Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien)

Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (herzien)

De Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (herzien), de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat,

Besloten hebbende dit Verdrag te vervangen door een nieuw Verdrag en tot dit doel hun gevolmachtigden benoemd hebbende, wier volmachten in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden,

Hebben de volgende bepalingen aangenomen:

TITEL

I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel

1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

  • a)

    wordt onder „Verdragsluitende Partij” verstaan elke Staat, welke overeenkomstig artikel 90, tweede lid of artikel 93, tweede lid, een akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding heeft neergelegd;

  • b)

    worden de termen „grondgebied van een Verdragsluitende Partij” en „onderdaan van een Verdragsluitende Partij” omschreven in Bijlage I; door elke Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig het eerste lid van artikel 97, kennisgeving gedaan van iedere wijziging welke in Bijlage I dient te worden aangebracht;

  • c)

    worden ten aanzien van elke Lid-Staat onder „wetgeving” verstaan de wetten, regelingen en statutaire bepalingen welke van kracht zijn op de datum van ondertekening van dit Verdrag of welke later van kracht zullen worden voor het gehele grondgebied van iedere Verdragsluitende Partij of voor enig deel daarvan en welke betrekking hebben op de in artikel 3, eerste en tweede lid, bedoelde takken en regelingen van sociale zekerheid;

  • d)

    wordt onder „Verdrag inzake sociale zekerheid” verstaan elke bilaterale of multilaterale overeenkomst welke op het gebied van de sociale zekerheid voor alle in artikel 3, eerste en tweede lid bedoelde takken en regelingen, of een deel daarvan, uitsluitend verbindend is of zal zijn voor twee of meer Verdragsluitende Partijen, alsmede elke zodanige multilaterale overeenkomst welke verbindend is of zal zijn voor ten minste twee Verdragsluitende Partijen en één of meer andere Staten, alsmede akkoorden van elke aard, welke in het kader van bovenbedoelde overeenkomsten zijn of worden gesloten;

  • e)

    wordt onder „bevoegde autoriteit” verstaan de Minister of Ministers, dan wel de daarmede overeenkomstige autoriteit, onder wie op het gehele grondgebied van elke Verdragsluitende Partij of op een deel daarvan, de regelingen inzake sociale zekerheid, die op rijnvarenden van toepassing zijn, ressorteren;

  • f)

    wordt onder „orgaan” verstaan het lichaam of de autoriteit, welke belast is met de uitvoering van de gehele wetgeving van elke Verdragsluitende Partij of een deel daarvan;

  • g)

    wordt onder „bevoegd orgaan” verstaan:

    • i)

      indien het een regeling van sociale verzekering betreft, hetzij het orgaan waarbij de belanghebbende op het tijdstip, waarop hij om prestaties verzoekt, is aangesloten, hetzij het orgaan dat hem prestaties verschuldigd is of zou zijn, indien hij woonde op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij, waarop dit orgaan gevestigd is, hetzij het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;

    • ii)

      indien het een andere regeling dan een regeling van sociale verzekering betreft of een regeling betreffende kinderbijslagen, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;

    • iii)

      indien het een regeling betreft inzake de verplichtingen van de werkgever ten aanzien van de in artikel 3, eerste lid bedoelde prestaties, de werkgever of de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraar, dan wel bij ontstentenis van dezen, het lichaam of de autoriteit welke door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij is aangewezen;

  • h)

    wordt onder „bevoegde Staat” verstaan de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan is gevestigd;

  • i)

    wordt onder „woonplaats” verstaan de normale verblijfplaats;

  • j)

    wordt onder „verblijfplaats” verstaan de tijdelijke verblijfplaats;

  • k)

    wordt onder „orgaan van de woonplaats” verstaan het orgaan dat ter plaatse waar de betrokkene woont, bevoegd is de betreffende prestaties te verlenen, volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij welke door dat orgaan wordt toegepast of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;

  • l)

    wordt onder „orgaan van de verblijfplaats” verstaan het orgaan dat ter plaatse waar de betrokkene verblijft, bevoegd is de betreffende prestaties te verlenen volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, welke door dit orgaan wordt toegepast of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;

  • m)

    wordt onder „rijnvarende” verstaan een werknemer of een zelfstandige, alsmede elke persoon die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving met hen wordt gelijkgesteld, die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip, dat met winstoogmerk in de rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van het certificaat, bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaart-akte, ondertekend te Mannheim, op 17 oktober 1868, met inachtneming van de wijzigingen, welke daarin zijn aangebracht of nog zullen worden aangebracht, alsmede van de daarop betrekking hebbende uitvoeringsvoorschriften;

  • n)

    wordt onder „hulpkracht” verstaan een rijnvarende die in overstemming met de rijnvaartvoorschriften tijdelijk in dienst is genomen om de bemanning aan te vullen of te versterken, of om de manoeuvres de havens uit te voeren;

  • o)

    worden onder „gezinsleden” verstaan de personen die als zodanig worden aangemerkt of erkend of als huisgenoten worden aangeduid in de wetgeving welke door het met het verlenen van prestaties belaste orgaan wordt toegepast of in de gevallen bedoeld in artikel 16, eerste lid, sub a) en c) en artikel 21, zesde lid, in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze personen wonen; indien deze wetgevingen echter uitsluitend personen die bij de betrokkene inwonen als gezinsleden of huisgenoten beschouwen, wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan, wanneer de betreffende personen in hoofdzaak op kosten van de betrokkene worden onderhouden; indien het krachtens deze wetgevingen niet mogelijk is de gezinsleden vast te stellen, verwijst het orgaan van de verblijfplaats of het orgaan van de woonplaats naar de wetgeving, welke door het bevoegde orgaan wordt toegepast;

  • p)

    worden onder „nagelaten betrekkingen” verstaan de personen die als zodanig worden aangemerkt of erkend in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden toegekend; indien deze wetgeving echter uitsluitend personen die bij de overledene inwoonden als nagelaten betrekkingen beschouwt, wordt geacht aan deze voorwaarde te zijn voldaan, wanneer de betreffende personen in hoofdzaak op kosten van de overledene werden onderhouden;

  • q)

    worden onder „tijdvakken van verzekering” verstaan tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van dienstbetrekking, van beroepsarbeid of van wonen, welke als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, eventueel met inbegrip van tijdvakken, welke niet in het beroep van rijnvarende zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als gelijkwaardig aan tijdvakken van verzekering door deze wetgeving zijn erkend;

  • r)

    worden onder „tijdvakken van dienstbetrekking” en „tijdvakken van beroepsarbeid” verstaan tijdvakken, welke als zodanig worden even of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, zover zij als gelijkwaardig aan tijdvakken van dienstbetrekking of van beroepsarbeid door deze wetgeving zijn erkend;

  • s)

    worden onder „tijdvakken van wonen” verstaan tijdvakken, welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld;

  • t)

    onder „prestaties” verstaan alle verstrekkingen en uitkeringen, pensioenen of renten, die voor de desbetreffende verzekerde gebeurtenis voorzien zijn, met inbegrip van:

    • i)

      indien het verstrekkingen betreft, de prestaties met het oog op preventie, revalidatie en beroepsherscholing;

    • ii)

      indien het uitkeringen betreft, pensioenen of renten, alle bedragen ten laste van de openbare middelen en alle verhogingen, uitkeringen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau of bijkomende uitkeringen, tenzij dit Verdrag anders bepaalt, alsmede prestaties, bedoeld om de verdiencapaciteit te handhaven of te verbeteren, als afkoopsom uitgekeerde bedragen welke in de plaats kunnen treden van pensioenen of renten, en eventuele terugstorting van premies of bijdragen;

