere betrokken Instellingen, stelt de Raad de begroting vast binnen een termijn van dertig dagen na voorlegging van het genoemde ontwerp en zulks overeenkomstig de onderstaande bepalingen.

    Indien een door de Vergadering voorgestelde wijziging niet leidt tot stijging van het totale bedrag van de uitgaven van een Instelling, met name doordat de stijging van de uitgaven die daarvan het gevolg zou zijn, uitdrukkelijk wordt gecompenseerd door een of meer voorgestelde wijzigingen die een dienovereenkomstige daling van de uitgaven behelzen, kan de Raad dit wijzigingsvoorstel met gekwalificeerde meerderheid van stemmen afwijzen. Bij gebreke van een afwijzend besluit is het wijzigingsvoorstel aanvaard.

    Indien een door de Vergadering voorgestelde wijziging leidt tot stijging van het totale bedrag van de uitgaven van een Instelling, moet de Raad besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen om dit wijzigingsvoorstel te aanvaarden.

    Indien de Raad een wijzigingsvoorstel heeft afgewezen overeenkomstig de tweede alinea of niet heeft aanvaard overeenkomstig de derde alinea, kan hij met gekwalificeerde meerderheid van stemmen ofwel het in de ontwerp-begroting voorkomende bedrag handhaven ofwel een ander bedrag vaststellen.

  • 6.

    Wanneer de in dit artikel omschreven procedure is afgesloten, constateert de Voorzitter van de Raad dat de begroting definitief is vastgesteld.

  • 7.

    Elke Instelling oefent de haar bij het onderhavige artikel toegekende bevoegdheden uit onder eerbiediging van de bepalingen van het Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, met name inzake de eigen middelen van de Gemeenschappen en het evenwicht tussen ontvangsten en uitgaven.

Artikel

178

Indien bij het begin van een begrotingsjaar de begroting nog niet is aangenomen, kunnen de uitgaven maandelijks worden verricht per hoofdstuk of per andere afdeling, overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement, zonder dat zij een twaalfde der bij de begroting van het vorige begrotingsjaar geopende kredieten mogen overschrijden en zonder dat deze maatregel tot gevolg mag hebben, dat de Commissie meer dan een twaalfde van de kredieten van de in voorbereiding zijnde ontwerpbegroting ter beschikking krijgt.

De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, onder voorbehoud dat aan de overige in de eerste alinea gestelde voorwaarden wordt voldaan, uitgaven van meer dan een twaalfde toestaan.

Indien dit besluit betrekking heeft op andere uitgaven dan die welke verplicht voortvloeien uit het Verdrag of de ter uitvoering daarvan vastgestelde besluiten, zendt de Raad het onverwijld aan de Vergadering; binnen een termijn van dertig dagen kan de Vergadering met meerderheid van de stemmen van haar leden en van drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen, een andersluidend besluit nemen voor deze uitgaven voor wat betreft het gedeelte dat het in de eerste alinea bedoelde twaalfde overschrijdt. Dit gedeelte van het besluit van de Raad wordt geschorst totdat de Vergadering heeft besloten. Indien de Vergadering binnen bovengenoemde termijn geen andersluidend besluit dan dat van de Raad heeft genomen, wordt dit besluit geacht definitief te zijn vastgesteld.

De in de tweede en derde alinea bedoelde besluiten voorzien op het igebied van de middelen in de nodige maatregelen voor de toepassing van dit artikel.

Artikel

179

De Commissie voert de begroting overeenkomstig de bepalingen van het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement uit onder haar eigen verantwoordelijkheid, binnen de grenzen der toegekende kredieten en met het beginsel van goed financieel beheer. De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de toegekende kredieten volgens het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt.

Het reglement voorziet in de wijze waarop en de mate waarin iedere Instelling haar eigen uitgaven doet.

Binnen elke begroting kan de Commissie, met inachtneming van de grenzen en de voorwaarden bepaald in het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde reglement, kredieten overschrijven hetzij van het ene hoofdstuk naar het andere, hetzij van de ene onderafdeling naar de andere.

Artikel

179 bis

De Commissie legt elk jaar aan de Raad en aan de Vergadering de rekeningen van het afgelopen begrotingsjaar voor welke betrekking hebben op de uitvoering van de begroting. Bovendien doet zij hun een financiële balans van de activa en passiva van de Gemeenschap toekomen.

