Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika

Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika

De Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika,

verlangend de samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika verder te vergemakkelijken;

verlangend de criminaliteit doeltreffender te bestrijden teneinde hun democratische samenlevingen en gemeenschappelijke waarden te beschermen;

met inachtneming van de rechten van het individu en de rechtsstaat;

indachtig de waarborgen die hun respectieve rechtsstelsels bieden inzake het recht van een verdachte op een eerlijk proces, waaronder het recht te worden gevonnist door een onpartijdig gerecht, dat is ingesteld bij de wet;

vanuit de wens een verdrag betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken te sluiten,

hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

Artikel

1

Onderwerp en doel

De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst de samenwerking en wederzijdse rechtshulp te verbeteren.

Artikel

2

Definities

Artikel

3

Reikwijdte van deze overeenkomst met betrekking tot bilaterale rechtshulpverdragen met lidstaten en bij gebreke daarvan

Artikel

4

Identificatie van bankgegevens

Artikel

5

Gemeenschappelijke onderzoeksteams

Artikel

6

Videoconferenties

Artikel

7

Versnelde toezending van verzoeken

Verzoeken om rechtshulp, en mededelingen dienaangaande, kunnen worden gedaan met behulp van snelle communicatietechnieken, daaronder begrepen faxapparatuur of elektronische post, gevolgd door een formele bevestiging wanneer de aangezochte staat zulks vereist. De aangezochte staat kan het verzoek met behulp van zulke snelle communicatietechnieken beantwoorden.

Artikel

8

Rechtshulp aan administratieve autoriteiten

Artikel

9

Gebruiksbeperkingen met het oog op bescherming van persoons- en andere gegevens

Artikel

10

Verzoek om vertrouwelijkheid dat uitgaat van de verzoekende staat

De aangezochte staat stelt alles in het werk om een verzoek en de inhoud ervan vertrouwelijk te houden, indien de verzoekende staat daarom verzoekt. Indien het verzoek niet kan worden uitgevoerd zonder de verlangde vertrouwelijkheid te schenden, deelt de centrale autoriteit van de aangezochte staat dit mee aan de verzoekende staat, die dan bepaalt of het verzoek desalniettemin moet worden uitgevoerd.

Artikel

11

Overleg

De overeenkomstsluitende partijen plegen voorzover nodig overleg opdat zo goed mogelijk gebruik kan worden gemaakt van deze overeenkomst, daaronder begrepen overleg om de oplossing van geschillen over de uitlegging of de toepassing van deze overeenkomst te bevorderen.

Artikel

12

Toepassing in de tijd

Artikel

13

Non-derogatie

Behoudens artikel 4, lid 5, en artikel 9, lid 2, onder b), laat deze overeenkomst voor de aangezochte staat de mogelijkheid onverlet ten aanzien van het verlenen van rechtshulp weigeringsgronden in te roepen uit hoofde van een bilateraal rechtshulpverdrag, of bij ontstentenis daarvan, van zijn toepasselijke rechtsbeginselen, onder andere wanneer de uitvoering van het verzoek schadelijk zou zijn voor zijn soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen.

Artikel

14

Toekomstige bilaterale rechtshulpverdragen met lidstaten

Deze overeenkomst belet niet dat, nadat zij van kracht is geworden, bilaterale overeenkomsten tussen een lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika worden gesloten die verenigbaar zijn met de onderhavige overeenkomst.

Artikel

15

Aanwijzing en kennisgeving

Artikel

16

Territoriale toepassing

Artikel

17

Herziening

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen deze Overeenkomst uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding aan een gemeenschappelijke herziening te onderwerpen. Deze herziening zal in het bijzonder betrekking hebben op de praktische uitvoering van de Overeenkomst en kan ook aangelegenheden behelzen zoals de gevolgen van de verdere ontwikkeling van de Europese Unie met betrekking tot het voorwerp van deze Overeenkomst.

Artikel

18

Inwerkingtreding en beëindiging

Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden deze overeenkomst hebben ondertekend.

Gedaan te Washington D.C., de vijfentwintigste juni tweeduizenddrie in twee exemplaren in de Deense, Duitse, Engelse, Finse, Franse, Griekse, Italiaanse, Nederlandse, Portugese, Spaanse en Zweedse taal, zijnde de teksten in ieder van deze talen gelijkelijk authentiek.

Toelichting bij de overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika

Deze nota geeft uitleg over afspraken tussen de overeenkomstsluitende partijen betreffende de toepassing van een aantal bepalingen van de overeenkomst betreffende rechtshulp tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika (hierna „de overeenkomst” genoemd).