  • u)
    • i)

      worden onder „gezinsbijslagen” verstaan alle verstrekkingen en uitkeringen, met inbegrip van kinderbijslagen, ter bestrijding van de gezinslasten, met uitzondering van de verhogingen of aanvullingen van pensioenen of renten ten behoeve van gezinsleden van de rechthebbende op deze pensioenen of renten;

    • ii)

      worden onder „kinderbijslagen” verstaan de periodieke uitkeringen, welke op grond van het aantal en de leeftijd van de kinderen worden toegekend;

  • v)

    wordt onder „uitkering bij overlijden” verstaan elk bedrag ineens dat in geval van overlijden wordt uitgekeerd, met uitzondering van de in sub t)ii) van dit artikel bedoelde bedragen welke als afkoopsom worden uitgekeerd;

  • w)

    is de term „van contributieve aard” van toepassing op uitkeringen waarvan de toekenning afhankelijk is of van een rechtstreekse geldelijke bijdrage van de beschermde personen of hun werkgever of van het verrichten van beroepsarbeid gedurende een zeker tijdvak alsmede op wetgevingen of regelingen welke dergelijke uitkeringen verlenen; uitkeringen, waarvan de toekenning niet afhankelijk is van een rechtstreekse geldelijke bijdrage van de beschermde personen of hun werkgever, noch van het verrichten van beroepsarbeid gedurende een zeker tijdvak, worden „van niet-contributieve aard” genoemd, evenals de wetgevingen of regelingen welke uitsluitend dergelijke uitkeringen verlenen;

  • x)

    worden onder „prestaties, verleend krachtens overgangsregelingen”, verstaan hetzij prestaties welke worden verleend aan personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van de van toepassing zijnde wetgeving, een bepaalde leeftijd hebben overschreden, hetzij prestaties welke bij wijze van overgangsmaatregel worden verleend met het oog op gebeurtenissen, welke zich hebben voorgedaan of tijdvakken, welke zijn vervuld buiten de huidige grenzen van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij;

  • y)

    wordt onder „Administratief Centrum” verstaan het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden bedoeld in artikel 71.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

Artikel

10

De in de wetgeving van een Verdragsluitende Partij opgenomen bepalingen inzake aanpassing van de uitkeringen aan het loon- of prijsniveau zijn eveneens van toepassing op de uitkeringen welke op grond van bedoelde wetgeving overeenkomstig dit Verdrag verschuldigd zijn.

TITEL

II

BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE TOE TE PASSEN WETGEVING

Artikel

11

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Indien krachtens deze titel op een rijnvarende van toepassing is de wetgeving van een Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij geen beroepsarbeid verricht of niet woont, is deze wetgeving op hem van toepassing alsof hij op het grondgebied van deze Partij wel beroepsarbeid verrichtte of wel woonde.

TITEL

III

BIJZONDERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE VERSCHILLENDE SOORTEN PRESTATIES

Hoofdstuk

1

Ziekte en moederschap

Artikel

15

Artikel

16

Artikel

17

Artikel

18

Artikel

19

Artikel

20

Artikel

21

Artikel

22

Artikel

23

Hoofdstuk

2

Invaliditeit, ouderdom en overlijden (pensioenen)

Afdeling

1

: Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel

24

Afdeling

2

: Invaliditeit

Artikel

25

Artikel

26

Artikel

27

Artikel

28

Artikel

29

Artikel

30

Artikel

31

Afdeling

3

: Ouderdom en overlijden (pensioenen)

Artikel

32

Artikel

33

Artikel

34

Artikel

35

Artikel

36

Artikel

37

Artikel

38

Artikel

39

Ingeval de uitkeringen aan de overlevende echtgeno(o)t(e) worden omgezet in ouderdomsuitkeringen, is artikel 31, eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk

3

Arbeidsongevallen en beroepsziekten

Artikel

40

Artikel

41

Artikel

42

Op de werkloos geworden rijnvarende die door een ongeval wordt getroffen dat volgens de wetgeving van de bevoegde Staat, ten laste waarvan de werkloosheidsuitkeringen komen, aangemerkt kan worden als een arbeidsongeval, is artikel 40, onderscheidenlijk artikel 41 van toepassing.

Artikel

43

Het ongeval op weg van of naar het werk dat op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat heeft plaatsgevonden, wordt geacht op het grondgebied van de bevoegde Staat te hebben plaatsgevonden.

Artikel

44

Artikel

45

Wanneer de rijnvarende die door een beroepsziekte getroffen is uitkeringen genoten heeft of geniet voor rekening van het orgaan van een Verdragsluitende Partij en hij, ingeval deze ziekte verergert, aanspraak maakt op uitkeringen bij het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  • a)

    indien de getroffene, sedert de toekenning van deze uitkeringen onder de wetgeving van de tweede Partij geen werkzaamheden heeft uitgeoefend welke de desbetreffende beroepsziekte kunnen veroorzaken of verergeren, moet het bevoegde orgaan van de eerste Partij de uitkeringen voor zijn rekening nemen, volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, waarbij rekening wordt gehouden met de verergering, zelfs indien de getroffene niet meer aan deze wetgeving onderworpen is of niet op het grondgebied van deze Partij woont;

  • b)

    indien de getroffene sedert de toekenning van deze uitkeringen onder de wetgeving van de tweede Partij wel zodanige werkzaamheden heeft uitgeoefend, moet het bevoegde orgaan van de eerste Partij, de uitkeringen voor zijn rekening nemen volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, waarbij het geen rekening houdt met de verergering; het bevoegde orgaan van de tweede Partij kent de betrokkene een aanvulling toe, ter hoogte van het verschil tussen het bedrag van de uitkeringen welke na de verergering verschuldigd zijn en het bedrag van de uitkeringen welke vóór de verergering overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving verschuldigd zouden zijn geweest, indien de desbetreffende beroepsziekte zich onder de wetgeving van deze Partij had voorgedaan;

  • c)

    indien de sub b) bedoelde getroffene geen recht heeft op uitkeringen krachtens de wetgeving van de tweede Partij, moet het bevoegde orgaan van de eerste Partij de uitkeringen toekennen volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, waarbij het rekening houdt met de verergering, zelfs indien de getroffene niet meer onderworpen is aan deze wetgeving of niet op het grondgebied van deze Partij woont.

Artikel

46

Artikel

47

Artikel

48

Artikel

49

Hoofdstuk

4

Overlijden (uitkeringen)

Artikel

50

Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen bij overlijden afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld.

Artikel

51

Artikel

52

Artikel

53

Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de toekenning van uitkeringen bij overlijden aan gezinsleden afhankelijk stelt van de voorwaarde dat zij persoonlijk verzekerd zijn geweest, zijn, wat betreft de gezinsleden van een rijnvarende die aan deze wetgeving onderworpen is, van een werkloze, een aanvrager van of rechthebbende op een pensioen die krachtens deze wetgeving recht hebben op verstrekkingen bij ziekte, de artikelen 51 en 52 slechts van toepassing indien deze gezinsleden persoonlijk aangesloten waren, hetzij bij hetzelfde orgaan van bedoelde Partij als deze rijnvarende, werkloze, aanvrager van of rechthebbende op pensioen of rente, hetzij bij een ander orgaan van bedoelde Partij dat overeenkomstige verstrekkingen toekent.

Hoofdstuk

5

Werkloosheid

Artikel

54

Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op in loondienst zijnde rijnvarenden.

Artikel

55

Artikel

56

De werkloos geworden rijnvarende die gedurende zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woonde en ter beschikking blijft van zijn werkgever of van de diensten voor arbeidsbemiddeling van deze Staat, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 55, eerste of tweede lid, recht op uitkeringen volgens de wetgeving van deze Staat, alsof hij op het grondgebied van deze Staat woonde. Deze uitkeringen worden door het bevoegde orgaan verleend.

