Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

en de Bondspresident van de Republiek Oostenrijk,

de wens koesterende, een verdrag te sluiten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, hebben daartoe tot hun gevolmachtigden benoemd:

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Constant Wilhelm Baron van Boetzelaer van Asperen, Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur te Wenen;

De Bondspresident van de Republiek Oostenrijk:

Sektionschef Dr. Josef Hammerschmidt, Bondsministerie van Financiën;

die, na uitwisseling van hun volmachten, die in goede en behoorlijke vorm werden bevonden, het volgende zijn overeengekomen:

HOOFDSTUK

I

Reikwijdte van het Verdrag

Artikel

1

Personen op wie het Verdrag van toepassing is

Dit Verdrag is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten.

Artikel

2

Belastingen waarop het Verdrag van toepassing is

HOOFDSTUK

II

Begripsbepalingen

Artikel

3

Algemene begripsbepalingen

Artikel

4

Fiscale woonplaats

Artikel

5

Vaste inrichting

HOOFDSTUK

III

Belastingheffing naar het inkomen

Artikel

6

Inkomsten uit onroerende goederen

Artikel

7

Winst uit onderneming

Artikel

8

Zeevaart, binnenvaart en luchtvaart

Artikel

9

Gelieerde ondernemingen

Indien:

  • a)

    een onderneming van een van de beide Staten onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere Staat,

    of

  • b)

    dezelfde personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van een van de beide Staten en een onderneming van de andere Staat,

en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in haar handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden aanvaard of opgelegd, die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen alle voordelen die zonder deze voorwaarden zouden zijn opgekomen aan een van de ondernemingen, maar tengevolge van die voorwaarden haar niet zijn opgekomen, worden begrepen in de voordelen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.

Artikel

10

Dividenden

Artikel

11

Interest

Artikel

12

Stille vennootschappen

Artikel

13

Royalty's

Artikel

14

Vermogenswinsten

Artikel

15

Zelfstandige arbeid

Artikel

16

Niet-zelfstandige arbeid

Artikel

17

Bestuurders- en commissarissenbeloningen

Artikel

18

Artiesten en sportbeoefenaars

Artikel

19

Pensioenen

Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 20, tweede lid, sub a, en vierde lid zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een van de beide Staten ter zake van een vroegere dienstbetrekking, slechts in die Staat belastbaar.

Artikel

20

Overheidsfuncties en sociale zekerheid

Artikel

21

Studenten

Artikel

22

Overige inkomsten

Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een van de beide Staten die niet uitdrukkelijk in de voorgaande artikelen van dit Verdrag zijn vermeld, zijn slechts in die Staat belastbaar.

HOOFDSTUK

IV

Belastingheffing naar het vermogen

Artikel

23

Vermogen

HOOFDSTUK

V

Wijze van vermijding van dubbele belasting

Artikel

24

HOOFDSTUK

VI

Bijzondere bepalingen

Artikel

25

Non-discriminatie

Artikel

26

Regeling voor onderling overleg

Artikel

27

Uitwisseling van inlichtingen

Artikel

28

Diplomatieke en consulaire ambtenaren

De bepalingen van dit Verdrag tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke of consulaire ambtenaren en beambten ontlenen aan de algemene regelen van het volkenrecht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

Artikel

29

Uitbreiding tot andere gebieden

HOOFDSTUK

VII

Slotbepalingen

Artikel

30

Inwerkingtreding

Artikel

31

Beëindiging

Dit Verdrag blijft van kracht totdat het door een van de beide Verdragsluitende Partijen is opgezegd. Elk van de Verdragsluitende Partijen kan het Verdrag langs diplomatieke weg opzeggen met inachtneming van een termijn van ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar. In dat geval houdt het Verdrag op van toepassing te zijn met betrekking tot belastingjaren en -tijdvakken die aanvangen na het einde van het kalenderjaar tegen het einde waarvan het Verdrag is opgezegd.

TEN BLIJKE WAARVAN de bovengenoemde gevolmachtigden van de beide Staten dit Verdrag hebben ondertekend en er hun zegels aan hebben gehecht.

GEDAAN te Wenen, op 1 september 1970, in de Nederlandse en in de Duitse taal, in twee originelen, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) C. W. VAN BOETZELAER

Voor de Republiek Oostenrijk:

(w.g.) HAMMERSCHMIDT

Slotprotocol

Bij de ondertekening van het Verdrag tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, heden tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk gesloten, zijn de gevolmachtigden die dit Slotprotocol hebben ondertekend, de volgende bepalingen overeengekomen, welke een integrerend deel vormen van het Verdrag.

I

Ad Artikel 1:

Het Verdrag vindt geen toepassing op internationale organisaties, op hun organen en functionarissen, en op personen deel uitmakende van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een derde Staat, die in een van de beide Staten verblijven of aldaar hun zetel hebben en aldaar niet voor hun gehele inkomen en hun gehele vermogen aan de belastingheffing zijn onderworpen.

II

Ad Artikelen 10, 11 en 13:

Verzoeken om teruggaaf van belasting die in strijd met de bepalingen van de artikelen 10, 11 en 13 is geheven, moeten worden ingediend binnen een tijdvak van drie jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven.