Bij artikel 8

Met betrekking tot rechtshulp aan een administratieve autoriteit uit hoofde van artikel 8, lid 1, houdt de eerste zin van artikel 8, lid 1, de verplichting in om rechtshulp te verlenen aan federale administratieve autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika en nationale administratieve autoriteiten van de lidstaten die daarom verzoeken. Op grond van de tweede zin kan rechtshulp ook worden verleend aan andere – niet-federale of lokale – administratieve autoriteiten. Het is echter aan de aangezochte staat om te bepalen of van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.

De overeenkomstsluitende partijen komen overeen dat op grond van de eerste zin van artikel 8, lid 1, op verzoek rechtshulp wordt verleend aan een administratieve autoriteit die op het moment dat het verzoek wordt ingediend, bezig is met onderzoeken of procedures met het oog op strafvervolging of verwijzing van de onderzochte gedraging naar autoriteiten die krachtens een specifiek mandaat als direct hierna beschreven bevoegd zijn tot vervolging. Het feit dat op het moment dat het verzoek wordt ingediend, wordt overwogen de zaak voor strafrechtelijke vervolging door te verwijzen, vormt geen beletsel voor die autoriteit om andere dan strafrechtelijke sancties na te streven. Derhalve kan rechtshulp die verleend wordt op grond van artikel 8, lid 1, ertoe leiden dat de verzoekende administratieve autoriteit tot het besluit komt dat strafrechtelijke vervolging of verwijzing met het oog op vervolging niet passend is. Deze mogelijke gevolgen doen echter niets af aan de verplichting van de overeenkomstsluitende partijen om krachtens dit artikel rechtshulp te verlenen.

De verzoekende administratieve autoriteit mag artikel 8, lid 1, echter niet gebruiken om rechtshulp te vragen in gevallen waarin geen strafrechtelijke vervolging of verwijzing wordt overwogen, of voor zaken waarbij de onderzochte gedraging krachtens de wetgeving van de verzoekende staat niet in aanmerking komt voor een strafrechtelijke sanctie of verwijzing.

De Europese Unie brengt in herinnering dat de inhoud van de overeenkomst wat haar betreft valt onder de bepalingen inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en dat de overeenkomst binnen het toepassingsgebied van die bepalingen tot stand is gekomen.

Bij artikel 9

Artikel 9, lid 2, onder b., moet ervoor zorgen dat weigering van rechtshulp op grond van gegevensbescherming alleen in uitzonderlijke gevallen mogelijk is. Een dergelijke situatie kan zich alleen voordoen als, na afweging van de prevalerende belangen in een specifiek geval (enerzijds de openbare belangen, waaronder een goede rechtsbedeling, en anderzijds de belangen die gemoeid zijn met de bescherming van het privé-leven), het overleggen van de door de verzoekende staat verlangde specifieke gegevens dusdanig fundamentele problemen zou veroorzaken dat de aangezochte staat daarin aanleiding ziet om het verzoek om essentiële redenen af te wijzen. Een aangezochte staat kan dus geen medewerking weigeren op grond van een ruime, categorische of systematische toepassing van de beginselen inzake gegevensbescherming. Het feit dat de verzoekende en de aangezochte staat verschillende regelingen voor gegevensbescherming hanteren (bv. als de verzoekende staat niet over een volwaardige speciale gegevensbeschermingsautoriteit beschikt) of een verschillende aanpak volgen voor de bescherming van persoonsgegevens (bv. als de verzoekende staat andere middelen dan het wissen van gegevens gebruikt om het privé-karakter of de juistheid van door de wetshandhavingsinstanties ontvangen persoonsgegevens te waarborgen), mag krachtens artikel 9, lid 2, onder a), niet als extra voorwaarde worden ingeroepen.

Bij artikel 14

Artikel 14 bepaalt dat de overeenkomst geen beletsel vormt voor de sluiting, na inwerkingtreding, van bilaterale rechtshulpovereenkomsten tussen een lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika indien deze verenigbaar zijn met de overeenkomst.

Mochten op basis van de overeenkomst genomen maatregelen voor de Verenigde Staten van Amerika en een of meer lidstaten praktische problemen opleveren, dan moeten die problemen indien mogelijk in de eerste plaats worden opgelost via overleg tussen de betrokken lidstaat of lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika, of, in voorkomend geval, via de in deze overeenkomst vermelde overlegprocedures. Indien dergelijke praktische problemen niet via overleg alleen kunnen worden opgelost, dan past het binnen de overeenkomst dat toekomstige bilaterale overeenkomsten tussen de lidstaat of lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika een bruikbaar alternatief mechanisme aanreiken ten behoeve van de doelstellingen van de bepaling in kwestie waaruit de problemen zijn voortgekomen.