Artikel

57

De volledig werkloos geworden rijnvarende die gedurende zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woonde en zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling van die Partij, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 55, eerste of tweede lid, recht op uitkeringen volgens de wetgeving van die Partij, alsof tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden deze wetgeving op hem van toepassing was geweest. Deze uitkeringen worden door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend.

Artikel

58

Indien in de wetgeving van een Verdragsluitende Partij een maximale duur voor het verlenen van uitkeringen is vastgesteld, kan het orgaan dat deze wetgeving toepast, eventueel rekening houden met het tijdvak waarover door het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij reeds uitkeringen werden verleend, nadat het recht op uitkeringen laatstelijk werd vastgesteld.

Artikel

59

Hoofdstuk

6

Gezinsbijslagen

Artikel

60

Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen van het recht op bijslagen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van dienstbetrekking of van beroepsarbeid, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van dienstbetrekking of van beroepsarbeid, welke krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld.

Artikel

61

Afdeling

1

Artikel

62

Artikel

63

Afdeling

2

Artikel

64

Artikel

65

Afdeling

3

Artikel

66

Artikel

67

Artikel

68

De wezen van een rechthebbende op een pensioen of rente op wie dit Verdrag voor zijn overlijden van toepassing was, hebben recht op de gezins- of kinderbijslagen ingevolge de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, krachtens welke deze rechthebbende met toepassing van het bepaalde in artikel 66 bij zijn leven gezins- of kinderbijslagen ontving, op voorwaarde dat op deze bijslagen krachtens deze wetgeving recht bestaat. Deze wezen hebben recht op de gezinsbijslagen ingevolge bedoelde wetgeving, indien zij op het grondgebied van deze Partij wonen of, indien dit niet het geval is, op de kinderbijslagen ingevolge bedoelde wetgeving.

Artikel

69

In de in de artikelen 66 tot en met 68 bedoelde gevallen worden de gezins- of kinderbijslagen volgens de wetgeving van de in deze artikelen bepaalde Verdragsluitende Partij verleend door en voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Partij, zelfs indien de natuurlijke of de rechtspersoon aan wie deze bijslagen moeten worden verleend, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont of gevestigd is. In het geval dat bedoelde bijslagen niet voor het onderhoud van de gezinsleden worden besteed, kunnen zij met volledige kwijting door tussenkomst van het orgaan van hun woonplaats dan wel van het orgaan of de instelling welke daartoe door de bevoegde autoriteit van het land waar zij wonen, aangewezen is, worden verleend aan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon te wiens laste deze gezinsleden in feite komen.

Afdeling

4

Artikel

70

TITEL

IV

ADMINISTRATIEF CENTRUM VOOR DE SOCIALE ZEKERHEID VAN DE RIJNVARENDEN

Artikel

71

Artikel

72

TITEL

V

DIVERSE BEPALINGEN

Artikel

73

Artikel

74

Wanneer de rechthebbende op een krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij verschuldigde uitkering eveneens recht heeft op uitkeringen krachtens de wetgeving van één of meer andere Verdragsluitende Partijen, zijn de volgende voorschriften van toepassing:

  • a)

    ingeval de toepassing van artikel 73, tweede lid tot gevolg zou hebben dat deze uitkeringen gelijktijdig worden verminderd, geschorst of ingetrokken, mag geen van deze uitkeringen verminderd, geschorst of ingetrokken worden voor een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag waarop de vermindering, de schorsing of de intrekking krachtens de wetgeving op grond waarvan deze uitkering verschuldigd is, betrekking heeft, te delen door het aantal de rechthebbende toekomende uitkeringen welke verminderd, geschorst of ingetrokken moeten worden;

  • b)

    indien het echter uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen betreft, welke overeenkomstig artikel 33 door het orgaan van een Verdragsluitende Partij zijn vastgesteld, houdt dit orgaan rekening met uitkeringen, inkomsten of beloningen welke vermindering, schorsing of intrekking van de door dit orgaan verschuldigde uitkering tot gevolg kunnen hebben; dit geldt niet voor de berekening van het in artikel 33, tweede lid bedoelde theoretische bedrag, doch uitsluitend voorde vermindering, schorsing of intrekking van het in artikel 33, derde of vijfde lid bedoelde bedrag. Van het bedrag van deze uitkeringen, inkomsten of beloningen wordt echter slechts een gedeelte in aanmerking genomen, dat overeenkomstig artikel 33, derde lid, vastgesteld wordt naar verhouding van de duur van de vervulde tijdvakken.

Artikel

75

Indien een rijnvarende of een lid van zijn gezin aanspraak kan maken op prestaties bij moederschap krachtens de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, worden deze prestaties uitsluitend toegekend krachtens de wetgeving van die van deze Partijen op het grondgebied waarvan de bevalling heeft plaatsgevonden of, indien de bevalling niet op het grondgebied van één van deze Partijen heeft plaatsgevonden, uitsluitend krachtens de wetgeving waaraan deze rijnvarende laatstelijk onderworpen is geweest.

Artikel

76

Artikel

77

Artikel

78

Artikel

79

Artikel

80

Artikel

81

Het bij de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voorziene geneeskundige onderzoek kan op verzoek van het orgaan dat deze wetgeving toepast, door het orgaan van de woon- of verblijfplaats op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij worden verricht op de wijze als bepaald in de in artikel 96, eerste lid bedoelde Administratieve Schikking. In dat geval wordt het onderzoek geacht te zijn verricht op het grondgebied van eerstbedoelde Partij.

Artikel

82

Wanneer een orgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende op uitkeringen een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop hij recht heeft, kan dit orgaan, op de wijze en binnen de grenzen als bepaald in de door dit orgaan toegepaste wetgeving, aan het orgaan van iedere andere Verdragsluitende Partij dat uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de bedragen welke het aan bedoelde rechthebbende betaalt. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen als voor een dergelijke verrekening is toegestaan bij de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof het door dit orgaan zelf teveel betaalde bedragen betrof en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft.

Artikel

83

Artikel

84

Artikel

85

Artikel

86

Artikel

87

Artikel

88

TITEL

VI

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel

89

Artikel

90

Artikel

91

Artikel

92

Met ingang van de inwerkingtreding van dit Verdrag houden de bepalingen van het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (herzien) op van kracht te zijn.

Artikel

93

Artikel

94

Dit Verdrag wordt gesloten voor de duur van een jaar. Deze wordt daarna van jaar tot jaar stilzwijgend verlengd, behoudens het recht van elke Verdragsluitende Partij het Verdrag op te zeggen door kennisgeving aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau. De opzegging wordt van kracht een jaar na ontvangst van de kennisgeving.

Artikel

95

Artikel

96

Artikel

97

Artikel

98

GEDAAN te Genève, 30 november 1979, in drie exemplaren in de Duitse, de Franse en de Nederlandse taal.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondergetekend.

Bijlage

I

OMSCHRIJVING VAN DE GRONDGEBIEDEN EN VAN DE ONDERDANEN VAN DE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN

(Artikel 1, sub b)

Bondsrepubliek Duitsland

  • Grondgebied: de werkingssfeer van de Grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland.

  • Onderdanen: Duitsers in de zin van de Grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland.

België

  • Grondgebied: het grondgebied van België

  • Onderdanen: personen van Belgische nationaliteit.

Frankrijk

  • Grondgebied: het vasteland van Frankrijk

  • Onderdanen: personen van Franse nationaliteit.

Luxemburg

  • Grondgebied: het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg

  • Onderdanen: personen van Luxemburgse nationaliteit.

Nederland

  • Grondgebied: het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa

  • Onderdanen: personen van Nederlandse nationaliteit.

Zwitserland

  • Grondgebied: het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat

  • Onderdanen: personen van Zwitsere nationaliteit.