Artikel

180

Vervallen

Artikel

180 bis

Vervallen

Artikel

180 ter

Artikel

181

De begrotingen en de staat, bedoeld in artikel 171, leden 1 en 2, luiden in de rekeneenheid, bepaald overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 183 vastgestelde financiële reglement.

Artikel

182

Artikel

183

Artikel

183 A

De Lid-Staten nemen ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad, dezelfde maatregelen als die welke zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.

Onverminderd andere bepalingen van dit Verdrag coördineren de Lid-Staten hun optreden om de financiële belangen van de Gemeenschap tegen fraude te beschermen. Zij stellen daartoe met de hulp van de Commissie een nauwe en geregelde samenwerking tussen hun bevoegde overheidsdiensten in.

VIJFDE

TITEL

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

184

De Gemeenschap bezit rechtspersoonlijkheid.

Artikel

185

In elk der Lid-Staten heeft de Gemeenschap de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Te dien einde wordt zij door de Commissie vertegenwoordigd.

Artikel

186

Vervallen

Artikel

187

Voor de vervulling van de haar opgedragen taken kan de Commissie, binnen de grenzen en onder de voorwaarden door de Raad overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag vastgesteld, alle gegevens verzamelen en alle noodzakelijke verificaties verrichten.

Artikel

188

De contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wordt beheerst door de wet welke op het betrokken contract van toepassing is.

Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.

De persoonlijke aansprakelijkheid der personeelsleden jegens de Gemeenschap wordt geregeld bij de bepalingen welke hun statuut of de op hen toepasselijke regeling vaststellen.

Artikel

189

De zetel van de instellingen der Gemeenschap wordt in onderlinge overeenstemming door de regeringen der Lid-Staten vastgesteld.

Artikel

190

De regeling van het taalgebruik door de instellingen der Gemeenschap wordt, onverminderd de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie, door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld.

Artikel

191

De Gemeenschap geniet, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak.

Artikel

192

De Lid-Staten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen ter uitvoering van de verplichtingen welke voortvloeien uit het Verdrag of het gevolg zijn van de handelingen der instellingen van de Gemeenschap. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak.

Zij onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen.

Artikel

193

De Lid-Staten verbinden zich, een geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag niet op andere wijze te doen beslechten dan in dit Verdrag is voorgeschreven.

Artikel

194

Artikel

195

De instellingen van de Gemeenschap alsook het Agentschap en de Gemeenschappelijke Ondernemingen moeten bij de toepassing van dit Verdrag de voorwaarden in acht nemen welke in de nationale regelingen om redenen van openbare orde of volksgezondheid gesteld zijn voor de toegang tot de ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen.

Artikel

196

Voor de toepassing van dit Verdrag en voor zover hierin niet anders is bepaald, wordt verstaan onder:

  • a)

    „persoon”; iedere natuurlijke persoon die op de grondgebieden van de Lid-Staten zijn werkzaamheden geheel of gedeeltelijk uitoefent op het door het desbetreffende hoofdstuk van het Verdrag bepaalde terrein;

  • b)

    „onderneming”: iedere onderneming of instelling welke haar werkzaamheden geheel of gedeeltelijk uitoefent onder dezelfde voorwaarden als bedoeld onder a), ongeacht haar publiek- of privaatrechtelijke positie.

Artikel

197

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

  • 1.

    „bijzondere splijtstoffen”: plutonium 239, uranium 233, uranium verrijkt in de isotopen 235 of 233; elk produkt dat een of meer der hierbovengenoemde isotopen bevat, evenals die andere splijtstoffen die door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie als zodanig worden aangewezen; de term „bijzondere splijtstoffen” is echter niet van toepassing op grondstoffen;

  • 2.

    „uranium verrijkt in de isotopen 235 of 233”: uranium dat hetzij uranium 235, hetzij uranium 233, hetzij beide isotopen bevat in een zodanige hoeveelheid dat de verhouding tussen de som van die twee isotopen en de isotoop 238 groter is dan de verhouding tussen de isotoop 235 en de isotoop 238 in natuurlijk uranium;

  • 3.

    „grondstoffen”: uranium dat het mengsel van isotopen bevat zoals dit in de natuur wordt aangetroffen, uranium waarvan het gehalte aan uranium 235 lager is dan normaal, thorium, alle hierboven vermelde materialen in de vorm van metaal, van legeringen, van chemische verbindingen of van concentraten, ieder ander materiaal dat een of meer der hierboven vermelde stoffen bevat in een gehalte dat door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie wordt vastgesteld;

  • 4.