III

Ad Artikel 24

  • a.

    Het is wel verstaan dat, wat de Nederlandse inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting betreft, de grondslag bedoeld in artikel 24, eerste lid, is het onzuivere inkomen of de winst in de zin van de Nederlandse wetten op de inkomstenbelasting onderscheidenlijk de vennootschapsbelasting.

  • b.

    Het is wel verstaan dat voor de berekening van de vermindering vermeld in artikel 24, tweede lid, de waarde van de in artikel 23, eerste lid, bedoelde vermogensbestandddelen wordt verminderd met de waarde van de schulden verzekerd door hypotheek op dat vermogen en de waarde van de in artikel 23, tweede lid, bedoelde vermogensbestanddelen wordt verminderd met de waarde van de tot de vaste inrichting of het vaste middelpunt behorende schulden.

  • c.

    Het in artikel 24, tweede lid, letter a, bedoelde bedrag van de in Oostenrijk geheven belasting wordt voor de in artikel 14, vijfde lid, genoemde voordelen naar het gemiddeld toegepaste tarief berekend.

IV

Ad Artikel 27:

Vervallen

GEDAAN te Wenen, op 1 september 1970, in de Nederlandse en in de Duitse taal, in twee originelen, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) C. W. VAN BOETZELAER

Voor de Republiek Oostenrijk:

(w.g.) HAMMERSCHMIDT

Abkommen zwischen dem Königreich der Niederlande und der Republik Österreich zur Vermeidung der Doppelbesteuerung auf dem Gebiete der Steuern vom Einkommen und vom Vermögen

Ihre Majestät die Königin der Niederlande

und der Bundespräsident der Republik Österreich,

von dem Wunsche geleitet, ein Abkommen zur Vermeidung der Doppelbesteuerung auf dem Gebiete der Steuern vom Einkommen und vom Vermögen abzuschliessen, haben zu diesem Zweck zu ihren Bevollmächtigten ernannt:

Ihre Majestät die Königin der Niederlande:

Baron Constant Wilhelm van Boetzelaer van Asperen, ausserordentlicher und bevollmächtigter Botschafter in Wien;

Der Bundespräsident der Republik Österreich:

Herrn Sektionschef Dr. Josef Hammerschmidt im Bundesministerium für Finanzen;

die, nachdem sie ihre Vollmachten ausgetauscht und diese in guter und gehöriger Form befunden, folgendes vereinbart haben:

ABSCHNITT

I

Geltungsbereich des Abkommens

Artikel

1

Persönlicher Geltungsbereich

Dieses Abkommen gilt für Personen, die in einem der beiden Staaten oder in beiden Staaten ansässig sind.

Artikel

2

Unter das Abkommen fallende Steuern

ABSCHNITT

II

Definitionen

Artikel

3

Allgemeine Definitionen

Artikel

4

Steuerlicher Wohnsitz

Artikel

5

Betriebstätte

ABSCHNITT

III

Besteuerung des Einkommens

Artikel

6

Einkünfte aus unbeweglichem Vermögen

Artikel

7

Unternehmensgewinne

Artikel

8

Seeschiffahrt, Binnenschiffahrt und Luftfahrt

Artikel

9

Verbundene Unternehmen

Wenn

  • a)

    ein Unternehmen eines der beiden Staaten unmittelbar oder mittelbar an der Geschäftsleitung, der Kontrolle oder am Kapital eines Unternehmens des anderen Staates beteiligt ist, oder

  • b)

    dieselben Personen unmittelbar oder mittelbar an der Geschäftsleitung, der Kontrolle oder am Kapital eines Unternehmens eines der beiden Staaten und eines Unternehmens des anderen Staates beteiligt sind,

und in diesen Fällen zwischen den beiden Unternehmen hinsichtlich ihrer kaufmännischen oder finanziellen Beziehungen Bedingungen vereinbart oder auferlegt werden, die von denen abweichen, die unabhängige Unternehmen miteinander vereinbaren würden, so dürfen die Gewinne, die eines der Unternehmen ohne diese Bedingungen erzielt hätte, wegen dieser Bedingungen aber nicht erzielt hat, den Gewinnen dieses Unternehmens zugerechnet und entsprechend besteuert werden.

Artikel

10

Dividenden

Artikel

11

Zinsen

Artikel

12

Stille Gesellschaften

Artikel

13

Lizenzgebühren

Artikel

14

Gewinne aus der Veräusserung von Vermögen

Artikel

15

Selbständige Arbeit

Artikel

16

Unselbständige Arbeit

Artikel

17

Aufsichtsrats- und Verwaltungsratsvergütungen

Artikel

18

Künstler und Sportler

Artikel

19

Ruhegehälter

Vorbehaltlich des Artikels 20 Absatz 2, lit. a und Absatz 4 dürfen Ruhegehälter und ähnliche Vergütungen, die einer in einem der beiden Staaten ansässigen Person für frühere unselbständige Arbeit gezahlt werden, nur in diesem Staat besteuert werden.