Bijlage

II

WETGEVINGEN EN REGELINGEN WAAROP DIT VERDRAG VAN TOEPASSING IS

(Artikel 4, eerste lid)

Bondsrepubliek Duitsland

De wetgevingen betreffende:

  • a)

    de ziekteverzekering (ziekte, moederschap en overlijden);

  • b)

    de bescherming van werkende moeders, voor zover het uitkeringen en verstrekkingen betreft welke gedurende de zwangerschap en na de bevalling door het orgaan van de ziekteverzekering verschuldigd zijn;

  • c)

    de pensioenverzekering voor arbeiders en ambachtslieden;

  • d)

    de pensioenverzekering voor bedienden;

  • e)

    de pensioenverzekering voor mijnwerkers en, voor het Saarland, de aanvullende pensioenverzekering in de ijzer- en staalindustrie, alsmede de regeling van hulpverlening aan bejaarde landbouwers;

  • f)

    de ongevallenverzekering;

  • g)

    de werkloosheidsverzekering en de bijstand aan werklozen;

  • h)

    de kinderbijslagen.

België

De wetgevingen betreffende:

  • a)

    de ziekte- en invaliditeitsverzekering (ziekte, moederschap, invaliditeit en overlijden):

    • i)

      regelingen voor werknemers (arbeiders, bedienden, mijnwerkers en overheidspersoneel);

    • ii)

      regeling voor zeelieden ter koopvaardij; regeling voor zelfstandigen;

  • b)

    de rust- en overlevingspensioenen:

    • i)

      regeling voor werknemers (arbeiders, bedienden, mijnwerkers en eden ter koopvaardij);

    • ii)

      regeling voor zelfstandigen;

  • c)

    de schadeloosstelling ter zake van arbeidsongevallen:

    • i)

      regeling voor werknemers in het algemeen;

    • ii)

      regeling voor zeelieden;

  • d)

    de schadeloosstelling ter zake van beroepsziekten;

  • e)

    de regeling van steun aan onvrijwillig werklozen;

  • f)

    de kinderbijslagen voor werknemers en de kinderbijslagen voor zelfstandigen.

Frankrijk

De wetgevingen betreffende:

  • a)

    de organisatie van de sociale zekerheid;

  • b)

    de algemene bepalingen tot vaststelling van de regeling van sociale verzekering van toepassing op verzekerden die geen beroep in de landbouw uitoefenen;

  • c)

    het voorkómen van en de schadeloosstelling bij arbeidsongevallen en beroepsziekten;

  • d)

    de gezinsbijslagen;

  • e)

    de ziekte- en moederschapsverzekering voor zelfstandigen die geen beroep in de landbouw uitoefenen;

  • f)

    de ouderdomsuitkering en ouderdomsverzekering voor zelfstandigen die geen beroep in de landbouw uitoefenen;

  • g)

    de bijstand voor op arbeid aangewezen personen die werkloos zijn;

  • h)

    de uitkering aan bejaarde werknemers, de uitkering aan bejaarde zelfstandigen en de bijstand.

Luxemburg

De wetgevingen betreffende:

  • a)

    de ziekteverzekering (ziekte, moederschap en overlijden):

    • -

      regeling voor arbeiders,

    • -

      regeling voor particuliere bedienden,

    • -

      regeling voor de onafhankelijke beroepen;

  • b)

    de pensioenverzekering (invaliditeit, ouderdom en overlijden):

    • -

      regeling voor arbeiders,

    • -

      regeling voor particuliere bedienden,

    • -

      regeling voor ambachtslieden, voor handelaren en industriëlen;

  • c)

    de verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten;

  • d)

    de werkloosheidsuitkeringen;

  • e)

    de gezinsbijslagen.

Nederland

De wetgevingen betreffende:

  • a)

    de prestaties bij ziekte en moederschap;

  • b)

    de prestaties bij arbeidsongeschiktheid (invaliditeit, arbeidsongevallen en beroepsziekten);

  • c)

    de uitkeringen bij ouderdom;

  • d)

    de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen;

  • e)

    de uitkeringen bij werkloosheid;

  • f)

    de kinderbijslagen.

Zwitserland

  • 1.

    Federale wetgeving betreffende:

    • a)

      de ziekteverzekering, met inbegrip van de prestaties bij moederschap;

    • b)

      de invaliditeitsverzekering;

    • c)

      de ouderdoms- en overlevingsverzekering;

    • d)

      de aanvullende uitkeringen van de ouderdoms- en overlevingsverzekering en van de invaliditeitsverzekering.

    • e)

      de verplichte ongevallenverzekering (met inbegrip van de beroepsziekten);

    • f)

      de werkloosheidsverzekering.

  • 2.

    Kantonale wetgevingen betreffende de kinderbijslagen voor nietagrarische werknemers van de kantons Bazel-Stad en Bazel-Land.

Bijlage

III

ONGEACHT HET BEPAALDE IN ARTIKEL 5, TWEEDE LID GEHANDHAAFDE BEPALINGEN

(Artikel 5, derde lid)

Bondsrepubliek Duitsland-Zwitserland

De Overeenkomst inzake sociale zekerheid van 25 februari 1964, met uitzondering van artikel 27 en de aanvullende overeenkomst van 9 september 1975.

België-Zwitserland

De bepalingen betreffende de invaliditeit van het Verdrag inzake sociale zekerheid van 24 september 1975.

Frankrijk-Zwitserland

De bepalingen betreffende de invaliditeit van het Verdrag inzake sociale zekerheid van 3 juli 1975.

Nederland-Zwitserland

De bepalingen betreffende de invaliditeit van het Verdrag inzake sociale zekerheid van 27 mei 1970.

Bijlage

IV

UITKERINGEN WAAROP ARTIKEL 7, TWEEDE LID VAN TOEPASSING IS

(Artikel 7, derde lid)

Frankrijk

  • -

    De uitkering aan bejaarde werknemers;

  • -

    de uitkering aan bejaarde niet-werknemers;

  • -

    de levenslange ondersteuning (secours viager).

Zwitserland

  • -

    De buitengewone renten van de invaliditeitsverzekering;

  • -

    de buitengewone renten van de ouderdoms- en overlevingsverzekering;

  • -

    de uitkeringen voor gebrekkigen;

  • -

    de aanvullende uitkeringen van de ouderdoms- en overlevingsverzekering en van de invaliditeitsverzekering.

Bijlage

V

UITKERINGEN WAAROP ARTIKEL 9, EERSTE LID NIET VAN TOEPASSING IS

(Artikel 9, derde lid)

Zwitserland

  • -

    De buitengewone renten van de invaliditeitsverzekering;

  • -

    de buitengewone renten van de ouderdoms- en overlevingsverzekering;

  • -

    de halve gewone renten van de invaliditeitsverzekering verleend aan invaliden waarvan de invaliditeitsgraad beneden 50 procent ligt;

  • -

    de uitkeringen voor gebrekkigen;

  • -

    de aanvullende uitkeringen van de ouderdoms- en overlevingsverzekering en van de invaliditeitsverzekering.

Bijlage

VI

WETGEVINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 25, EERSTE LID

(Artikel 25, tweede lid)

België

  • -

    De wetgeving betreffende de algemene invaliditeitsregeling;

  • -

    de wetgeving betreffende de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen.

Frankrijk

Wetgeving betreffende de invaliditeitsverzekering van werknemers.