    „ertsen”: elk erts dat een door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie vast te stellen gemiddeld gehalte aan bestanddelen bevat, die het mogelijk maken om door doelmatige scheikundige en natuurkundige behandeling grondstoffen te verkrijgen als hierboven zijn omschreven.

Artikel

198

Voor zover in het Verdrag niet anders is bepaald, zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de Europese grondgebieden van de Lid-Staten en op de niet-Europese grondgebieden welke onder hun rechtsmacht vallen.

Zij zijn eveneens van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een Lid-Staat worden behartigd.

Overeenkomstig Protocol nr. 2 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de Åland-eilanden.

In afwijking van de voorgaande alinea's:

  • a)

    is dit Verdrag niet van toepassing op de Faeröer.

  • b)

    Is dit Verdrag niet van toepassing op de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen.

  • c)

    Is dit Verdrag niet van toepassing op de landen en gebieden overzee die met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland bijzondere betrekkingen onderhouden, die niet zijn vermeld op de lijst in bijlage IV van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap.

  • d)

    Zijn de bepalingen van dit Verdrag op de Kanaaleilanden en op het eiland Man slechts van toepassing voor zover noodzakelijk ter verzekering van de toepassing van de regeling die voor deze eilanden is vastgesteld in het op 22 januari 1972 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Artikel

199

De Commissie is belast met de zorg voor alle dienstige betrekkingen met de organen van de Verenigde Naties, van hun gespecialiseerde organisaties en van de Wereldhandelsorganisatie.

Zij onderhoudt bovendien de wenselijk geachte betrekkingen met alle internationale organisaties.

Artikel

200

De Gemeenschap brengt elke dienstige samenwerking tot stand met de Raad van Europa.

Artikel

201

De Gemeenschap brengt met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling een nauwe samenwerking tot stand welke zal plaatsvinden op de wijze die in onderlinge overeenstemming wordt vastgesteld.

Artikel

202

De bepalingen van dit Verdrag vormen geen beletsel voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen België en Luxemburg alsmede tussen België, Luxemburg en Nederland, voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door toepassing van dit Verdrag.

Artikel

203

Indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt ter verwezenlijking van een der doelstellingen van de Gemeenschap zonder dat dit Verdrag in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, neemt de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, de passende maatregelen.

Artikel

204

Artikel

205

Vervallen

Artikel

206

De Gemeenschap kan met een of meer Staten of internationale organisaties akkoorden sluiten waarbij een associatie wordt ingesteld die wordt gekenmerkt door wederkerige rechten en verplichtingen, gemeenschappelijk optreden en bijzondere procedures.

Die akkoorden worden gesloten door de Raad krachtens een na raadpleging van het Europees Parlement met eenparigheid van stemmen genomen besluit.

Wanneer die akkoorden wijzigingen in dit Verdrag medebrengen, moeten deze wijzigingen vooraf worden aangenomen volgens de procedure van artikel N van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Artikel

207

De protocollen die, in onderlinge overeenstemming tussen de Lid-Staten, aan dit Verdrag worden gehecht, maken een integrerend deel daarvan uit.

Artikel

208

Dit Verdrag wordt voor onbeperkte tijd gesloten.

ZESDE

TITEL

BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE BEGINPERIODE

Afdeling

I

- Oprichting van de instellingen

Artikel

209

Vervallen

Artikel

210

Vervallen

Artikel

211

Vervallen

Artikel

212

Vervallen

Artikel

213

Vervallen

Artikel

214

Vervallen

Afdeling

II

- Bepalingen voor de eerste toepassing van het Verdrag

Artikel

215

Vervallen

Artikel

216

Vervallen

Artikel

217

Vervallen

Artikel

218

Vervallen

Artikel

219

Vervallen

Artikel

220

Vervallen

Afdeling

III

- Overgangsbepalingen

Artikel

221

Vervallen

Artikel

222

Vervallen

Artikel

223

Vervallen

SLOTBEPALINGEN

Artikel

224

Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende Staat die als laatste deze handeling verricht. Indien deze nederlegging echter minder dan vijftien dagen vóór het begin van de eerstvolgende maand plaatsvindt wordt de inwerkingtreding van het Verdrag verschoven naar de eerste dag van de tweede maand volgende op die nederlegging.