Artikel

20

Öffentlicher Dienst und Sozialversicherung

Artikel

21

Studenten

Artikel

22

Nicht ausdrücklich erwähnte Einkünfte

Die in den vorstehenden Artikeln nicht ausdrücklich erwähnten Einkünfte einer in einem der beiden Staaten ansässigen Person dürfen nur in diesem Staat besteuert werden.

ABSCHNITT

IV

Besteuerung des Vermögens

Artikel

23

Vermögen

ABSCHNITT

V

Bestimmungen zur Vermeidung der Doppelbesteuerung

Artikel

24

ABSCHNITT

VI

Besondere bestimmungen

Artikel

25

Gleichbehandlung

Artikel

26

Verständigungsverfahren

Artikel

27

Informationsaustausch

Artikel

28

Diplomatische und konsularische Beamte

Dieses Abkommen berührt nicht die steuerlichen Vorrechte, die den diplomatischen und konsularischen Beamten nach den allgemeinen Regeln des Völkerrechts oder auf Grund besonderer Vereinbarungen zustehen.

Artikel

29

Ausdehnung des territorialen Geltungsbereiches

ABSCHNITT

VII

Schlussbestimmungen

Artikel

30

Inkrafttreten

Artikel

31

Ausserkrafttreten

Dieses Abkommen bleibt in Kraft, solange es nicht von einer der beiden vertragschliessenden Parteien gekündigt worden ist. Jede vertragschliessende Partei kann das Abkommen auf diplomatischem Wege unter Einhaltung einer Frist von mindestens sechs Monaten zum Ende eines Kalenderjahres kündigen. In diesem Fall ist das Abkommen für die Steuer jähre und Steuerzeiträume nicht mehr anzuwenden, die nach dem Ende des Kalenderjahres beginnen, zu dessen Ende die Kündigung erfolgt ist.

ZU URKUND DESSEN haben die vorgenannten Bevollmächtigten der beiden Staaten dieses Abkommen unterzeichnet und mit Siegeln versehen.

GESCHEHEN zu Wien, am 1. September 1970, in zweifacher Urschrift in niederländischer und deutscher Sprache, wobei beide Texte authentisch sind.

Für das Königreich der Niederlande:

(gez.) C. W. VAN BOETZELAER

Für die Republik Österreich:

(gez.) HAMMERSCHMIDT

Schlussprotokoll

Bei der Unterzeichnung des heute zwischen dem Königreich der Niederlande und der Republik Österreich abgeschlossenen Abkommens zur Vermeidung der Doppelbesteuerung auf dem Gebiete der Steuern vom Einkommen und vom Vermögen haben sich die unterzeichneten Bevollmächtigten auf die folgenden, einen integrierenden Bestandteil des Abkommens bildenden Erklärungen geeinigt:

I

Zu Artikel 1:

Das Abkommen findet keine Anwendung auf internationalen Organisationen, ihre Organe und Beamten sowie auf Mitglieder einer diplomatischen oder konsularischen Vertretung eines dritten Staates, die sich in einem der beiden Staaten aufhalten oder dort ihren Sitz haben und dort nicht mit ihrem Gesamteinkommen und ihrem Gesamtvermögen der Besteuerung unterliegen.

II

Zu den Artikeln 10, 11 und 13:

Anträge auf Rückerstattung einer in Widerspruch mit den Artikeln 10, 11 und 13 erhobenen Steuer müssen innerhalb von drei Jahren nach dem Ende des Kalenderjahres, in dem die Steuer erhoben wurde, gestellt werden.

III

Zu Artikel 24

  • a.

    Es besteht Einverständnis darüber, dass, wenn es sich um die niederländische Einkommensteuer oder Körperschaftsteuer handelt, die im ersten Absatz des Artikels 24 bezeichnete Bemessungsgrundlage der »onzuivere inkomen« oder »winst« im Sinne des niederländischen Einkommensteuergesetzes oder Körperschaftsteuergesetzes ist.

  • b.

    Es besteht Einverständnis darüber, dass bei der Berechnung des in Artikel 24 Absatz 2 genannten Abzuges die in Artikel 23 Absatz 1 genannten Vermögensteile mit einem Betrag angesetzt werden, der um die auf ihnen grundbücherlich sichergestellten Schulden gekürzt ist, und dass die in Artikel 23 Absatz 2 genannten Vermögensteile mit einem Betrag angesetzt werden, der um die mit der Betriebstätte oder festen Einrichtung zusammenhängenden Schulden gekürzt ist.

  • c.

    Der in Artikel 24 absatz 2 a bezeichnete Betrag der Österreichisehen Steuer errechnet sich für die in Artikel 14 Absatz 5 genannten Gewinne nach einem durchschnittlichen Steuersatz.

IV

Zu Artikel 27:

Vervallen

GESCHEHEN zu Wien, am 1. September 1970, in zweifacher Urschrift in niederländischer und deutscher Sprache, wobei beide Texte authentisch sind.

Für das Königreich der Niederlande:

(gez.) C. W. VAN BOETZELAER

Für die Republik Österreich:

(gez.) HAMMERSCHMIDT