Nederland

  • -

    De wetgeving betreffende de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

  • -

    de wetgeving betreffende de Algemene Arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Bijlage

VII

TOEPASSING VAN DE AFDELINGEN 1 OF 2 VAN HOOFDSTUK 6 VAN TITEL III

(Artikel 61, eerste lid)

  • (1)

    Afdeling 1

    Bondsrepubliek Duitsland

    België

    Frankrijk

    Luxemburg

  • (2)

    Afdeling 2

    Nederland

    Zwitserland

Bijlage

VIII

BIJZONDERHEDEN INZAKE DE TOEPASSING VAN DE WETGEVINGEN VAN DE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN

(Artikel 87, eerste lid)

Toepassing van de wetgeving van de Bondsrepubliek Duitsland

  • 1.
    • a)

      Voor zover dit niet reeds in de Duitse wetgeving inzake de ongevallenverzekering is voorgeschreven, verlenen de Duitse organen, zolang de getroffene of zijn nagelaten betrekkingen op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonen, overeenkomstig deze wetgeving eveneens een schadeloosstelling voor de in Elzas-Lotharingen vóór 1 januari 1919 voorgekomen arbeidsongevallen en beroepsziekten, wanneer deze schadeloosstelling niet overeenkomstig het besluit van de Raad van de Volkenbond van 21 juni 1921 (Reichsgesetzblatt, blz. 1289) door de Franse organen is overgenomen.

    • b)

      Artikel 9 van dit Verdrag laat onverlet de bepalingen van de Duitse wetgeving krachtens welke de buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland voorgekomen ongevallen en beroepsziekten, alsmede de buiten dit grondgebied vervulde tijdvakken, niet of slechts onder bepaalde voorwaarden aanleiding geven tot het verlenen van uitkeringen wanneer de rechthebbenden zich buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland bevinden.

  • 2.
    • a)

      Om vast te stellen of tijdvakken welke krachtens de Duitse wetgeving moeten worden beschouwd als premievrije tijdvakken (Ausfallzeiten) of aanvullende tijdvakken (Zurechnungszeiten) als zodanig in aanmerking moeten worden genomen, worden de krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij verplicht betaalde premies of bijdragen en de aansluiting bij de verzekering van een andere Verdragsluitende Partij gelijkgesteld met de krachtens de Duitse wetgeving verplicht betaalde premies of bijdragen en met de aansluiting bij de Duitse pensioenverzekering. Bij de berekening van het aantal kalendermaanden tussen de datum van aansluiting bij de verzekering en de datum waarop de verzekerde gebeurtenis heeft plaatsgevonden, wordt geen rekening gehouden met de krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij gelijkgestelde tijdvakken welke tussen deze beide data zijn gelegen en evenmin met de tijdvakken waarover de betrokkene een pensioen of rente heeft genoten.

    • b)

      Het bepaalde sub a) is niet van toepassing op de vaste premievrije tijdvakken (pauschale Ausfallzeit). Deze worden uitsluitend vastgesteld in verhouding tot de krachtens de Duitse wetgeving vervulde tijdvakken van verzekering.

    • c)

      Voor het in aanmerking nemen van een aanvullend tijdvak (Zurechnungszeit) krachtens de Duitse wetgeving inzake de pensioenverzekering voor mijnwerkers, geldt bovendien als voorwaarde dat de laatste premie of bijdrage die krachtens de Duitse wetgeving is betaald, aan de pensioen verzekering voor mijnwerkers moet zijn betaald.

    • d)

      Voor het in aanmerking nemen van de Duitse vervangende tijdvakken (Ersatzzeiten) is alleen de Duitse wetgeving van toepassing.

    • e)

      In afwijking van het bepaalde sub d) zijn de volgende bepalingen van toepassing op degenen, die zijn aangesloten bij de Duitse pensioenverzekering en die in het tijdvak van 1 januari 1948 tot en met 31 juli 1963 in de toen onder Nederlands beheer staande Duitse gebieden hebben gewoond: voor het in aanmerking nemen van de Duitse vervangende tijdvakken (Ersatzzeiten) in de zin van artikel 1251, lid 2 van het Wetboek van sociale verzekering (RVO) of van overeenkomstige bepalingen, wordt de storting van de premies of bijdragen aan de Nederlandse sociale verzekering gedurende dit tijdvak gelijkgesteld met het uitoefenen van een verzekeringsplichtige dienstbetrekking of het verrichten van verzekeringsplichtige werkzaamheden in de zin van de Duitse wetgeving.

  • 3.

    Indien de toepassing van dit Verdrag voor bepaalde organen van de ziekteverzekering buitengewone lasten veroorzaakt, kunnen deze lasten geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd. Het federale verbond van plaatselijke ziekenfondsen beslist als verbindingsorgaan (ziekteverzekering), in overleg met de andere toporganisaties van de ziekteverzekeringsorganen, over de compensatie. De voor de compensatie benodigde middelen worden verkregen door heffingen, welke aan alle organen voor ziekteverzekering worden opgelegd in verhouding tot het gemiddelde aantal leden in het voorafgaande jaar, met uitzondering van gepensioneerden.

  • 4.

    De Duitse pensioenverzekeringsorganen passen artikel 33, vijfde lid van dit Verdrag niet toe wanneer:

    • a)

      de voor 1 januari 1957 geldende wetgeving inzake pensioenberekening van toepassing is;

    • b)

      een aanvullend tijdvak (Zurechnungszeit) in aanmerking moet worden genomen;

    • c)

      een toeslag voor kinderen of een verhoging van de wezenrente in aanmerking moet worden genomen.

  • 5.

    Titel III, Hoofdstuk 2 van dit Verdrag is niet van toepassing op de aanvullende pensioenverzekering voor werknemers in de ijzer- en staalindustrie en op de hulpverlening aan bejaarde landbouwers.

  • 6.

    Artikel 1233 van het Wetboek van sociale verzekering (RVO) en artikel 10 van de Wet inzake de verzekering van bedienden (AVG), gewijzigd bij de wet van 16 oktober 1972, houdende herziening van de pensioenregeling, die de vrijwillige verzekering in het kader van de Duitse pensioenverzekeringen regelen, zijn op personen die aan dit verdrag rechten kunnen ontlenen volgens de volgende regels van toepassing. Indien de algemene voorwaarden zijn vervuld, kunnen de vrijwillige premies of bijdragen aan de Duitse pensioenverzekering worden betaald wanneer:

    • a)

      de betrokkene op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland zijn domicilie of woonplaats heeft;

    • b)

      de betrokkene op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij zijn domicilie of woonplaats heeft en voordien, op enig tijdstip, verplicht of vrijwillig bij de Duitse pensioenverzekering aangesloten is geweest;

    • c)

      de betrokkene op het grondgebied van een derde staat zijn domicilie of woonplaats heeft en gedurende ten minste zestig maanden premies en bijdragen aan de Duitse pensioenverzekering heeft betaald of krachtens de eerder geldende overgangsbepalingen tot de vrijwillige verzekering kunnen worden toegelaten en niet verplicht of vrijwillig verzekerd is krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij.

  • 7.

    Voor de verplichte verzekering krachtens de Duitse wetgeving betreffende de ziekteverzekering voor gepensioneerden, worden de tijdvakken van aansluiting bij de ziekteverzekering van een andere Verdragsluitende Partij gelijkgesteld met de tijdvakken van aansluiting bij de Duitse ziekteverzekering en worden de huwelijkstijdvakken met een lid van de ziekteverzekering van een andere Verdragsluitende Partij gelijkgesteld met de huwelijkstijdvakken met een lid van de Duitse ziekteverzekering.

  • 8.
    • a)

      Voor de toepassing van dit Verdrag wordt het vaste bedrag dat krachtens de Duitse wetgeving bij bevalling wordt toegekend, beschouwd als een verstrekking.

    • b)

      Voor de toekenning van het vaste bedrag bij bevalling ingevolge de Duitse wetgeving, worden de medische onderzoeken welke overeenkomstig de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij zijn uitgevoerd, teneinde gedurende de zwangerschap voldoende en geschikte medische zorg te verzekeren, eveneens in aanmerking genomen.

  • 9.