Artikel

225

Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.

Krachtens de Toetredingsverdragen zijn de teksten van dit Verdrag in de Deense, de Engelse, de Finse, de Griekse, de Ierse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal eveneens gelijkelijk authentiek.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

Gedaan te Rome, de vijfentwintigste maart negentienhonderd zevenenvijftig.

BIJLAGE

I

GEBIED VAN ONDERZOEK BETREFFENDE DE KERNENERGIE

bedoeld in artikel 4 van het Verdrag

I

Basismaterialen

  • 1.

    Methoden van opsporing van delfstoffen en mijnontginning, in het bijzonder betreffende de winning van basismaterialen (uranium, thorium en andere produkten van bijzonder belang voor de kernenergie).

  • 2.

    Methoden voor concentratie van deze basismaterialen en voor omzetting daarvan in technisch zuivere verbindingen.

  • 3.

    Methoden voor omzetting van deze technisch zuivere verbindingen in verbindingen en metalen van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

  • 4.

    Methoden voor omzetting en bewerking van deze verbindingen en metalen - alsmede van plutonium, uranium 235 of 233, zuiver of verwerkt in genoemde verbindingen of metalen - door de chemische, keramische of metallurgische industrie tot splijt stof elementen.

  • 5.

    Methoden voor de bescherming van deze splijtstof elementen tegen corrosie en erosie door uitwendige invloeden.

  • 6.

    Methoden voor vervaardiging, zuivering, bewerking en bewaring van andere speciale materialen op het gebied van de kernenergie, in het bijzonder:

    • a)

      Moderatoren, zoals zwaarwater, grafiet van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie, beryllium en berylliumoxyde.

    • b)

      Materialen voor de bouw van reactoren zoals zirkonium (vrij van hafnium), niobium, lanthanium, titanium, beryllium en hun oxyden, carbiden en andere verbindingen, welke gebruikt kunnen worden op het gebied van de kernenergie.

    • c)

      Koelmiddelen zoals helium, organische warmte-overdragers, natrium, legeringen van natrium en kalium, bismuth, legeringen van lood en bismuth.

  • 7.

    Methoden voor de afscheiding van isotopen

    • a)

      van uranium,

    • b)

      van stoffen in weegbare hoeveelheden, welke kunnen worden gebruikt bij de opwekking van kernenergie, zoals lithium 6 en 7, stikstof 15, borium 10,

    • c)

      van isotopen welke in kleine hoeveelheden gebruikt worden voor onderzoekswerkzaamheden.

II

Natuurkunde toegepast op de kernenergie

  • 1.

    Toegepaste theoretische natuurkunde:

    • a)

      kernreacties met lage energie, in het bijzonder reacties veroorzaakt door neutronen,

    • b)

      splijting,

    • c)

      wisselwerking van ioniserende straling en photonen met materie,

    • d)

      theorie van de vaste toestand,

    • e)

      bestudering van de kernversmelting, in het bijzonder van het gedrag van een geïoniseerd plasma onder invloed van elektromagnetische krachten en van de thermodynamica van uiterst hoge temperaturen.

  • 2.

    Toegepaste experimentele natuurkunde:

    • a)

      dezelfde onderwerpen als vermeld onder 1 hierboven,

    • b)

      bestudering van de eigenschappen van de transuraniumelementen van belang voor de kernenergie.

  • 3.

    Berekeningen inzake reactoren:

    • a)

      theoretische macroscopische neutronenleer,

    • b)

      experimentele bepaling van de neutronenverdeling: exponentiële en kritische experimenten,

    • c)

      thermodynamische berekeningen en berekeningen van de bestendigheid van materialen,

    • d)

      overeenkomstige experimentele bepalingen,

    • e)

      reactorkinetica, problemen van de reactorregeling en overeenkomstige experimenten,

    • f)

      berekening van de afscherming van straling en overeenkomstige experimenten.

III

Fysische chemie van de reactoren

  • 1.

    Studie van de natuurkundige en scheikundige structuurveranderingen en van de wijziging van de technische eigenschappen van verschillende materialen in reactoren door:

    • a)

      warmte,

    • b)

      de aard van de met elkaar in contact zijnde materialen,

    • c)

      mechanische oorzaken.

  • 2.

    Studie van de afbraak en andere verschijnselen veroorzaakt door bestraling:

    • a)

      in de splijtstof elementen,

    • b)

      in de materialen voor de bouw van reactoren en in de koelmiddelen,

    • c)

      in de moderatoren.

  • 3.

    Toepassing van de chemische en de fysisch-chemische analyse op de bestanddelen van reactoren.

  • 4.

    Fysische chemie van homogene reactoren: radio-chemie, corrosie.

IV

Behandeling van radioactieve materialen

  • 1.

    Methoden voor de winning van plutonium en uranium 233 uit bestraalde splijtstoffen, eventuele terugwinning van uranium of thorium.

  • 2.

    Scheikunde en metallurgie van plutonium.

  • 3.

    Afscheidingsmethoden en scheikunde van de andere transuraniumelementen.

  • 4.

    Afscheidingsmethoden en scheikunde van de bruikbare radio-actieve isotopen:

    • a)

      splijtingsprodukten,

    • b)

      produkten verkregen door bestraling.

  • 5.

    Concentratie en opslag van onbruikbare radioactieve afval.

V

Toepassing van radioactieve isotopen

Als zodanig of als „tracers” in:

  • a)

    de industrie en de wetenschap,

  • b)

    de geneeskunde en de biologie,

  • c)

    de landbouw.

VI

Studie van de schadelijke inwerking van straling op levende wezens

  • 1.

    Studie van de wijze van aantonen en de meting van schadelijke straling.

  • 2.

    Studie van de middelen ter doelmatige voorkoming van bestraling en bescherming daartegen en van de daarmede samenhangende veiligheidsnormen.

  • 3.

    Studie van de geneeswijzen tegen de gevolgen van straling.

VII

Uitrustingen

Studie voor de uitvoering en de verbetering van de uitrusting bestemd, niet alleen voor de reactoren, doch ook voor het geheel van installaties, ten behoeve van onderzoek en industrie welke zijn vereist voor de hierboven opgesomde onderzoekingen. Als voorbeeld kunnen worden genoemd:

  • 1.

    de volgende mechanische uitrusting:

    • a)

      pompen voor speciale vloeistoffen,

    • b)

      warmtewisselaars,

    • c)

      apparaten voor kernfysisch onderzoek (zoals apparaten voor het scheiden van neutronen naar snelheid),

    • d)

      apparatuur voor afstandsbediening;

  • 2.

    de volgende elektrische uitrusting:

    • a)

      apparatuur voor het aantonen en de meting van straling in het bijzonder ten behoeve van

      • -

        de opsporing van delfstoffen,

      • -

        het wetenschappelijk en technisch onderzoek,

      • -

        de regeling van reactoren,

      • -

        de bescherming van de gezondheid,

    • b)

      apparatuur voor de bediening van reactoren,

    • c)

      apparaten voor de versnelling van deeltjes met een lage energie tot 10 MeV.

VIII

Economische gezichtspunten van de energieproduktie

  • 1.

    Theoretische en experimentele vergelijkende studie van verschillende typen van reactoren.

  • 2.

    Technisch-economische bestudering van de splijtstofcyclussen.

BIJLAGE

II

TAKKEN VAN INDUSTRIE

bedoeld in artikel 41 van het Verdrag

  • 1.

    Winning van uranium- en thoriumertsen.

  • 2.

    Concentratie van die ertsen.

  • 3.

    Scheikundige behandeling en zuivering van de concentraten van uranium en thorium.

  • 4.

    Bereiding van splijtstoffen in elke vorm.

  • 5.

    Vervaardiging van splijt stof elementen.

  • 6.

    Vervaardiging van uraniumhexafluoride.

  • 7.

    Produktie van verrijkt uranium.

  • 8.

    Behandeling van bestraalde splijtstoffen voor de afscheiding van alle of een deel der elementen, welke deze bevatten.

  • 9.

    Produktie van moderatoren voor reactoren.

  • 10.

    Produktie van hafniumvrij zirkonium of van verbindingen daarvan.

  • 11.

    Kernreactoren van elk type en voor elk doel.

  • 12.

    Installaties voor de industriële behandeling van radioactieve afval, opgericht in verband met een of meer van de in deze lijst bedoelde installaties.

  • 13.

    Semi-industriële installaties bestemd voor de voorbereiding van de bouw van bedrijven, vallende onder de takken van industrie 3 tot en met 10.