    De regelingen ter zake van de verzekeringskosten in de door de Bondsrepubliek Duitsland met andere Staten gesloten overeenkomsten blijven onverlet.

  • 10.

    Wanneer, op grond van de Duitse wetgeving, behalve aan de voorwaarden voor de toepassing van dit Verdrag, aan de voorwaarden voor de toepassing van een andere overeenkomst of een supranationale regeling, wordt voldaan, houdt het Duitse orgaan, voor de toepassing van dit Verdrag, geen rekening met de andere overeenkomst of met de supranationale regeling. Deze regel is niet van toepassing wanneer de bepalingen betreffende de sociale zekerheid, welke voor de Bondsrepubliek Duitsland voortvloeien uit internationale verdragen of uit het supranationale recht of die de toepassing ervan beogen, regelingen inzake de verzekeringskosten bevatten.

  • 11.

    De tijdvakken van verzekering, welke krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, worden niet in

    aanmerking genomen voor het minimum aantal verzekeringsjaren, dat nodig is voor de berekening van het pensioen op basis van het minimum inkomen ingevolge de Duitse wetgeving.

  • 12.

    De wezenrenten ingevolge de Duitse wetgeving zijn geen gezinsuitkeringen in de zin van dit Verdrag.

Toepassing van de wetgeving van België

  • 1.

    Indien de rijnvarende, op wie de Belgische wetgeving voor zelfstandigen van toepassing is, gelijktijdig op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij beroepsarbeid als werknemer verricht, wordt deze arbeid met het oog op de vaststelling van de verplichtingen welke voortvloeien uit de Belgische wetgeving betreffende het sociaal statuut der zelfstandigen, met in België uitgeoefende betaalde beroepsarbeid gelijkgesteld.

  • 2.

    Voor de toepassing van de Belgische wetgeving wordt slechts rekening gehouden met een in artikel 28, derde lid, alinea a) ii) van dit Verdrag bedoeld tijdvak, indien de rijnvarende gedurende dit tijdvak arbeidsongeschikt was in de zin van de Belgische wetgeving.

  • 3.

    De tijdvakken van ouderdomsverzekering, welke voor de inwerkingtreding van de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen zijn vervuld krachtens de Belgische wetgeving voor zelfstandigen, worden voor de toepassing van artikel 33 van dit Verdrag beschouwd als tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Belgische wetgeving inzake de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

  • 4.

    Voor de toepassing van Hoofdstuk 6 van Titel III van dit Verdrag door het bevoegde Belgische orgaan, wordt een kind geacht te worden opgevoed op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar het woont.

  • 5.

    Voor personen, wier recht op verstrekkingen van de ziekteverzekering voortvloeit uit de Belgische regeling van verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit welke op zelfstandigen van toepassing is, geldt het bepaalde in Titel III, Hoofdstuk 1 van dit Verdrag, onder de volgende voorwaarden:

    • a)

      in geval van verblijf op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan België, hebben de betrokkenen recht op:

      • i)

        wat betreft de gezondheidszorg, verleend in geval van ziekenshuisopname, verstrekkingen waarin de wetgeving van deze Verdragsluitende Partij voorziet;

      • ii)

        wat betreft de andere verstrekkingen, voorzien in de Belgische regeling, vergoeding van de kosten van deze verstrekkingen door het bevoegde Belgische orgaan volgens de tarieven waarin de wetgeving van de bedoelde Partij voorziet;

    • b)

      in geval van wonen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan België, hebben de betrokkenen recht op verstrekkingen waarin de wetgeving van deze Partij voorziet, op voorwaarde dat de aanvullende premie, welke daartoe in de Belgische wetgeving is voorzien, wordt betaald aan het bevoegde Belgische orgaan.

Toepassing van de wetgeving van Frankrijk

  • 1.

    De uitkering aan bejaarde werknemers wordt overeenkomstig de in de Franse wetgeving voor Franse werknemers geldende voorwaarden toegekend aan alle werknemers die aan dit Verdrag rechten kunnen ontlenen en die op het tijdstip waarop zij hun aanvraag indienen op het Franse grondgebied wonen.

  • 2.

    Dit Verdrag laat onverlet de bepalingen van de Franse wetgeving krachtens welke voor het recht op de uitkering aan bejaarde werknemers uitsluitend rekening wordt gehouden met tijdvakken van arbeid in loondienst of daarmede gelijkgestelde arbeid welke op het grondgebied van de Europese departementen en van de overzeese departementen (Guadeloupe, Guyana, Martinique en Réunion) van de Franse Republiek zijn vervuld.

  • 3.

    De in het eerste en tweede lid bedoelde modaliteiten voor de toekenning van de uitkering aan bejaarde werknemers zijn mutatis mutandis van toepassing op de uitkering aan bejaarde niet-loontrekkenden.

Toepassing van de wetgeving van Luxemburg

  • 1.

    In afwijking van artikel 89, tweede lid van dit Verdrag, worden de tijdvakken van verzekering en de daarmede gelijkgestelde tijdvakken welke vóór 1 januari 1946 krachtens de Luxemburgse wetgeving inzake pensioenverzekering (invaliditeit, ouderdom en overlijden) zijn vervuld, voor de toepassing van deze wetgeving slechts in aanmerking genomen, voor zover de in opbouw zijnde rechten uitsluitend overeenkomstig deze wetgeving of overeenkomstig van kracht zijnde of nog door Luxemburg te sluiten bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid op 1 februari 1970 gehandhaafd zullen zijn of nadien hersteld zullen worden. Ingeval meer dan één verdrag van toepassing is, zullen de tijdvakken van de vroegste datum af in aanmerking worden genomen.

  • 2.

    Voor de toekenning van het vaste deel van de Luxemburgse pensioenen, worden de tijdvakken van verzekering welke krachtens de Luxemburgse wetgeving zijn vervuld door werknemers die niet op Luxemburgs grondgebied wonen, gelijkgesteld met tijdvakken van wonen.

  • 3.

    In afwijking van artikel 33 van dit Verdrag wordt het vaste deel van de Luxemburgse pensioenen, dat ten laste komt van de Staat en de gemeenten, berekend volgens de Luxemburgse wetgeving.

  • 4.

    De eventueel verschuldigde aanvulling om aan het minimumpensioen te komen, de toeslag voor kinderen, alsmede de bijzondere verhogingen, worden in dezelfde verhouding toegekend als het voor rekening van de Staat en gemeenten komende vaste deel van het pensioen.

Toepassing van de wetgeving van Nederland

  • 1.

    Ziekteverzekering

    • a.

      Ten aanzien van het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving wordt voor de toepassing van Hoofdstuk I van Titel III van dit verdrag onder rechthebbende op verstrekkingen verstaan degene die verzekerd dan wel medeverzekerd is krachtens de in de Nederlandse Ziekenfondswet geregelde verzekering.

    • b.

      Voor de toepassing van de artikelen 21 en 22 van dit Verdrag worden met pensioenen, verschuldigd krachtens de wetgevingen genoemd in de paragrafen (b) (prestaties bij invaliditeit) en (c) (uitkeringen bij ouderdom) van artikel 3, eerste lid, van dit Verdrag, gelijkgesteld:

      • pensioenen ingevolge de wet van 6 januari 1966 (Staatsblad 6) houdende nieuwe regeling van de pensioenen van de burgerlijke ambtenaren en hun nabestaanden (Algemene burgerlijke pensioenwet);

      • pensioenen ingevolge de wet van 6 oktober 1966 (Staatsblad 6) houdende nieuwe regeling van de pensioenen van de militairen en hun nabestaanden (Algemene Militaire pensioenwet);

      • pensioenen ingevolge de wet van 15 februari 1967 (Staatsblad 138) houdende nieuwe regeling van de pensioenen van de personeelsleden van de N.V. Nederlandse Spoorwegen en van hun nabestaanden (Spoorwegpensioenwet);

      • pensioenen ingevolge het Reglement Dienstvoorwaarden Nederlandse Spoorwegen (R.D.V. 1964 N.S.).

        respectievelijk

      • uitkeringen terzake van pensionering voor de 65-jarige leeftijd ingevolge een pensioenregeling die ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij ouderdom of

      • uitkeringen terzake van vervroegde uittreding uit het arbeidsproces ingevolge een van rijkswege dan wel bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde regeling terzake van vervroegde uittreding uit het arbeidsproces of een door de Ziekenfondsraad aan te wijzen regeling.