BIJLAGE

III

GUNSTEN, welke op grond van artikel 48 van het Verdrag kunnen worden toegekend AAN GEMEENSCHAPPELIJKE ONDERNEMINGEN

  • 1.
    • a)

      Erkenning van het openbare nutskarakter, overeenkomstig de nationale wetgevingen, van de door Gemeenschappelijke Ondernemingen te verkrijgen, voor hun vestiging noodzakelijke, onroerende goederen.

    • b)

      Toepassing, overeenkomstig de nationale wetgevingen, van de onteigeningsprocedure ten openbaren nutte ten einde bij gebreke van minnelijke overeenstemming die goederen te verkrijgen.

  • 2.

    Begunstiging door licentieverlening bij wege van arbitrage of ambtshalve op grond van de artikelen 17 tot en met 23.

  • 3.

    Ontheffing van alle rechten en belastingen bij de oprichting van Gemeenschappelijke Ondernemingen en van alle rechten ter zake van inbreng.

  • 4.

    Ontheffing van rechten en belastingen op de overdracht geheven bij de verkrijging van onroerende goederen en van rechten van overschrijving en registratie.

  • 5.

    Ontheffing van alle directe belastingen, welke op de Gemeenschappelijke Ondernemingen, hun goederen, bezittingen en inkomsten zouden kunnen worden toegepast.

  • 6.

    Ontheffing van alle douanerechten en heffingen van gelijke werking en van alle verboden en beperkingen van in- of uitvoer, zowel van economische als van fiscale aard, wat betreft:

    • a)

      wetenschappelijke en technische goederen, met uitzondering van bouwmaterialen en materieel voor administratieve doeleinden,

    • b)

      stoffen bestemd voor be- of verwerking of reeds bewerkt in de Gemeenschappelijke Onderneming.

  • 7.

    Deviezenfaciliteiten, als bedoeld in artikel 182, lid 6.

  • 8.

    Vrijstelling van toelatings- en verblijfsbeperkingen ten gunste van de in dienst der Gemeenschappelijke Ondernemingen zijnde onderdanen der Lid-Staten, alsmede van hun echtgenoten en de te hunnen laste komende gezinsleden.

BIJLAGE

IV

LIJSTEN VAN GOEDEREN EN PRODUKTEN

die vallen onder de bepalingen van hoofdstuk IX met betrekking tot de gemeenschappelijke markt op het gebied van de kernenergie

Lijst A1

Uraniumertsen bevattende meer dan 5 gewichtspercenten natuurlijk uranium.

Pekblende (uraanpikerts) bevattende meer dan 5 gewichtspercenten natuurlijk uranium.

Uraniumoxyde.

Anorganische verbindingen van natuurlijk uranium, andere dan uraniumoxyde en uraanhexafluoride.

Organische verbindingen van natuurlijk uranium.

Natuurlijk uranium, ruw of bewerkt.

Legeringen bevattende plutonium.

Organische en anorganische verbindingen van uranium, verrijkt in organische of in anorganische verbindingen van uranium 235.

Organische en anorganische verbindingen van uranium 233.

Thorium, verrijkt met uranium 233.

Organische en anorganische verbindingen van plutonium.

Uranium, verrijkt met plutonium.

Uranium, verrijkt in uranium 235.

Legeringen bevattende uranium verrijkt in uranium 235 of uranium 233.

Plutonium.

Uranium 233.

Uraanhexafluoride.

Monaziet.

Thoriumertsen, bevattende meer dan 20 gewichtspercenten thorium.

Urano-thoraniet, bevattende meer dan 20 gewichtspercenten thorium.

Thorium, ruw of bewerkt.

Thoriumoxyde.

Anorganische verbindingen van thorium, andere dan thoriumoxyde.

Organische verbindingen van thorium.

Lijst A2

Zware waterstof (deuterium) en verbindingen daarvan (zwaarwater daaronder begrepen), waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt.

Zware paraffine, waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt.

Mengsels en oplossingen, waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt.

Apparaten voor het scheiden van uraniumisotopen door gasdiffusie of volgens andere werkwijzen.

Kernreactoren.

Apparatuur voor het bereiden van zware waterstof en van verbindingen daarvan (zwaarwater daaronder begrepen), zomede voor het bereiden van derivaten, mengsels en oplossingen, welke zware waterstof bevatten en waarin de verhouding van het aantal atomen zware waterstof tot het aantal atomen normale waterstof 1 : 5000 overschrijdt

  • -

    apparaten waarvan de werking berust op de elektrolyse van water;

  • -

    apparaten waarvan de werking berust op de distillatie van water, van vloeibare waterstof enz.;

  • -

    apparaten waarin door middel van een verandering van de temperatuur een uitwisseling van isotopen wordt tot stand gebracht tussen zwavelwaterstof en water;

  • -

    apparaten welke werken volgens andere werkwijzen.

Apparaten, welke speciaal zijn vervaardigd voor de scheikundige behandeling van radioactieve stoffen

  • -

    apparaten voor het scheiden van bestraalde splijtstof

    • -

      langs scheikundige weg (door oplosmiddelen, neerslaan, ionenuitwisseling, enz.);

    • -

      langs natuurkundige weg (door gefractioneerde distillatie, enz.);

  • -

    apparaten voor de behandeling van afvalstoffen,

  • -

    apparaten voor het weer in omloop brengen van splijtstof.

Voertuigen speciaal ingericht en uitgerust voor het vervoer van sterk radioactieve stoffen

  • -

    goederen wagens voor spoor- en tramwegen voor iedere spoorwegbreedte;

  • -

    automobielen voor goederenvervoer;

  • -

    transport wagentjes, vorkheftrucks en dergelijke motorvoertuigen;

  • -

    aanhangwagens, opleggers en dergelijke voertuigen zonder eigen beweegkracht.

Verpakkingsmiddelen voor het vervoer en de opslag van radioactieve stoffen, voorzien van een loden bekleding ter afscherming van radioactieve straling.

Kunstmatig verkregen radioactieve isotopen en organische en anorganische verbindingen daarvan.

Werktuigen voor het hanteren van goederen op afstand, speciaal vervaardigd voor het hanteren van sterk radioactieve stoffen

  • -

    al dan niet verplaatsbare mechanische werktuigen, niet bestemd om met handkracht te worden bediend.

Lijst B

(Vermelding geschrapt)

Lithiumertsen en concentraten daarvan.

Metalen van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie

  • -

    beryllium (glucinium), ruw;

  • -

    bismuth, ruw;

  • -

    niobium (columbium), ruw;

  • -

    zirkonium (vrij van hafnium), ruw;

  • -

    lithium, ruw;

  • -

    aluminium, ruw;

  • -

    calcium, ruw;

  • -

    magnesium, ruw.

Boriumtrifluoride.

Watervrije fluorwaterstof.

Chloortrifluoride.

Broomtrifluoride.

Lithiumhydroxyde.

Lithiumfluoride.

Lithiumchloride.

Lithiumhydride.

Lithiumcarbonaat.

Berylliumoxyde (glucine) van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

Vuurvaste stenen van berylliumoxyde van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

Andere vuurvaste produkten van berylliumoxyde van de zuiverheid vereist voor toepassing op het gebied van de kernenergie.

Kunstmatig grafiet in blokken of staven, waarin het boriumgehalte niet meer bedraagt dan 1 op een miljoen en waarvan de totale microscopische werkzame doorsnede voor de absorptie van thermische neutronen niet meer bedraagt dan 5 millibarns.

Kunstmatig afgescheiden stabiele isotopen.

Elektromagnetische ionenscheidingsapparaten, massaspectrografen en massaspectrometers daaronder begrepen.

Simulatoren (apparaten voor het nabootsen van de werking van kernreactoren, te weten speciaal ontworpen rekenmachines, werkend volgens het principe van de „analogie”).

Mechanische werktuigen voor het hanteren van goederen op afstand

  • -

    voor handgebruik (d.w.z. welke als een werktuig met de hand worden bediend).

Pompen voor vloeibaar metaal.

Hoogvacuumpompen.

Warmtewisselaars speciaal vervaardigd voor kernenergiecentrales.