  • 2.

    Algemene Ouderdomswet

    • a.

      De korting als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet wordt niet toegepast voor kalenderjaren of delen ervan, gelegen vóór 1 januari 1957, gedurende welke de pensioengerechtigde, als bedoeld in artikel 7 van de Algemene Ouderdomswet, die niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan deze jaren kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering, tussen zijn 15e en 65e jaar in Nederland woonde, dan wel in een andere Verdragsluitende Partij wonende in Nederland of op een in artikel 1, sub m), van dit Verdrag bedoeld schip, arbeid heeft verricht in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever.

    • b.

      De korting als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet wordt evenmin toegepast voor kalenderjaren of delen ervan, gelegen vóór 1 april 1985, gedurende welke de gehuwde of gehuwd geweest zijnde vrouw tussen haar 15e en 65e jaar, wonende in een andere Verdragsluitende Partij dan Nederland, niet ingevolge genoemde wet verzekerd was, voor zover het kalenderjaren of delen ervan betreft die samenvallen met door haar echtgenoot tijdens zijn huwelijk met haar krachtens bedoelde wet vervulde tijdvakken van verzekering dan wel met kalenderjaren of delen ervan als bedoeld onder a).

      De in de vorige volzin bedoelde vrouw wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 7 van de Algemene Ouderdomswet als pensioengerechtigde aangemerkt.

    • c.

      De korting als bedoeld in artikel 13, lid 2, van de Algemene Ouderdomswet wordt niet toegepast voor kalenderjaren of delen ervan gelegen vóór 1 januari 1957 gedurende welke de echtgenote van de pensioengerechtigde, die niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan deze jaren kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering, tussen haar 15e en 65e jaar in Nederland woonde, dan wel in een andere Verdragsluitende Partij wonende in Nederland of op een in artikel 1, sub m) van dit Verdrag bedoeld schip arbeid heeft verricht in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever.

    • d.

      De korting als bedoeld in artikel 13, lid 2 van de Algemene

      Ouderdomswet wordt evenmin toegepast voor kalenderjaren of delen ervan, gelegen vóór 1 april 1985, gedurende welke de echtgenote tussen haar 15e en 65e jaar in een andere Verdragsluitende Partij dan Nederland heeft gewoond en niet ingevolge genoemde wet verzekerd was, voor zover het kalenderjaren of delen ervan betreft die samenvallen met door haar echtgenoot tijdens zijn huwelijk met haar krachtens bedoelde wet vervulde tijdvakken van verzekering dan wel met kalenderjaren of delen ervan als bedoeld onder a).

    • e.

      Het bepaalde onder a), b), c) en d) geldt alleen indien de pensioengerechtigde na het bereiken van de 59-jarige leeftijd gedurende zes jaren op het grondgebied van een of meer Verdragsluitende Partijen heeft gewoond en zolang hij op het grondgebied van een dezer Verdragsluitende Partijen woont.

    • f.

      In afwijking van het bepaalde in artikel 45, lid 1, van de Algemene Ouderdomswet en artikel 47, lid 1, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet is de in een andere Verdragsluitende Partij dan Nederland wonende echtgeno(o)t(e) van een krachtens genoemde wetten verplicht verzekerde werknemer of zelfstandige tot vrijwillige premiebetaling ingevolge die wetten bevoegd, echter uitsluitend over de tijdvakken gelegen na 1 april 1985 gedurende welke de werknemer of zelfstandige krachtens genoemde wetten verplicht verzekerd is. Deze bevoegdheid eindigt met ingang van de dag waarop de verplichte verzekering van de werknemer of zelfstandige eindigt. Bedoelde bevoegdheid eindigt evenwel niet wanneer de verplichte verzekering van de werknemer of zelfstandige geëindigd is ten gevolge van diens overlijden en aan zijn weduwe uitsluitend een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet is toegekend.

      De bevoegdheid tot vrijwillige premiebetaling eindigt in ieder geval met ingang van de dag waarop de vrijwillig verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt.

      De premie welke voor bedoelde vrijwillige verzekering betaald moet worden, wordt voor de echteno(o)t(e) van een werknemer of zelfstandige die verplicht verzekerd is ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet vastgesteld overeenkomstig het bepaalde voor de vaststelling van de premie voor de verplichte verzekering ingevolge deze wetten, met dien verstande dat zijn/haar inkomen wordt geacht in Nederland te zijn genoten. Voor de echtgeno(o)t(e) van een werknemer of zelfstandige die op of na 1 april 1985 verplicht verzekerd is geworden, wordt de premie vastgesteld overeenkomstig het bepaalde voor de vaststelling van de premie voor de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet.

    • g.

      De bevoegdheid als bedoeld onder f) bestaat slechts indien de echtgeno(o)t(e) van de werknemer of zelfstandige uiterlijk één jaar na de aanvang van diens verplichte verzekering aan de Sociale Verzekeringsbank te kennen geeft aan de vrijwillige verzekering te willen deelnemen. Voor echtgenoten van werknemers of zelfstandigen die direct voorafgaande aan of op 1 april 1985 verplicht verzekerd werden, vangt de termijn van één jaar aan drie maanden nadat de in artikel 97, tweede lid sub d) bedoelde kennisgeving heeft plaatsgevonden.

    • h.

      Het bepaalde onder a), b), c), d) en f) geldt niet voor tijdvakken welke samenvallen met tijdvakken die in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van een pensioen ingevolge de wettelijke regeling inzake ouderdomspensioen van een andere Staat dan Nederland en evenmin voor tijdvakken gedurende welke de betrokkene ingevolge een zodanige regeling een pensioen ontving.

    • i.

      Als tijdvakken van verzekering worden bij de toepassing van artikel 33, tweede tot en met het vijfde lid van dit Verdrag uitsluitend in aanmerking genomen de tijdvakken van verzekering, welke na het bereiken van de 15-jarige leeftijd zijn vervuld krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet.

  • 3.

    Algemene Weduwen- en Wezenwet.

    • a)
      • i.

        Als tijdvakken van verzekering worden bij de toepassing van artikel 33, tweede tot en met het vijfde lid van dit Verdrag uitsluitend in aanmerking genomen de tijdvakken van verzekering, welke na het bereiken van de 15-jarige leeftijd zijn vervuld krachtens de Nederlandse Algemene Weduwen- en Wezenwet.

      • ii.

        Als tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Nederlandse Algemene Weduwen- en Wezenwet worden bij de toepassing van artikel 33 van dit Verdrag mede aangemerkt tijdvakken gelegen vóór 1 oktober 1959, gedurende welke de overledene na het bereiken van de 15-jarige leeftijd op Nederlands grondgebied heeft gewoond of gedurende welke hij, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonende, in Nederland of op een in artikel 1, sub m) van dit Verdrag bedoeld schip arbeid heeft verricht in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever.

    • b)

      De krachtens het bepaalde sub a) in aanmerking te nemen tijdvakken worden buiten beschouwing gelaten wanneer zij samenvallen met tijdvakken van verzekering, welke krachtens de wetgeving inzake uitkeringen aan nagelaten betrekkingen van een andere Staat dan Nederland zijn vervuld.

  • 4.

    Arbeidsongeschiktheidsverzekering.

    Bij de toepassing van artikel 33 van dit Verdrag zullen de Nederlandse organen de volgende bepalingen in acht nemen:

    • a)

      is de rijnvarende op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan werknemer, dan stelt het bevoegde orgaan het uitkeringsbedrag vast overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18 februari 1966 (WAO), rekening houdende met:

      • -

        de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens genoemde wet van 18 februari 1966 (WAO);

      • -

        de tijdvakken van verzekering, vervuld na het bereiken van de 15-jarige leeftijd krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van 11 december 1975 (AWW), voorzover deze niet samenvallen met de tijdvakken van verzekering, door de betrokkene vervuld krachtens genoemde wet van 18 februari 1966, en

      • -

        de tijdvakken van arbeid in loondienst en de daarmede gelijkgestelde tijdvakken, welke voor 1 juli 1967 in Nederland of op een schip als bedoeld in artikel 1, sub m) van dit Verdrag voor een in Nederland gevestigde werkgever, zijn vervuld;

    • b)

      is de rijnvarende op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daarop volgende invaliditeit is ontstaan zelfstandige, dan stelt het bevoegde orgaan het uitkeringsbedrag vast overeenkomstig de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van 11 december 1975 (AAW), rekening houdende met:

      • -

        de tijdvakken van verzekering door de betrokkene vervuld na het bereiken van de 15-jarige leeftijd, krachtens genoemde wet van 11 december 1975 (AAW);

      • -

        de tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18 februari 1966 (WAO), voorzover deze niet samenvallen met tijdvakken van verzekering vervuld krachtens genoemde wet van 11 december 1975 (AAW), en

      • -

        de tijdvakken van arbeid in loondienst en de daarmede gelijkgestelde tijdvakken, welke voor I juli 1967 in Nederland of op een schip als bedoeld in artikel 1, sub m) van dit Verdrag voor een in Nederland gevestigde werkgever, zijn vervuld.

    • c)

      Bij de vaststelling van de Nederlandse invaliditeitsuitkering met toepassing van artikel 28, lid 1 van dit Verdrag wordt door de Nederlandse organen geen rekening gehouden met de eventueel krachtens de Toeslagenwet aan de uitkeringsgerechtigde toe te kennen toeslag. Het recht op deze toeslag en de hoogte ervan worden uitsluitend vastgesteld op grond van de bepalingen van de Toeslagenwet.

Toepassing van de wetgeving van Zwitserland

  • 1.

    Het beginsel van gelijkheid van behandeling, neergelegd in artikel 7 van dit Verdrag, is niet van toepassing op de bepalingen van de federale wetgeving inzake de ouderdoms- en overlevingsverzekering en inzake de invaliditeitsverzekering betreffende:

    • a)

      de vrijwillige verzekering van Zwitserse onderdanen in het buitenland;

    • b)

      de ondersteuning toegekend aan Zwitserse onderdanen in het buitenland.

  • 2.

    De voorzieningen inzake beroepsarbeid, de voorzieningen inzake bijzondere scholing en de voorzieningen ten behoeve van gebrekkige minderjarigen, voorzien in de federale wetgeving inzake invaliditeitsverzekering, gelden als uitkeringen.

  • 3.

    Wat de revalidatievoorzieningen, voorzien in de federale wetgeving inzake de invaliditeitsverzekering betreft, geldt het volgende:

    • a)

      rijnvarenden kunnen aanspraak maken op deze voorzieningen voor zover zij, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop zij deze voorzieningen moeten ontvangen, een volledige dienstbetrekking met permanent karakter hebben uitgeoefend op een in Zwitserland ingeschreven schip;

    • b)

      echtgenoten en weduwen die geen winstgevende arbeid verrichten, alsmede minderjarige kinderen van rijnvarenden, kunnen aanspraak maken op deze voorzieningen, zolang zij hun domicilie in Zwitserland behouden, voor zover zij gedurende ten minste één jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop zij deze voorzieningen moeten ontvangen, onafgebroken in Zwitserland hebben gewoond. De periode van wonen wordt echter als onafgebroken beschouwd wanneer het verblijf buiten het Zwitserse grondgebied niet langer duurt dan twee maanden in de loop van een jaar;

    • c)

      minderjarige kinderen van rijnvarenden kunnen bovendien aanspraak maken op deze voorzieningen, wanneer zij hun domicilie in Zwitserland hebben en aldaar invalide geboren zijn of wanneer zij sedert hun geboorte onafgebroken in Zwitserland hebben gewoond.

  • 4.

    Artikel 35, derde lid van dit Verdrag is slechts van toepassing in geval van invaliditeit, volgens de volgende regels: de rijnvarende, die ten gevolge van ziekte of ongeval gedwongen is zijn werkzaamheden op een in Zwitserland ingeschreven schip te beëindigen en wiens invaliditeit in dit land is vastgesteld, wordt voor de duur van een jaar, te rekenen vanaf de datum van beëindiging van de werkzaamheden gevolgd door invaliditeit, als verzekerde in de zin van de Zwitserse wetgeving beschouwd.

  • 5.

    Wat de toepassing van artikel 7, tweede lid van dit Verdrag betreft geldt het volgende:

    • a)

      rijnvarenden hebben recht op de buitengewone renten ingevolge de invaliditeitsverzekering onder dezelfde voorwaarden als Zwitserse onderdanen, zolang zij hun domicilie in Zwitserland behouden en indien zij onmiddellijk voorafgaande aan de datum met ingang waarvan zij de rente aanvragen onafgebroken gedurende vijfjaren in Zwitserland hebben gewoond;

    • b)

      rijnvarenden, onderscheidenlijk nabestaanden van rijnvarenden, hebben recht op de buitengewone renten ingevolge de ouderdoms- en overlevingsverzekering onder dezelfde voorwaarden als Zwitserse onderdanen, zolang zij hun domicilie in Zwitserland behouden en indien zij, onmiddellijk voorafgaande aan de datum met ingang waarvan zij de rente aanvragen, onafgebroken gedurende tien jaren, waarvan vijf opeenvolgende jaren onmiddellijk aan deze datum voorafgaande, wanneer het een ouderdomsrente betreft en gedurende vijf opeenvolgende aan genoemde datum voorafgaande jaren wanneer het een overlevingsrente of een ouderdomsrente betreft welke een invaliditeitsrente of een overlevingsrente vervangt, in Zwitserland hebben gewoond;

    • c)

      rijnvarenden, onderscheidenlijk nabestaanden van rijnvarenden, hebben recht op de aanvullende uitkeringen van de ouderdoms- en overlevingsverzekering en van de invaliditeitsverzekering onder dezelfde voorwaarden als Zwitserse onderdanen zolang zij hun domicilie in Zwitserland behouden en indien zij onmiddellijk voorafgaande aan de datum met ingang waarvan zij de aanvullende uitkeringen aanvragen, onafgebroken gedurende vijftien jaren in Zwitserland hebben gewoond;

    • d)

      de perioden van wonen, vermeld in het bepaalde sub a) tot en met c) van dit lid worden als onafgebroken beschouwd, wanneer het verblijf buiten het Zwitserse grondgebied niet langer duurt dan drie maanden in de loop van een kalenderjaar.

  • 6.

    Verstrekkingen ten behoeve van het gezin worden toegekend aan in Zwitserland woonachtige familieleden van een zelfstandig Rijnvarende, die onderworpen is aan de wetgeving van een andere Partij tot dit Verdrag, als ware deze zelfstandig Rijnvarende, werknemer in de zin van het 1e artikel, letter m van het Verdrag; deze verstrekkingen komen ten laste van het competent verzekeringsorgaan, overeenkomstig de wetgeving van Zwitserland.