Instrumenten voor het aantonen van straling (en daarvoor bestemde vervangingsonderdelen) van een der volgende typen, speciaal ontworpen voor of geschikt om te worden aangepast aan het aantonen of de meting van kernstraling zoals alpha- en beta-deeltjes, gamma-straling, neutronen en protonen:

  • -

    Geiger-telbuizen en proportionele telbuizen;

  • -

    instrumenten voor het aantonen of het meten, werkend met Geiger-Müller-buizen of met proportionele telbuizen;

  • -

    ionisatiekamers;

  • -

    instrumenten werkend met ionisatiekamers;

  • -

    apparaten voor het aantonen of meten van stralingen welke worden gebruikt bij de opsporing van delfstoffen en bij het controleren van reactoren, van de lucht, van het water en van de bodem;

  • -

    buizen voor het aantonen van neutronen, waarin borium, boriumtrifluoride, waterstof of een splijtbaar element wordt toegepast;

  • -

    aantonings- en meetinstrumenten voorzien van buizen ter aantoning van neutronen, waarin borium, boriumtrifluoride, waterstof of een splijtbaar element wordt toegepast;

  • -

    scintillatiekristallen, gemonteerd of in metalen huls (vaste scintillatoren);

  • -

    apparaten voor het aantonen of het meten, welke vaste, vloeibare of gasvormige scintillatoren bevatten;

  • -

    speciaal voor meting van kernstraling ontworpen versterkers, lineaire versterkers, voorversterkers, versterkers met getrapte versterking, analysatoren (impuls-hoogte-analysatoren);

  • -

    coïncidentieapparatuur voor gebruik met instrumenten voor het aantonen van straling;

  • -

    elektroscopen en elektrometers, met inbegrip van dosimeters (evenwel met uitzondering van toestellen voor het onderwijs, eenvoudige metaalblad-elektroscopen, dosimeters speciaal bestemd voor gebruik met röntgenapparaten voor medische doeleinden en apparaten voor het meten van statische elektriciteit);

  • -

    apparaten voor het meten van stromen zwakker dan een micro - micro - ampère;

  • -

    fotomultiplicatorbuizen, voorzien van een fotokathode, welke een stroom geeft van ten minste 10 micro-ampère per lumen en waarvan de gemiddelde versterkingsfactor groter is dan 105 en verder elk ander elektrisch versterkingssysteem werkend met positieve ionen;

  • -

    meetschalen en elektronische integratoren ten gebruike in instrumenten voor het aantonen van straling.

Cyclotrons, elektrostatische spanningsgeneratoren van het type „van de Graaf” of „Cockroft en Walton”, lineaire versnellingsapparaten en andere elektrische machines gebruikt bij het kernonderzoek en de isotopenproduktie, waarmede aan kerndeeltjes een energie van meer dan een miljoen elektronvolts kan worden gegeven.

Speciaal voor vorengenoemde machines vervaardigde magneten (voor cyclotrons enz.).

Versnellingsbuizen en buizen voor het bundelen van stralen van de soorten welke worden gebruikt in massaspectrometers en massaspectrografen.

Langs elektronische weg verkregen sterke bronnen van positieve ionen, welke gebruikt worden in apparaten voor het versnellen van deeltjes, in massaspectrometers en andere soortgelijke apparaten.

Straling werend glas (spiegelglas)

  • -

    gegoten of gewalst spiegelglas (alsmede draadglas en geplateerd glas, dat in één arbeidsgang is verkregen), enkel geslepen of gepolijst op één of op beide zijden, in vierkante of rechthoekige platen of bladen;

  • -

    gegoten of gewalst spiegelglas (ook indien geslepen of gepolijst), anders dan vierkant of rechthoekig gesneden, gebogen of anders bewerkt (met schuingeslepen randen, gegraveerd, enz.);

  • -

    veiligheidsglas, bestaande uit geharde glasplaten (hardglas) of uit twee of meer opeengekitte glasplaten (triplexglas, pantserglas, enz.), ook indien in een bepaalde vorm.

Beschermende kleding (van het type duikerpakken e.d.) ter bescherming tegen straling en besmetting met radioactieve stoffen

  • -

    van kunstmatige plastische stoffen;

  • -

    van rubber;

  • -

    van textiel, geïmpregneerd of voorzien van een deklaag

    • -

      voor mannen,

    • -

      voor vrouwen.

Difenyl (voor zover het betreft de aromatische koolwaterstof:

C6H5 - C6H5).

Trifenyl.

BIJLAGE

V

EERSTE PROGRAMMA VOOR ONDERZOEK EN ONDERWIJS

bedoeld in artikel 215 van het Verdrag

I

II

Protocol betreffende de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie op de niet-Europese delen van het Koninkrijk der Nederlanden

Vervallen